zondag 9 juni 2019

BERT BEVERS - Nederzettingen


KRUISBESTUIVINGEN TUSSEN TIJD EN PLAATS

Door Albert Hagenaars




Foto: © Albert Hagenaars



I

Het gestencilde uitgaafje meet 10 bij 15 centimeter. De dunte bedraagt zelfs maar 1 millimeter. De kleur van de omslag is verschoten tot oudroze en de voorkant wordt ontsierd door een donkere vlek. De letters van sommige teksten zijn nog maar nauwelijks leesbaar. Twee roestige nietjes houden het geheel nog net bijeen. Het is duidelijk dat de tijd hier heeft huisgehouden! En de tijd, dat is het onderwerp ditmaal.

Ik heb het over ‘drinken van duisternis’, waarvan de ondertitel luidt: “’n eenzaam bundeltje / door bert bevers”. Het verscheen in 1972 als eerste deeltje van een serie met de naam Poëzieklus.
Dit is niet het debuut van deze dichter want dat heet ‘Berichten uit een doolhof’, dat enkele maanden eerder verscheen. Ondanks lang speuren heb ik dat boekje nog altijd niet te pakken kunnen krijgen!






Met het oog op een bespreking van Bevers’ laatste bundel, ‘Nederzettingen’, waarvan het centrale thema dat van de tijd is, trok ik ‘drinken van duisternis’ weer eens uit het plastic archiefvel om te zien of hij aan het begin van zijn ook kwantitatief al indrukwekkende carrière iets met het gegeven van de tijd had. En ja hoor, meteen prijs! Al uit het eerste gedicht kan ik opvissen: “morgen smaakt naar meer en de / hoop van gisteren wordt ouder”.
Daarnaast schreef de prille dichter: “verleden / ik sterf steeds harder / op alle fronten word ik jou / heden”. Er staat niet ‘jouw’ zoals de lezer misschien onbewust meent waar te nemen. Hij spreekt de tijd zelf dus aan, in diens tegenwoordige vorm.

Ook indirect is de jonge Bevers volop bezig met het onderzoeken van de tijd: hij heeft het onder andere over: “ik verslijt me”, “het seizoen der seizoenen”; “ik drink van / de regen de sfeer / de tijd”; “laat me van je verleden eten”; “nu hij zijn leven wegpraat” en “Starving to death / he started to die”. Nu deze acht uitspraken na tientallen jaren bij elkaar zijn gezet, kun je vaststellen dat de meeste beelden helemaal niet gek zijn, zeker niet als je beseft dat ze geschreven werden door een jongen van 17, 18 jaar.

Naar de mode van die jaren liet hij alle leestekens weg, misschien om aan te sluiten bij de toenmalige poëziehelden of misschien om de gelijke waarde van alle letters te benadrukken. Het een sluit het ander niet uit. Ook in de bundels die volgden komen steeds talrijke beelden en regels over tijd voor, in langzaam maar zeker steeds beter gestructureerde bundels. Allez, nog een greep…


hier tel ik de jaren / die men lente noemt / dit is een stad om op te graven
Geschikt & Bewogen, 1975


soms is het langzaam / ploegen door de tijd: / een woord vervaagt / voordat ik het kan grijpen
Prachtig beheersen, 1977


ongewilde reizen / naar enig het / daadwerkelijk bezit: / geleefde jaren
Het verlangen naar heimwee, 1982


jouw foto’s geuren naar vervlogen tijden / zoals priesters naar gebeden ruiken
Ware Grootte, 1988


Die jonge jaren raken meer en meer beduimeld, / maar tuimelen soms de draad van geheugen even / wichtig op
In de buurt van de wereld, 2002


Er anders nooit geweest zijn wij zonder die vreemde tijden. Er nooit. En anders evenmin.
Uit de herinneringen van een souffleur, 2006


Hoe lang dood duurt weet geen mens.
Andere taal, 2007


Pas in het avonduur begint de kleine graai naar later.
Arrondissementen, 2011


aan een schrijven heeft de zegel // geen schuld. Er komt echter een tijd zonder hen. / Als álles digitaal gaat. Uit zullen ze sterven als / kolenkitten en telefoons met draad en draaischijven.
Naast bedoomde ruiten, 2016


Hij kan het gewoon niet laten; zelfs in zijn verfilmde gedichten, te zien op You Tube, zitten tijdsmotieven.







II

Nu zindert zijn laatste bundel ‘Nederzettingen’ op de bespreektafel. Het boekje bestaat niet uit gedichten die gelardeerd zijn met regels en beelden over de tijd maar vormt als het ware één bonk tijdsbeleving!
Bevers voorzag drie delen. De titels daarvan luiden ‘Nederzettingen’, ‘Uit de tijd’ en ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’. Elk wordt voorafgegaan door een citaat. Het eerste heeft merkwaardig genoeg niet direct iets met tijd te maken:

Een paard zonder ruiter is altijd nog een paard.
Een ruiter zonder paard alleen nog maar een mens.

Was getekend: Stanisław Jerzy Lec. De nadruk op paard is des te opmerkelijker omdat er in de desbetreffende afdeling, die 16 verzen telt, wel allerlei dierennamen voorkomen, ik noem schaap, merel, patrijs, geit, zeearend, kraai, varken, uil, wolf maar ‘paard’ niet. Wel is er sprake van een merrie.
Zou Bevers daarom het citaat als een zinnenbeeld willen inzetten? Mogelijkheden genoeg, meer dan de welwillende lezer misschien lief is. Je mag je beperken tot een relatie die alleen middels een ruiter zinvol is maar je kunt je ook richten op het belangrijkste element: het paard. Het dier staat symbool voor kracht, snelheid en sierlijkheid. De combinatie werd vele eeuwen lang verbonden met militaire superioriteit. Mede daarom vormden paarden in verschillende culturen vaak een offerande. Bij de Romeinen werd de staart in winters bewaard als teken van vruchtbaarheid en dit laatste begrip, vruchtbaarheid, is alvast van essentieel belang voor het oude volk dat Bevers in de titelafdeling oproept:



VII

onder de lange winden van de winter sneden
ze fluiten uit fijn flierhout. Kraaien krasten
boven rossige mossen alsof die geronnen bloed
waren. Ook toen was stilte zeldzaam: zeugen
knorden nerveus, merries snoven schuw als

uilen overvlogen. De krijgers waakten. In jonge
iepen zagen zij reeds het hout voor hun bogen.



Net als alle andere gedichten van de eerste afdeling telt VII vijf plus twee regels! Hoe kort deze tekst ook is, Bevers laat er toch overtuigend zijn vaardigheden als gerijpt dichter op los.

Daar zijn ten eerste de klankovereenkomsten bijvoorbeeld winden-winter; fluiten-fijn-flierhout; kraaien krasten; en, uitdagender: rossige-mossen-geronnen.

Hij vermeide zich ook met doorloopjes: na "als" verwacht je een vergelijking maar krijg je een bijzin, en "jonge" kan, even toch, betrekking hebben op krijgers maar krijgt z’n beslag in "iepen".

De dierensymboliek moet natuurlijk worden genoemd: varkens zijn slimme beesten, zeugen staan ook nog eens voor vruchtbaarheid. Alleen de naam al doet sterk denken aan zogen. Bevers schrijft idem dito merries in plaats van paarden.
Vermoedelijk wil hij ook de nachtmerrie oproepen (afkomstig van mare), die in het 3e gedicht van de tweede afdeling wordt vervloekt, een veronderstelling die kracht wordt bijgezet door overwegend negatief geladen woorden als "krassen", "geronnen bloed", "nerveus" en "schuw".
Een ander voorbeeld: de uil heeft als nachtdier een scherpe blik en dito gehoor, is een vogel die z’n nek 240 graden kan draaien, wat voor een breed perspectief zorgt, en kreeg daarom in de loop van de tijd waarden van kennis, magie en helderziendheid toebedeeld. We zien deze vogel niet voor niets als vignet van uitgeverijen, boekwinkels en onderwijsinstituten.

Bevers zou kansen laten liggen als hij niet archaïsche en soms ook andere zelden gebruikte woorden gebruikte. Dat doet hij dan ook, de lezer krijgt ze zelfs opgediend in alle gradaties. Alleen al in de eerste afdeling staan de volgende, van jong beleden tot echt oud: "reeds", "bonkaarde", "schutsgeesten", "schoorvoetend", "hindermachten", "aanschouwen", "louter", "tongdolk", "bijvoet", "spadesteek", "wenen", "doch", "milddadig", "her", "lijftocht" en "weeklagen". Samen doen ze bijna onderhuids hun werk, namelijk de lezer, zeker de jonge lezer, met heel kleine snokjes uit z’n eigen tijd wegtrekken, terugwaarts.

Tenslotte, en dit is het vijfde punt, vestigt hij de aandacht op bepaalde fragmenten door een eigenzinnige syntaxis, van oudsher een van z’n belangrijkste handelskenmerken. De zinsbouw is zelfs zo belangrijk dat je de betreffende kunstgrepen kan categoriseren:

1) Omkeringen, inversie:
-“Dat ze er ook later zijn, // weten ze

2) Herhalingen:
- “Dat / wisten zij niet, zij die voor de geiten bladeren / van de hazelaar plukten.”
- “Al koor, en niets / dan koor.”
- “Dat er niet meer kan gebeuren behalve / in leven te komen. Dat pasgeborenen een ijsdoop // behoeven, om hen te harden en tegen boze machten / te beschermen. Dat de bijvoet kwade geesten afweert.”

3) Verwisseling van persoonsvorm en infinitief, soms ook nog gescheiden door een regeleinde:
- “Ze zegden dat er veel / gebeuren zal
- “Vuur moet ademen / kunnen
- “hoe ze leven / moesten

4) Onaffe zinnen:
- “Moet er niet een grens aan ootmoed?
- “Wie dacht er aan schrift toen taal nog maar amper?

5) Of zinnen juist aangevuld met één of twee op zich staande woorden:
- “Dat ze er met eenzelfde geluid / zullen zijn. Voor anderen. Veel later.”
- “Wisten / de poten van het onbegrip bewandelen dode paden. Her.
- “Die hadden harde zwaarden, en langere.

Bij elkaar opgeteld zijn dit veel eigenaardigheden, en ik voer dit woord niet op in z’n hedendaagse betekenis van vreemdsoortigheden maar in de oudere duiding van de eigen aard.




Foto: © Daam Noppe



III

De eerste afdeling bestaat uit zestien verzen, de derde uit tien maar de middelste uit slechts vier. Ze schuilen onder een motto van Leslie Poles Hartley:

The past is a foreign country:
They do things differently there.

Bevers koppelt in navolging van Hartley tijd aan plaats en dat doet hij consciëntieus. Deze vier gedichten zijn namelijk een aankondiging van de derde afdeling waar de tijd inderdaad als fysieke wereld tot uitdrukking komt.
Waarschijnlijk heeft Bevers omwille van de scharnierfunctie dit tweede deel zo kort gehouden. En: is het toeval dat ook de vorm daarvan getuigt? Ditmaal telt namelijk elk gedicht 3+3+3+1 regels, evenveel als het aantal verzen in het derde deel!

De poëtische dichtheid in dit middenstuk is groter. De beeldspraak is compacter en er staan per tekst meer uitspraken waar langer op te kauwen is.

Het eerste gedicht begint aldus: “November waait notenkrakers over / in zuidwaartse drift”. Dit is een fraai beeld, al was het maar omdat de naam van de vogelsoort vruchten van de herfst in zich draagt. Ook klankkleur en beweging ("overwaaien" en "zuidwaarts") passen goed bij dit seizoen.

Het gaat mis in het tweede gedicht, meteen in het begin: “Als duveltjes uit fopdoosjes fladderen nu / plots trotse scharen gevleugelden op die / weigeren hun naam alleen te laten”. Dit is een duidelijk voorbeeld van overdaad.
Weliswaar spiegelen deze regels in zekere zin die van het eerste gedicht, een aspect waar Bevers zich veelvuldig van bedient -daarover later meer- maar ronduit storend zijn die duveltjes uit fopdoosjes. De dichter was er tot nu toe in geslaagd een sterke en daardoor overtuigende sfeer op te roepen van voorbije tijden, een prehistorisch volk op de overgang van een jaagcultuur naar permanente bewoning, met alle sfeerversterkende ingrediënten die daarbij horen zoals “een grijze wijze”, “schutsgeesten”, “offerdiensten” en “wolvenschedels”. Dit register loopt door in het tweede deel maar wordt met “duveltjes uit fopdoosjes” natuurlijk aangetast. Los daarvan is de beeldspraak te zwaar aangezet. Dat vogels gevleugelden zijn is een feit maar ze fladderen op in scharen en die zijn ook nog eens trots. Bovendien weigeren ze hun naam alleen te laten, wat ze echter toch doen want hier komt de soort niet aan bod, zoals eerder wel het geval was bij de merels, patrijzen, zeearenden, kraaien en uilen. Tenslotte, duveltjes, bedoeld om te laten schrikken, worden verondersteld letterlijk veerkrachtig, te springen, omhoog te schiéten, en niet om op te fladderen.

Wel boeiend hier is de versterking van het beeld uit het tweede gedicht van de eerste reeks: “merels luisteren niet naar / hun naam maar slechts naar de klank / van hun stem”. Ook deze twee beelden, het eerste subliem, het tweede helaas mislukt, tonen aan hoe Bevers schuift en spiegelt, ‘Nederzettingen’ tot leven brengt.

Omwille van het belang van vogels ontleen ik een regel aan het vierde en laatste gedicht van deel 2:
Het onbeholpen huppen van takkelingen / herkent hij in het uur waarin de uilen met / hun vlerken wiegen.” De betekenis van takkelingen is overigens niet eenduidig, het kan volgens de geraadpleegde informatie een jonge vink zijn, het jong van een roofvogel maar ook een vogeltje dat nog niet of nog maar pas kan vliegen, en zelfs een kruipend dier!
Het lijkt een simpele waarneming maar als je goed leest komt er een en ander bij kijken. Want Bevers zal niet bedoelen dat met hun vleugels wiegende uilen ook iets onbeholpens hebben. De herkenning zal de zoveelste vingerwijzing naar het tijdsverloop zijn, tegelijk een reden om aan te nemen dat takkelingen onvolgroeide uilen zijn en daarmee dat ervaring moet groeien tot wijsheid.

Het beste gedicht van dit deel kan beter in z’n geheel worden opgenomen:



III

Ossen worden nooit meer stieren. Zelfs
de vergeten watervinders weten dat. In
hun wijkplaats verzwonden aanschouwen

zij in synchroon perspectief de steelse
vertraging, de evacuatie van de goden.
Zachtjes strelen zij vergeelde marsorders,

gestolde zegelwas op generfd leder.
Vervloeken ze warme maren in de nacht.
In verpoederd weten herkennen zij de

wetten van de spiegeling. Het ijs is sprok.




Ook hier volop lexicaal genot: “watervinders”, “wijkplaats”, “verzwonden”, “steels”, “zegelwas”, “maren” en vooral “sprok”, dat eveneens diverse betekenissen kent, denk aan sprokkelen, maar ongetwijfeld als ‘broos’ is ingezet.
Gelijk al de eerste regel onderstreept de onomkeerbaarheid van de tijd. Dit besef wordt bevestigd in de tweede regel. Bevers brengt er een verdwijnende cultuur mee in beeld. Net als de ossen vergeten zullen zijn dat ze stieren waren, is het belang van het vinden van water, essentieel in de nomadische tijd, verdwenen. De trekkende volkeren zijn boeren geworden, bewoners van nederzettingen bij putten en permanente drenkplaatsen. De marsorders zijn vergeeld want niet meer nodig.

Die vaststelling is op zich ook weer een beeld want op een derde niveau stipt de dichter het verlies van een hogere macht aan, denk middels “evacuatie van de goden” aan de hedendaagse ontkerkelijking van ons ‘oude Europa’. Even kort door de bocht: de watervinders zijn in Bevers visie te vereenzelvigen met profeten en kunstenaars. Eens stonden ze centraal, daarna geraakten ze steeds meer los uit het sociale verband, zijn ze belachelijk gemaakt en is hun boodschap zo goed als vergeten. Allerlei woorden ondersteunen dit proces, van “vergeten” tot “wijkplaats”, van “verzwonden” tot “verpoederd weten”.
Het slotbeeld is een prachtige vondst en staat op de best denkbare plek. Het broze ijs duidt niet alleen aan hoe kwetsbaar alles is geworden maar biedt ook de mogelijkheid te reflecteren, in beide betekenissen van het woord!

Geen wonder daarom dat het volgende deel begint met “Folgen eines Blickes” en de vraag wie “die Wirkung eines Gebetes” nog kent.



IV

Wer kennt die Folgen eines Blickes, der uns flüchtig streifte,
Wer kennt die Wirkung des Gebetes, das ein Unbekannter für uns spricht.

Aldus Ernst Jünger, in diens ‘Strahlungen’. Dit derde deel van tien gedichten heeft weer een heel andere benadering van de tijd. Er mag namelijk nauwelijks iets gebeuren. Vandaar dat Bevers als decor een schijnbaar vergeten stadje in de heuvels heeft gekozen, passend om het karnen van de tijd weer te geven, beter gezegd het stremmen van de toch al spaarzame belevenissen. Het is een Märklin-stadje, geeft hij ons mee. Dit uitgangspunt wordt verstevigd door het opvoeren van een modelbouwer, een van de tien hoofdpersonages. De anderen zijn respectievelijk: een perronchef, een kamermeisje (is er een station dan is er ook een gelegenheid om te overnachten), een notaris, een slager, een boswachter, een burgemeester, een pastoor, een kastelein én, aan het eind van zowel reeks als bundel, een dichter.

Verschillende opmerkingen suggereren dat alle voorgaande gedichten aan zijn verbeelding ontspruiten, dat er dus helemaal geen sprake is van een lieflijk plaatsje in een bosrijke omgeving.
Wie meer weet over mottoleverancier Jünger, mag er ook vanuit gaan dat het woord ‘lieflijk’ beter tussen aanhalingstekens past. Deze Duitse auteur gaf zich als jongeling op voor het Franse vreemdelingenlegioen en vocht met volle overgave in de Eerste Wereldoorlog, waardoor hij niet alleen wonden opliep maar ook onderscheidingen opgespeld kreeg. In een leven vol strijd en risico’s zag hij de mogelijkheid zichzelf individueel te leren kennen en verheffen. Niet voor niets was hij een Nietzsche-adept. Maar, en dit zal het belangrijkst voor Bevers zijn, Jünger was niet iemand die zich voor karretjes liet spannen, integendeel, hij huldigde het principe van een optimale ‘eigen-heid’.

De verstilling in deze verzen doet voor de gehaaste, op effecten en kicks beluste stedelingen die velen van ons zijn geworden aanvankelijk weldadig aan. Wie zich het naamloze stadje ‘binnen weet te lezen’, maakt dus allereerst kennis met die perronchef. Bevers beschrijft hem niet, hij neemt hem over. Waarom anders weet hij wat er in het karakter omgaat? De waarneming “De perronchef gaapt” wordt onmiddellijk gevolgd door: “Hij herinnert zich hoe vader hem vertelde / dat diens maat aan het front ’s avonds // in het slijk in zijn slaap om zijn moeder riep”. Het is aan de lezer om het verband zin te geven. Maar laat duidelijk zijn dat de nachtmerries hiermee gemoeid zijn.

Het tweede vers speelt zich af in het logement bij het station en broeit van spanning, zeker ook in erotisch opzicht. De gast is een eigenaardig type want hij “heult samen” met zijn kamer, “aarzelt bij de loosheid van de tijd” en “weet […] vooral te houden van lege boeken”. Het meisje dat de kamer moet schoonmaken waar de man mee is samengevallen, wordt indringend voorgesteld als een te begeren wezen, getuige de opeenvolging van motieven in: “de handen op de heupen”, “witter dan geitenmelk is haar huid”, “de pinkbrede gleuf tussen haar borsten”, “parelend zweet” en “haar vroege mond” waar geen “verzwegen sleutelwoorden” uit komen die, ja ja dat speelt Bevers geraffineerd uit, reageren op het lege boek van de logé. Op vergelijkbare wijze bouwt hij in alle andere teksten spanning op die, gelukkig, nooit tot een ontlading komt.

De notaris, die “soms zomaar moet wenen” deelt namens zijn geestelijk vader enkele kritische bevindingen met de lezer: “Hij weet: de straten zijn vol van mensen die dansen // uit angst voor mindere goden. Afgesloten / van enig besef van geschiedenis zweven ze // als ballons door het leven.”
De mindere goden staan in contrast tot de goden die aanvankelijk de volledige levenscyclus bepaalden in de eerste reeks. Het woord dansen vormt een sterke link naar de eredans om Aärons gouden kalf in de Bijbel en dus naar afdwalen van het ware.
Afgesloten” werkt poëtisch beide kanten uit: het kan met succes terugwijzen naar angst en desgewenst de mindere goden, maar ook vooruitwijzen. Niet toevallig staat “afgesloten” zélf ook op een afgesloten plaats!

Zoals de reiziger het kamermeisje introduceerde, komt Bevers bij de slager terecht via diens saaie tante. Zij “kijkt ieder kwartier naar de pendule” en “Om klokslag tien / tijgt ze ter sponde”. Wat een mooie archaïsmen hier ook weer.
De perronchef gaapt, het kamermeisje is pompaf, de notaris weent soms zomaar en wordt moe. Over de slager lezen we dat “de moed hem in de schoenen zinkt” maar ook dat hij het hakblok tegemoet hinkt. Ook bij hem is onheil niet ver: “De nasleep van een zo granaatduistere / droom houdt hem bevreesd nog ver van het bed.” Bevers haakt de duistere droom alweer aan de eerder genoemde maren, die daardoor steeds aan belang winnen.

De burgemeester is evenmin het toonbeeld van een kordate speler. Hij zucht al in de titel van dit vijfde vers. “Hij zit een zaal voor vol gedachten // van anderen”. Het is de zoveelste kritiek op conformisme en gebrek aan verbeeldingskracht.
Talrijk zijn de verwijzingen naar eerdere regels: “huppelsprongetjes” doen aan de takkelingen denken, “springversjes” en “speeldoosjes” aan de duveltjes.
Ditmaal wordt de boze buitenwereld verbeeld door “ziet zich dan als een open / wonde gapen”. Geeuwen en gapen spiegelen (een begrip dat zoals eerder gezegd telkens terugkeert) en compositorisch ook de eerste en laatste regel: “de geur van potloodslijpsel” versus “Hij pelt een mandarijntje”, schrijven dus en eten, die dankzij onderlinge verbindingen eerder en later extra nadruk krijgen.

‘Een weelderig notenjaar’ nummer zes, is het domein van de boswachter. Die “volgt door het kreupelhout een spoor dat verre van overwoekerd is” en komt niet verder dan de constatering “grenzen zijn afspraken”. Maar “Niets trekken zij zich er van aan: meesjes / passeren zonder wachtwoord.”
Deze regels passen in twee van de betekenisstrengen die door het hele boek te volgen zijn, de ene over ruimtelijke bepalingen, de andere over het gewicht van sleutelwoorden en wachtwoorden, kortom woorden die een afgesloten ruimte openen.
Hoewel tijd het allesomvattende begrip is, gebruikt Bevers ook meer omschrijvingen van ruimtes dan hier weergegeven kunnen worden, variërend van “coördinaten” in het eerste gedicht van de bundel tot “straatnaambordje” in het laatste. En dit zijn alleen nog maar concrete aanduidingen.
De wachtwoorden en dergelijke hebben daar direct betrekking op. Taal is voor Bevers, naast o.a. het geloof en het bestuderen van de natuur, één van de manieren om voeling te krijgen, en te houden, met parallelle, zijn inziens betere, maar grotendeels verloren gegane werelden.

Het vers ‘Remedies tegen ongeloof’ voert een priester op. “Maar nu, op deze / Rogate, denkt hij in een doezeling van waarheid aan / de lichtheid van de biecht, aan het herhalingsgebod, // aan zijn weelderig ontbijt, aan de zwijgruimte van zijn / sacristie en aan het Requiem van Peter Benoit. Aan // de ijlte waarnaar sopranen je verheffen kunnen.”
Voor wie het woord vergeten mocht zijn; een Rogate is een andere benaming voor bidzondag, meer bepaald de vijfde zondag na Pasen, tevens de laatste voor Hemelvaart. Op deze dag wordt er gebeden voor een gulle oogst. Rogate komt van het werkwoord rogare, dat smeken betekent.
Hoe verder je komt in de bundel, hoe meer verknopingen van motieven je ziet. Enkele zijn te treffend om ze niet te geven.
1) “Rogate” en “weelderig ontbijt” gaan terug op het allereerste gedicht, waar het besluit valt landbouwers en veetelers te worden.
2) “Zwijgruimte” is een van de voorbeelden van de niet te meten, niet stoffelijke plaatsen.
3) “Sopranen” hebben eenzelfde waarde als zangvogels.

Een kastelein mag in zo’n stadje uiteraard niet ontbreken. Bevers prototype getuigt van “een welhaast besmettelijke onwetendheid” dat ook al alleen in gedachten daden stelt. “Eigenlijk zou hij graag uit / openslaande ramen willen schreeuwen, // maar hij spoelt braaf glazen. Eigenlijk zou / hij zich graag een boot kopen. Liefst met // koperen relingen. En op verre reizen willen.”
Een boot is een van de oudste symbolen van de drang om te reizen, te zwerven, een van de passendste om de tegenstelling aan te geven tussen beperkte ruimte en welhaast mateloze vrijheid, zoals die van de nomadenvolken waar de bundel mee begint. Hun trektochten zijn vastgelopen in de benauwende sfeer van een wegkwijnend stadje omgeven door heuvels.

Bevers laat het niet bij de wensdroom van de herbergier. In het volgende gedicht draait het om een schip, zij het om eentje van een modelbouwer: “Aan de overkant zie ik in dit Märklinstadje / dagelijks een man bezig met het nabouwen, / op de tafel in zijn woonkamer, van een schip.” Hoe klein en onschuldig dit ook lijkt, er is wel sprake van “kanonnetjes van nagellengte”. Jünger mag toch nog tevreden zijn.
Modellen bouwen is creatief werk, toch slaat opnieuw de verveling of slaap toe: “Hij wil / eigenlijk de punt van zijn kwastje nog de boeg / op draaien, maar die trilt omdat hij geeuwt.” Het belangrijke woord “eigenlijk”, waar ‘eigen’ zich in spiegelt, is een ander kleefmoment, het komt al tweemaal in het vorige gedicht voor. Bevers wilde hier niks aan het toeval overlaten.
Het gedicht eindigt op de regel “Hij zwaait vriendelijk als hij de gordijnen sluit.” Dit dichtdoen is geen achteloze handeling want er is veel voor te zeggen dat hier ook de bundel al eindigt. Eigenlijk…
Het allerlaatste gedicht heet namelijk ‘De dichter peinst'. Waarom is een dichter, collega of alter ego van Bert Bevers, het laatste personage? Het kan betekenen dat al het voorgaande het werk is van een alter ego. In dat geval laat hij de modelbouwer het doek sluiten van z’n eigen voorstelling. In eerdere bundels gebeurde iets dergelijks ook al.

Toch is de dichter niet de tiende hoofdpersoon als hij tevens de bezoeker uit het tweede gedicht van dit deel is. Daarvoor pleit de opmerking “weet hij vooral te houden van lege boeken”. De bezoeker arriveerde “bij schijnlicht” met een voorkeur voor lege boeken. Aan het eind van de reeks zijn er tien gedichten.
En uitgaand van een alter ego zijn er aan het eind drie reeksen en daarmee een gevuld boek.

Alleen al de mogelijkheid dat Bevers in de huid van de tiende hoofdpersoon kruipt, en/of de tweede, rechtvaardigt een integrale weergave:



DE DICHTER PEINST

Hij voelt een handvol woorden in zich zieden
in de avondstond. Wie heeft er nooit gezondigd

tegen zonlicht? Hij weet: hier was ik eerder.
Er wordt een nieuw straatnaambordje op

een lantaarnpaal geschroefd. Een man passeert
met een kruiwagen. Een vrouw laadt boodschappen

in. Een kind sabbelt aan een ijsje. Het huis dat
gebouwd wordt zal over acht jaar en drie maanden

worden verkocht. Hij weet het. Hij verlaat de tijd.




Het slotgedicht bestaat net als de hele bundel uit drie delen. In het eerste zieden woorden, een toepasselijke omschrijving van het willen of moeten ontstaan van poëzie.
In het middenstuk worden met handelingen van een man, een vrouw en een kind ogenschijnlijk tafereeltjes van dagelijks leven afgebeeld maar pas op, elk vertegenwoordigt een transformatie: de straat krijgt een nieuw straatnaambordje waarbij Bevers wil dat je je afvraagt of het om een nieuwe naam gaat of om een nieuw bordje. Een kruiwagen vervoert een ongenoemde lading. Boodschappen worden ingeladen. Een ijsje verdwijnt, wat een aardige vingerwijzing is naar het “ijs is sprok”. Het modelstadje waar niks lijkt te gebeuren wordt op zo’n manier geladen met betekenis, en met spanning.
In het slot verlaat het hij-personage de tijd. Welke tijd? Ongetwijfeld het dagelijkse gebeuren, de meetbare tijd, die waarin wij ons moeten behelpen met voorstellingen van het verleden (“eerder”), het nu, en de toekomst (“zal worden verkocht”).
"Hij verlaat de tijd" met natuurlijk de betekenis van 'weggaan' maar ook, gezien de vertraagde gebeurtenissen in het derde deel, 'verlengen' is een waardige en passende slotregel, zeker als je je realiseert dat verlengen zowel voor tijd als ruimte geldt.

'De dichter peinst' werd inmiddels in het Indonesisch vertaald. Zie voor die versie: 'Penyair berpikir'





V

Concluderend moet worden vastgesteld dat Bert Bevers al vanaf zijn eerste schrijfsels geboeid is door het fenomeen tijd. Hij benaderde het niet alleen opvallend frequent maar ving het ook in meestal originele beelden.

Hij heeft eveneens dikwijls over steden, dorpen en andere locaties geschreven en dat hoewel hij zich regelmatig als een aanhanger van ‘stabilitas loci’ presenteert. Het een mag natuurlijk in het verlengde van het ander liggen. Wie weinig reist heeft vaak een versterkt verlangen om op pad te gaan, in de fantasie reiservaringen op te doen. Het zou in elk geval lonen om ook de plaatsaspecten in Bevers’ poëzie eens in kaart te brengen.
Regelmatig vielen tijd en plaats in zijn gedichten samen, maar nooit zijn ze zo consequent met elkaar verstrengeld en, in de laatste cyclus, ineen geschreven als in ‘Nederzettingen’. Door deze culminatie neemt ‘Nederzettingen’ een eigen plaats in z’n oeuvre in.

Konden vroeger de gedichten die zich op een tijdsbeleving richtten nog goed als zelfstandige verzen worden gelezen, dat is in ‘Nederzettingen’ minder het geval nu elk een sterkere dienende rol ter wille van het geheel heeft gekregen. O, je kunt elk vers nog steeds met voldoening apart lezen, zeker wel, maar wat gaat er dan toch verloren aan extra glans door de kruisbestuiving in alle hoeken en gaten van het boekje!

Los van deze twee aspecten is het saillant om te zien hoe Bevers ook nu weer reflecteert op het dichterschap, beter gezegd op het verdwijnen van het verondersteld harmonieuze verbond tussen sjamaan en stam, tussen dichter en publiek. Herhaaldelijk doet Bevers de lezer een handreiking om de schade beetje bij beetje te herstellen. Daarvoor zijn dan wel nodig: geloof (niet noodzakelijk religieus gericht), vertrouwen en inspanning, dit laatste om van waarnemen tot zíen te komen, en van denken tot reflecteren.

Wie zijn tientallen bundels in chronologische volgorde leest, ziet hoe hij zich in vele stapjes een volkomen eigen stijl heeft weten te verwerven, die een ideale bedding vormt voor zijn standpunten, zowel in poëtisch als maatschappelijk opzicht.

Bevers heeft met ‘Nederzettingen’ een van z’n opmerkelijkste bundels afgeleverd. Het boekje is fysiek niks meer dan een handvol dun papier maar wat een schrijn van dichterlijk vermogen is het ook! De lezer die bereid is om deze schatkist te openen en z’n ogen de kost te geven, kan in het geflonker blijven opgaan, óók als de kist al lang weer is gesloten…


BERT BEVERS; ‘Nederzettingen’; 42 pagina’s; Uitgeverij Kleinood & Grootzeer; Bergen op Zoom; 2018; Ontwerp Gerrit Westerveld; ISBN 978-90-76644-91-2



www.alberthagenaars.nl

En zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling