zaterdag 14 juli 2012

WINARKO BAZOENI BOESRIE - Beelddicht


EEN BUNDEL MET LOOPBRUGGEN

Albert Hagenaars over ‘Beelddicht’ van Winarko Bazoeni Boesrie

Een van de spannendste confrontaties in de poëzie is die tussen twee waardesystemen met grote onderlinge verschillen. Denk aan het onderscheid tussen bijvoorbeeld liefdeslyriek en sociaal realistische heilzangen, of tussen religieuze gedichten en onderzoeken die de taal zelf centraal stellen.
Poëzie uit een ander werelddeel dan dat van de lezer kan een nog grotere kloof laten zien en daarmee een groter beroep doen op het interpretatievermogen.

Voor me ligt ‘Beelddicht’ van de Indonesische dichter Winarko Bazoeni Boesrie (familienaam Boesrie), een bundel met 21 gedichten die bovenstaande overwegingen opriep. Boesrie is een Javaanse auteur die in 1951 in Surabaya geboren werd. In 1992 verscheen van zijn hand de bundel ‘Sajak sajak’. Hij schrijft niet in het Javaans maar in de in 1928 gekozen en in 1945 geëffectueerde eenheidstaal Bahasa Indonesia (bahasa betekent taal) die, afkomstig uit het gebied dat nu Maleisië heet, al vanaf de 7e eeuw de lingua franca was langs de kusten van de eilanden en schiereilanden van Zuidoost-Azië.
Elk gedicht wordt ter rechter zijde geflankeerd door een vertaling in het Nederlands, waar Suci Wahyuningsih, Ferdinand Tung en Paul Thung jr. verantwoordelijk voor zijn, maar niet altijd alle drie tegelijk.

Het openingsgedicht luidt:


VOOR R.

Gisteren vandaag en morgen
Verkondigd de betekenisvolle liederen
Die boven de witte doek
Boven de stenen weer klinken
Verzamelt alle mystiek en mysterie
Niemand kan het raden
Het doek en de stenen houden elkaar stevig vast
Komen samen en mengen tot één
Lachen en huilen, niemand die het weet
Slechts een raadsel blijft over
Een raadsel van oost en west
Eén gemaakt
Pas dan komt betekenis
Deze eeuwige betekenis
Voor gisteren
Voor vandaag en morgen
Met witte heldere touwen
Symboliseert een verbintenis
Sterk en vast
Mystiek
Een ziel
Weerklinkt
En draagt bij tot een verhaal


Meteen al dit openingsgedicht, ‘Untuk R.’, zorgt voor een beproeving van het duidvermogen. De drie tijden in de eerste regel geven een algemene situatie aan maar het voltooid deelwoord waarmee regel 2 begint, maakt duidelijk dat er een activiteit is geweest die nog nawerkt, namelijk het verkondigen van liederen vol betekenis. Het vermelde ‘morgen’ zou er dan op kunnen wijzen dat het effect ook na vandaag nog zal voortduren. Je mag het ook lezen op een wijze die inhoudt dat de liederen elke keer opnieuw verkondigd worden. En dat is merkwaardig want bij liederen verwacht je dat ze gezongen worden, niet aangekondigd. Met andere woorden, ze zullen gezien de doorlopende tijd nooit te horen zijn wat toch weer in strijd is met de bewering in regel 4!
Dan die ‘witte doek’ in regel 3. Doek, met lidwoord de, doet denken aan een poetsdoek, een handdoek, een theedoek. Die varianten in betekenis lijken niet veel zin te hebben, al kun je met de kleur wit symbolisch verschillende kanten op. In regel 7 keert ‘doek’ echter terug, ditmaal voorafgegaan door het lidwoord het. Interessant, denk je dan, want het Nederlands voorziet wel degelijk in die mogelijkheid. De associatie is in het tweede geval al gauw ‘filmdoek’, en dat is een dankbaar motief voor projecties. Maar in het BI staat tweemaal ‘kanvas’, van het Engelse canvas, en dat betekent vooral zeildoek. Bovendien is ‘de doek’ in het algemeen in het BI ‘kain’ of ‘lap’ (uit het Nederlands) en ‘het doek’ layar’. Waarom zou Boesrie dan, mocht hij al aan zuiveren én afbeelden gedacht hebben, ‘kanvas’ gebruiken? De vertaling is op dit punt ofwel bedenkelijk vrij ofwel gewoon fout.
De volgende vraag die opdoemt betreft het subject van ‘verzamelt’. Wie of wat ‘verzamelt alle mystiek en mysterie’? De volgende regel kan ook daar op slaan: ‘Niemand kan het raden’.

Inmiddels is al wel duidelijk dat Boesrie poëzie maakt, die zich niet één twee drie geeft. Je krijgt er moeilijk vat op, in elk geval met onze gebruikelijke, rationeel gerichte manier van benadering. ‘Mystiek’ en ‘mysterie’ zijn al duidelijke signalen om niet alleen dusdanig te werk te gaan maar achterin het boekje staat onder een korte biografie een nog duidelijker boodschap: “In tegenstelling tot de Nederlandse dichtkunst, die veel taliger is en waar grote gevoelens op veel indirecter wijze naar buiten komen, past het werk van Winarko B. Boesrie meer in de traditie van de Indonesische poëzie." Dit aldus Indonesië-kenner Kees Snoek. De Indonesische poëzie is over het algemeen veel retorischer en tendentieuzer dan men in Nederland gewend is. Poëzie wordt in Indonesië bij voorkeur gelezen in grote zalen: hoe groter, hoe beter.
Snoeks beweringen kloppen. Ik heb nog nooit Indonesische poëzie gelezen die gekenmerkt wordt door het overwegend verstandelijke karakter van zoveel Nederlandse gedichten, al zijn er zeker genoeg onderlinge verschillen tussen de Indonesische dichters. Ook heb ik in het land een aantal poëziebijeenkomsten bijgewoond, o.a. in Jakarta en Yogya en op Bali en inderdaad, die werden druk bezocht. Er werd goed geluisterd maar het publiek liet door soms uitbundige reacties merken meer te willen zijn dan passieve consumenten, namelijk deelgenoot in een sociaal spel.



De gedichten van ‘Beelddicht’ kun je misschien beter verkennen als surrealistische teksten, die zich juist bewust, en dat is een tegenstrijdigheid, onttrekken aan formele criteria. De nadruk komt dan te liggen op het beleven en, eventueel, aangeven van onverwachte verbanden in plaats van ze te onderzoeken. Dat heeft echter negatieve consequenties voor de eisen van de kritiek, die zo tot een reactie teruggebracht wordt.
Boesries verbanden zijn zeker raadselachtig maar toch niet genoeg om zijn gedichten als puur surrealistisch te betitelen. Hij heeft namelijk wel degelijk een boodschap die hij wil laten ontvangen. Zo heeft hij het bijvoorbeeld, nog steeds in dit eerste gedicht, over doek en stenen die bijeenkomen en samenvallen, een koppel dat verbonden wordt met twee andere: lachen en huilen, oost en west, die eveneens één worden. Drie maal onderstreept Boesrie dat het opheffen van tegenstellingen tot betekenis leidt, een betekenis die niet alleen boven de tijd staat maar ook een verbintenis symboliseert die, in de slotregels, ineens toch weer diffuus overkomt maar uiteindelijk bijdraagt tot een verhaal. De verbintenis kan verlegd worden naar ‘sterk en vast’ maar al heel wat minder vanzelfsprekend naar de woorden in de volgende drie regels. ‘Mystiek’ valt ook zelfstandig te benoemen evenals de daaropvolgende ‘ziel’ maar het past in de lijn van het gedicht, waarin immers zoveel samenvalt, om ook deze beide begrippen te vereenzelvigen. ‘Weerklinkt’ (één woord) springt dan zowel in klank als betekenis terug naar de eerste regels met ‘weer klinken’ (twee woorden). Wat een mooi effect, de betekenis ook qua vorm zo toepasselijk tot een eenheid te verbinden! Dit moet volledig op het conto van de vertalers geschreven worden want in de oorspronkelijke tekst hanteert Boesrie ‘bernada’ (regel 4) wat klinken betekent en ‘bergema’ (voorlaatste regel), dat eerder echoën, weergalmen is. Dat is weliswaar ook een uitstekend passende oplossing maar de Nederlandse vertaling is nog net iets principiëler, zuiverder. Met een grote zwaai terug vinden de beginregels, aanvankelijk zo duister, hoe dan ook een zinvolle vervulling.

Niet alle teksten zitten op een dergelijke vernuftige en toch schijnbaar los overkomende manier in elkaar maar ze getuigen allemaal wel van bijzonder ongewone beelden. Om een paar voorbeelden aan te halen:

Gedachten vliegen naar het einde van de hemel (uit ‘Gedachten’);

Stoppen ligt nog op zijn vingerpunt (uit ‘Een stap’);

Aan het einde van de nacht / converseert hij de droom met een andere droom (uit ‘Droom I’);

Mijn reis is een stap boven de droom (uit Droom III);

Duizenden stiltes schudden elkaar de hand (uit ‘Stilte’);

Ik bevind mij op de hoek van de mening / die vastzit (uit ‘Bericht’) en

De moeheid van gisteren / is als een verhaal dat nog niet eindigt (uit ‘Moe’).


Nog een ander aspect; hoeveel Nederlandse dichters zullen schrijven: ‘mijn verlangen verlangt’, of ‘nat zweet’, of ‘tijd wordt opgeslokt door tijd’, om slechts een kleine greep uit de vele zinsneden met pleonasmen, tautologieën en personificaties te doen?. Boesrie doet zoiets ongegeneerd, met respectievelijk ‘rinduku rindu’, ‘basah keringat’ en ‘Jaman dimakan jaman’, en dat heeft veel, zo niet alles te maken met zijn Indonesische achtergrond.
Overlapping en herhaling worden in Bahasa Indonesia veel meer gebruikt dan in het over het algemeen (we laten onze vele bloemrijke uitdrukkingen even buiten beschouwing) zo efficiënte en scherp omlijnde want functioneel gerichte Nederlands. Meervoudsvorming krijgt er bijvoorbeeld geen suffix als –s en –en of –eren maar vindt z’n beslag door een woord te verdubbelen: ‘boeken’ wordt dan bijvoorbeeld ‘buku buku’, ‘drie boeken’ is simpelweg ‘tiga buku’ ofwel ‘drie boek’. De taal heeft er zelfs een speciaal tekentje voor; in plaats van ‘buku buku’ kun je ook schrijven als buku², wat een populair gebruik is. Verdubbeling drukt behalve veelvoud ook gradatie uit: ‘hijau’ is ‘groen’ dus ‘hijau hijau’ groen groen maar eveneens ‘groenachtig groen’ en ‘veel groen’. Zweet is per definitie nat dus waarom zeggen dat zweet nat is, denkt een Nederlandse lezer. ‘Basah keringat’ kun je derhalve beter lezen als overvloedig veel zweten, overal zweten, zweten als een otter en dergelijke.
De vertalers hebben op dit punt dichtbij het Indonesische origineel willen blijven. ‘Beelddicht’ onderscheidt zich daarmee duidelijk van welke direct in het Nederlands geschreven verzen ook. De Indonesische sfeer en vervreemdingseffecten blijven dwars door de vertaling heen voelbaar. Het maakt dat veel Nederlandse lezers zich dus regelmatig in de ogen wrijven maar een bijkomend voordeel is ontegenzeglijk elke keer een extra loopbrug tot in de oorspronkelijke opzet.

Hoewel er steeds meer Indonesische poëzie in het Nederlands verschijnt, is het aantal titels nog zo klein dat elke uitgave op zich al een gebeurtenis genoemd mag worden. Hopelijk volgen dus ook meer vertalingen van Boesries werk. Die kans is redelijk groot want hij woont in Nederland, in Delft om precies te zijn. In 1987 al, tijdens de dictatuur van Suharto, emigreerde hij naar ons land. Hij is getrouwd met beeldend kunstenaar Edith Bons, geboren in Merauke in het toenmalige Nieuw-Guinea, die de vormgeving van dit boek voor haar rekening nam en een van haar schilderijen, eveneens ‘Beelddicht’ getiteld, als passende omslagillustratie gebruikte. Het doek toont hoe zij het hierboven overgenomen gedicht verwerkte in een voor haar zo typerende compositie (zie foto).
Een derde bundel zou aanleiding kunnen zijn om in te gaan op verschillende andere aspecten van Boesries poëzie, waarvoor in deze bespreking geen plaats is, zoals zijn fascinatie voor de natuur en zijn maatschappelijke betrokkenheid.
Ik houd de geïnteresseerde lezer in elk geval graag op de hoogte.




‘BEELDDICHT’; Winarko Bazoeni Boesrie; uitgave i.s.m. Pictoright; 2008; ISBN n.v.t.; 48 pagina’s; € 15,00.
‘SAJAK SAJAK’; Winarko Bazoeni Boesrie; uitgave in e.b.; 1992; ISBN n.v.t.; 24 pagina’s; € 10,00.

De uitgaven zijn te bestellen via: win_boesrie@hotmail.com en edith.bons@hotmail.com


De Verborgen Hoek, no. 8, maart 2010



REACTIES OP BOVENSTAANDE RECENSIE ‘EEN BUNDEL MET LOOPBRUGGEN’

Bedankt voor dit artikel over Winarko Boesrie dat inmiddels ook op http://www.nieuws.be/nieuws/Een_bundel_met_loopbruggen_eee8c804.aspx
en http://geletterdemens.blogspot.com/2010/05/een-bundel-met-loopbruggen.html verscheen. Het artikel werd meteen ook mijn eerste aangename kennismaking met het werk van Edith Bons http://www.edithbons.nl/nl/edith-bons.html. Misschien kan ik er ook wat aandacht aan schenken via Het Stille Pand?
André Bongers, Antwerpen, Het Stille Pand , 04-05-2010

Heel veel dank voor de recensie over ‘Beelddicht’ van Winarko Boesrie. Zoals alles wat ik van je ontvang, laad ik ook deze bijdrage op mijn harde schijf. Groeten uit Luxemburg, dat wel wat behoefte heeft aan de Javaanse zon..
Jos Kuerten, Luxemburg/Berlijn, 04-05-2010

Mooi gedicht en mooie analyse. Ik wil het boekje graag bestellen.
Mella Nindityo, Yogyakarta, 05-05-2010

Ik houd zeker van een poëtische adem van "buitenaf". Blijf mij maar verrassen. Groet!
Roger Nupie, Antwerpen, 04-05-2010

Dag Albert, de door jou geschreven recensie gelezen, waardoor ik nog meer het idee heb gekregen dat het een kunst apart is, gedichten lezen..
Tanna van Kluyve, Bergen op Zoom, 05-05-2010

Mooie recensie - gefeliciteerd Win, met deze mooie bundel!
Henny van Beem, Galerie Ariana, Den Haag. 05-05-2010

Altijd mooi om te lezen: iemand met kennis van zaken. Mooi, Win! Zo ga ik je gedichten ook weer met een betere bril lezen, groetjes, auke.
Auke Leistra, Zwolle, 06-05-2010

Wat is dat dichten moeilijk zeg! Ik heb minder moeite met het napluizen van de werking van een chemische fabriek! Het gezicht van Winarko Boesrie komt mij overigens zeer bekend voor. Heb ik hem soms een keer op tv gezien?
Gerrit Schraa, Bergen op Zoom, 06-05-2010

Lieve beste Win, wat geweldig de recensie van jouw gedichten te lezen. Mooi. Wat hebben we veel gemist van je. Die foto herinnert me aan Rens. Alles gaat voorbij. Ik vermoed dat het gedicht ook aan hem is opgedragen.
Cora Samethini, Groningen, 07-05-2010

Bedankt voor het toezenden van het stukje over de Indonesische dichter Boesrie. Ik meen het eens eerder gelezen te hebben. In ieder geval is het interessant om me hier eens in te verdiepen.
Ik krijg, vanuit mijn Hollandse blik uiteraard, het gevoel dat zij zich meer op impressies (van nu, vroeger en heden en dit misschien door elkaar heen) en gevoelens laten drijven. Dat is op momenten heel mooi, vind ik dan, omdat je hiermee buiten grenzen treedt. Onze ‘verstandelijke’ poëzie wil tegenwoordig ook zo graag buiten de grenzen treden. Ergens ontmoet dat elkaar misschien. Eens hoop ik opnieuw Indonesië te bezoeken en er wat inspiratie op te doen. Deze poging gaat dan weer via een Hollandse ziel. Die beperking blijft.
Catharina Boer, Nuenen, 07-05-2010

Win, ik heb je eerste gedicht met grote belangstelling gelezen. Ik krijg er een heel goed gevoel bij, maar kan nog niet alles duiden. Dat vind ik ook niet nodig. Ik wil graag beide gedichtenbundels bestellen, want je talent is duidelijk.
Margriet van Engelen, Zaandam, 07-05-2010

Zadellegger, intrigerend, dat is het minste wat ik er van kan zeggen. De hele Verborgen Hoek (prachtige titel) mag er zeer wel best wezen. Riding with the queen, your horseman in the south,
Frans A. Brocatus, Chaam, 10-05-2010

vrijdag 1 juni 2012

RICHARD DE WEERT - Good Luck!





GOOD LUCK!

Albert Hagenaars over de late debuutexpositie van Richard de Weert

Het moet een dilemma zijn, een met de nodige weerhaakjes. Ben je eindelijk zo ver dat je je beeldend werk wilt laten zien, tot stand gekomen in een tijdsbestek van bijna veertig jaar en verspreid over nogal wat disciplines, word je geconfronteerd met de vraag wat je dan zoal moet ophangen op die nog net niet dertig plaatsen die je ter beschikking staan. Kies je voor de breedte (je kunnen op het gebied van tekenen, schilderen, grafiek, fotografie en wat al niet) of voor de diepte (laat je zien waar je het verste in gekomen bent)?

Richard de Weert (1955, Bergen op Zoom) zag zich voor deze opgave gesteld. Samen met academiegenote Linda Lambrechts (1967, Berchem) die al een halve carrière in de wereld van de reclame en marketing achter de rug heeft, exposeerde hij in april 2012 bij de Vlaamse organisatie Tracé vzw in het voormalige treinstation van de Antwerpse voorstad Ekeren, een ruimte die sterk aan aantrekkingskracht heeft gewonnen dankzij een onlangs aangebrachte lichtkap. Hun eveneens gezamenlijk uitgebrachte catalogus bewijst, dat ze er goed aan hebben gedaan hun krachten te bundelen voor deze dubbele debuutexpositie. Er zijn namelijk meer overeenkomsten dan verschillen, een resultaat dat niet alleen gebaseerd zal zijn op hun selectie van getoonde werken maar zeker ook op hun keuze om een opleiding te volgen aan het MUDA (Multidisciplinair Atelier, een afdeling van de academie Sint-Lucas in Kapellen) dat, de naam zegt het al, de meest uiteenlopende disciplines aanbiedt. De Weert was daar vijf jaar actief. Beiden bestrijken het volledige gamma van figuratief tot abstract en van tonaal tot coloristisch en willen diverse technieken laten beoordelen, aan de hand van overwegend producten van bescheiden afmetingen, wat overigens beïnvloed kan zijn door de intieme maar tegelijk ook beperkende expositieruimte van het station.




De Weerts deel van de tentoonstelling werd opgedragen aan zijn vroegtijdig overleden broer Noud. Deze hoog begaafde man was niet alleen schrijver, dichter en vertaler (hij zette diverse talen naar het Nederlands over én omgekeerd!) maar ook een begiftigd schaker. Noud de Weert deed o.a. aan nationale kampioenschappen mee in België, het land waar hij zich vanwege de liefde vestigde. Hij was ook actief voor De Goudvink, een Antwerps uitgevershuis dat sinds 1972 geen boeken meer uitgaf en in 1982 officieel werd ontbonden. De mogelijkheid bestaat dat zijn nagelaten geschriften verloren gegaan zijn bij een opruiming in de woning van een andere broer in Amsterdam. Het is hoe dan ook nog steeds een raadsel voor zijn collega’s, vrienden en familie dat hij ondanks zijn werkdrift en talenten nooit een werk van zichzelf uit wilde geven. Zoiets fascineert nu eenmaal. Zou het een toeval wezen dat de openingsdatum van de tentoonstelling, te weten 14 april, overeenkwam met de sterfdag van Noud, ofwel Arnold zoals hij in Vlaanderen bekend stond?

Richard de Weert, opgegroeid in een gezin met vijf oudere broers die gretig allerlei populaire jongerenbladen lazen, begon als kind met tekeningen die geënt waren op de rijke, voornamelijk Franse en Vlaamse stripcultuur. De tekenaars van zijn helden, o.a. Dick Bos, Tom Poes en Ollie B., Blake & Mortimer en De Rode Ridder, waren zijn voorbeelden. En niet de minsten. Op de cartoons die hij ophing schemeren nog steeds perspectieven van o.a. Robert Crump, Edgar P. Jacobs, Hergé en Hans G. Kresse. Frappant is dat laatstgenoemde, hoewel De Weert dat tot voor kort nooit geweten heeft, niet alleen qua tekentrant vlakbij was maar ook fysiek, Kresse woonde namelijk lange tijd amper anderhalve kilometer verderop, in de Bergse wijk De Rode Schouw.
Met de cartoons, nu modest aandacht vragend op vier kolommen met elk vijf tekeningen, kon De Weert al vroeg een eigen, meteen herkenbaar idioom tonen. Tientallen jaren leverde hij tekeningen, die alle tinten van humor uitstralen, van ironie tot sarcasme en van licht vertekend tot absurdistisch, aan tal van bladen. In deze hoek zat voor hem dus niet meer de uitdaging. Gelukkig verloochende hij deze achtergrond, deze bakermat ook, niet.

Het meest in het oog springen enkele grotere werken en dit niet alleen vanwege hun omvang en strategische plaatsing. Daar is het in acryl uitgevoerde doek ‘Gestopt!!’, dat een deel van een volle asbak voorstelt. Het is realistisch weergegeven maar tegelijk ook met zo’n vaart neergeborsteld dat het plezier er van af spat. Als weelderige courtisanes lonken drie voortijdig uitgedrukte peuken, wel elk met een verschillend wit rookdeel, op hun kussens van as naar de beschouwer. Het is een geslaagde metafoor voor leven, lust en dood. Roken, toegeven aan de fysieke behoefte en de zintuiglijke roes, pleegt nu eenmaal een aanslag op de gezondheid. Hoe lekkerder, hoe langer ook het genot, hoe korter de levensverwachting. Daarnaast, ironie is nooit ver weg bij De Weert, hoe zeker is het dat de roker daadwerkelijk de kracht opbracht om ermee te kappen? Er staan tenslotte twee uitroeptekens achter de titel, net één te veel. In een situatie dat iemand het echt klaarspeelde definitief te stoppen, zou je toch eerder een asbak met alleen as verwachten of, psychologisch aantrekkelijk, slechts één peuk, die dan wel tot het mondstuk was opgerookt? Maar nee, er liggen er drie, elk geknakt en dus niet volledig genuttigd. Dat wijst eerder op de frustratie niet zomaar te kunnen ophouden. Je kunt de voorstelling ook verbinden met het ontstaansproces: juist het stoppen of willen stoppen met roken, met een bezigheid die met ziekte en dood geassocieerd moet worden, levert een kunstwerk op, een schildering die een langer leven ambieert dan dat van zijn maker. Het kan ook haast niet anders; iemand die met de dubbele bodems van cartoons en spotprenten is opgegroeid, die daar volledig van is doortrokken, moet wel naar meerduidigheden zoeken in werk dat daaruit voortgevloeid is.




Heel anders van opzet en techniek zijn twee afleveringen van de serie ‘Mens & Massa’ en wel de nummers IV en V. Het betreft digitale fotobewerkingen van monografiek, vastgelegd in diverse fases en daarna gedrukt op aluminium. Wellicht waren het aanvankelijk compositiestudies. Op deze expositie behoren ze evenwel tot de best geslaagde werken, zowel qua kleur als vorm. De naam geeft al een relatie aan tussen individu en groep en bij De Weert werd dat een spanningsveld dat direct de aandacht opzuigt. Nummer IV is mooier, esthetisch gesproken, en opener. Zo danst het meest rechtse personage zich zelfs uit het verband los, maar nummer V heeft door de grotere rol van de schaduwen en de meer gedrongen groepsvorming iets dreigends. Als het al z’n bedoeling was een contrast tussen beide uitwerkingen te geven, is De Weert hier wonderwel in geslaagd. Groter weergegeven zou vooral nummer V nog overtuigender overkomen.







En nog weer heel anders is ‘New Life V’, dat goed vergeleken kan worden met de nummers I t/m IV, die gezien de verschillende techniek voornamelijk hun titel gemeen hebben. Hier niets dat op bedachtzaamheid wijst, het uiteindelijke resultaat van een arbeidsproces. Integendeel, de bloemachtige vorm lijkt organisch tot stand gekomen, achteloos haast, ongezien, op zichzelf gericht. Het werkje, een tekening in gesmolten was met pigmentpoeder, is ook kleiner dan de eerder genoemde stukken. Toch weet het z’n bestaan in alle bescheidenheid kenbaar te maken. Hoe langer je kijkt, hoe meer er gebeurt: er is een geraffineerd spel te zien tussen tere, voorzichtige, zoekende vormen en harde, directe, en hetzelfde geldt voor de kleuren. Het getuigt van vakmanschap, én smaak, om zoveel schakeringen van uiteenlopende kleuren toch in één tonaal gareel te krijgen. Ik nam spontaan een bloem als vergelijking maar dat is niet nodig; de kwaliteiten van dit kleinood veranderen niet als je een figuratieve vertaling afwisselt met een abstracte. Het is zichzelf, onafhankelijk, ongenaakbaar in kwetsbaarheid.




Van ‘New Life V’ naar de monoprint ‘Kracht’ is, ongeacht hun beider verlegen formaat, een grote overgang. ‘Kracht’ stráált z’n naam als het ware al uit. In enkele grote vegende en rollende bewegingen met een organisch voorwerp drukt het een vorm uit die aan een menselijke houding doet denken, een houding van onverzettelijkheid: opgetrokken schouders, kop naar beneden, benen uit elkaar. Naar later bleek werd dit werk uitgevoerd met de helft van een doorgesneden rode kool, wat niet alleen de rode kleur (van inkt natuurlijk) verklaart maar ook de mogelijkheid biedt het resultaat van dichtbij te bekijken en te genieten van de nerven en bladvormen, die zo ondergeschikt lijken aan de hoofdlijnen maar die toch mede bepalen. ‘Kracht’ bewijst eens te meer dat De Weert overzicht kan houden, zich niet verliest in gepriegel maar ook niet toegeeft aan gemakzucht, al gauw uitgelokt door het Grote Gebaar. Toch zou ook ‘Kracht’ nog aan kracht winnen als het op een wandgroot formaat tot stand kwam. Lees in deze opmerking zeker een aansporing!




Over gepriegel gesproken. Daar denk je aan bij het zien van het in hoogdruk uitgevoerde ‘Good Luck’, dat jammer genoeg niet in de catalogus werd opgenomen. Het is een raadselachtige prent met een duel tussen kleurvelden en lijnen, tussen de kleuren pruisisch blauw en roestbruin maar, meer nog, tussen spiegeling en afwijking, tussen rechte lijnen en ronde, tussen orde en chaos. Het klopt en het klopt niet. Het is daarmee ook een eerbetoon aan het belang van de dissonant. Juist wat je aanvankelijk als gepriegel kunt benoemen, ontwikkelt zich bij het beschouwen als het onontbeerlijk handschrift dat je doet blijven kijken en vergelijken. Geen wonder dat ‘Good luck’ net als ‘Kracht’ al snel verkocht werd. Het zal waarschijnlijk nog meer dan de andere, toch al niet schaars met suggestie geladen, werkstukken van De Weert aanzetten tot de meest uiteenlopende associaties en, wie weet, verklaringen. Niet voor niets wordt het middelpunt op verschillende wijzen doorsneden, terwijl het daarbij alles verenigt. Daar komen de kleuren samen, en de golvende en rechte lijnen, en trekken vierkanten en driehoeken zich samen tot een ruit, hetgeen gemakkelijk aanzet tot meditatieve overwegingen. Alternatieve titels die zich spontaan bij mij aandienden waren o.a. ‘Eenheid in verscheidenheid’, ‘Strijd’ en ook ‘Inzicht’. Ik ben echter de eerste om toe te geven dat ‘Good luck’ veel beter is; hij stemt nog meer tot nadenken, hij is humoristisch als je open wil staan voor ironie maar hij kan ook nog geduid worden als een groet, een afscheidsgroet dan wel. Op dit laatste door associërend kun je dan tot de conclusie komen dat De Weert definitief afscheid van dit kunstwerk neemt en het succes wenst in het van de maker onafhankelijk geworden bestaan, of dat hij zich tot de eventuele nieuwe eigenaar wendt en die geluk wil wensen in de omgang met zijn aanwinst. Maar ook als De Weert zoiets helemaal niet bedoeld heeft, dan nog kunnen we er niet omheen dat ‘Good luck’ in hoge mate interactief is, om niet te zeggen hyperactief. Het spreekt meerdere talen, is vergeven van de contrasten en dat zijn nu eenmaal juist de kenmerken die erkend grote kunst vaak bezit. Of ‘Good luck’ grote kunst genoemd mag worden valt nog te bezien, daarvoor is veel meer tijd nodig, het patina van de reacties van volgende generaties, maar voor ondergetekende is het wel een hoogtepunt van deze verrassende uitstalling in Tracé.




Ook over andere geselecteerde werken, maar niet allemaal, valt veel boeiends te vertellen. Plaatsgebrek noopte echter tot het leggen van bovenstaande accenten.
Richard de Weert is met de meeste opgehangen producten geslaagd in z’n opzet, namelijk om eerstens verantwoording af te leggen over z’n tijd aan het MUDA en tweedens te laten zien waar de sterkste impulsen te onderscheiden zijn voor het vervolg. Ik zou zeggen dat hij in elk geval verder moet met de gemengde technieken. En een vervolg is nodig! De basis is breed en verankerd, nu moet hij daarop gaan bouwen, zich specialiseren dus ook. Veel tijd heeft hij niet meer maar bij leven en welzijn nog meer dan dubbel zoveel als zijn streekgenoot Vincent v.G., die in amper tien jaar een oeuvre schiep dat de wereld nog altijd in verrukking en verbazing bevangen houdt en dat terwijl de man in kwestie een heel wat zwaardere last had mee te torsen. De kans is uitermate klein dat een late beginner tot zo’n belangwekkend oeuvre weet te komen. Mijn punt is dan ook veeleer symbolisch bedoeld. Het moet voor De Weert, afgaande op o.a. de hierboven besproken werken, op de groei die in vele opgloeit, mogelijk zijn een eigen top te bereiken. Na deze expositie, die daarvoor gelukkig te weinig vrijblijvend is, kan hij niet anders meer, tenzij hij aan z’n eigen idealen meent te moeten verzaken. Dat mag niet gebeuren en deze korte bespreking hoopt daar een rol bij te spelen…


De Verborgen Hoek, juni 2012

www.alberthagenaars.nl
Voor meer informatie: www.ricxart.nl

Foto's: Albert Hagenaars


woensdag 30 mei 2012

HANS VAN PINXTEREN - Het craquelé in de hand die de zweep hanteert






LANGS DIEPTEN WAAR GEHEIMEN SCHUILEN

"Luister ik zal het je nog een keer vertellen / dan kun je zien hoe het ging dan kun je daar / jezelf zien gaan." Met deze eenvoudige en toch fascinerende regels zet Hans van Pinxteren (º1943) zijn nieuwe bundel in, die uit 5 delen bestaat en samen met twee voorgaande een drieluik moet vormen. Twintig tot vijftien jaar geleden deed hij hetzelfde met drie andere titels. In diezelfde periode kreeg hij echter meer bekendheid als vertaler. Hij zette werken van o.a. Rimbaud en Flaubert om in het Nederlands en deed dat zo overtuigend dat hij de Nijhoff-prijs kreeg.

Waarschijnlijk leverden het werk, het opzienbarende maar niet minder tragische leven en de onvermijdelijk daarbij horende mythen van Arthur Rimbaud (1854-1891), die als puber in z’n eentje een kleine revolutie afdraaide in de Franse poëzie, Van Pinxteren zijn thematiek: de mens en z’n extremen, de mens in de marge, en dus de mens en de eenzaamheid. Een belangrijk verbindend element, niet alleen tussen de bundels maar ook tussen de gedichten onderling, vormt het besef dat de mens ondanks moderne verlatenheid en restanten van nomadische driften ook een cultuurwezen is, en dat niet alleen móet maar ook wil zijn! Vooral muziek speelt een grote rol.


"Liet ik mij verleiden tot
de pijn van een nieuwe geboorte hier
dat mijn moeder weer pianospeelt
alle dagen dat zij van mij
in verwachting is zou het zijn."


Dertig pagina’s verder luidt dat:


"…daar slaat het heden toe is
weer vergeten wat ze zei de woorden zoekt
te overbruggen de dingen hier die niet meer
weten wat ons samenbond de naam Chopin of Mozart
zoals ze beiden voor mij speelde eer ik was
geboren."


In deze laatste bundel komt daar het belang van projectie nog bij, dat ook nergens beter past dan juist in dit sluitstuk. Geen wonder dus dat Van Pinxterens poëzie rijkelijk gevuld is met allerlei soorten tegenstellingen; depersonalisaties en conflictsituaties die op verschillende wijzen én niveaus worden behandeld, maar vaak niet uitgevochten worden, steeds weer op blijven spelen. Opmerkelijk is dat de dichter daarvoor niet meer de samengebalde zinnen en pregnante beelden van zijn eerste drieluik gebruikt maar een veel verhalender en dragender toon hanteert, een stijl die, gelet op het thema althans, nog meer spanning oproept. Langere zinnen veronderstellen een rustiger ritme maar Van Pinxteren staat dat de zijne nauwelijks toe; voort moet het, voortgejaagd wordt de lezer langs diepten waar geheimen schuilen:


"in de nacht

barsten in het dorp de honden los de een na de
ander blaffen en stijven elkaar in hun woede
overschreeuwen als meute een angst die opstak"


Dat lang niet alle zinnen in het gareel blijven bewijst volgend citaat:


"vond ik de parel scheidde zijn vocht
bewoog werd zijderups ademend onder
mijn vinger spon lichtdraad zijn goud
schreef langs de wanden je heimelijkst als over het blad."


Brrr, je kunt het ook té mooi willen doen! Die kant moet Van Pinxteren zeker niet op.

Toch laat deze nieuwe poëzie over het algemeen meer lezers toe, en elke lezer levert weer eigen projecties, zoals de dichter dat met meerdere personages voor zichzelf al doet:


"Wie is dit kind dat mij bekruipt,"


of, in een van ‘de tegenbewegingen’, zoals hij ze zelf noemt:


"Het kind reikt mij een masker aan.

ik zet het op mijn vraag is hoe
ik ken het stuk niet ken geen rol."


Door dit streven krijgt ook de hierboven geciteerde aanhef meer perspectief.

Hans van Pinxteren is na de nodige omwegen nu duidelijk op weg naar een eigen poëtica. Hij laat nog steeds veel invloeden toe maar verwerkt die steeds beter, "naarmate onze aandacht zich verdicht". Ook de lezer mag zich met dit ‘onze’ aangesproken voelen.



HANS VAN PINXTEREN: ‘Het craquelé in de hand die de zweep hanteert’. 1999.
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep. Prijs: ƒ 32,50.


Deze recensie werd eerder gepubliceerd in De Haagsche Courant (december 1999).



www.alberthagenaars.nl


zaterdag 28 april 2012

ARMANDO - Verzamelde Gedichten



EMPATISCH VERMOGEN

De laatste tijd verschijnen veel overzichten van dichters die een respectabele leeftijd hebben bereikt, zo ook de ‘Verzamelde Gedichten’ van Armando, pseudoniem van Herman Dirk van Dodeweerd (Amsterdam, °1929), gepubliceerd t.g.v. diens 70e verjaardag.

Veel lezers kennen wellicht alleen zijn beeldende werk of zijn activiteiten voor het tv-programma ‘Herenleed’; hij is een van de weinige echt meervoudige talenten van ons land. Als dichter had hij van meet af aan een eigen geluid. Mede door zijn toedoen in de jaren zestig. o.a. in de bladen Gard Sivik en Nieuwe Stijl, schoven de Vijftigers meteen een generatie op.
Dit boek bevat na de poëzie (alle bundels plus verspreide gedichten plus ééntje nieuw) een ondersteunend essay en een verantwoording van Trudie Favié, een bibliografie van de afzonderlijke publicaties, aantekeningen bij de gedichten en tot slot een overzicht van de vertalingen. Voorzichtigheid met titels is op z’n plaats; zijn debuut van 1964 heet eveneens ‘Verzamelde Gedichten’ en ‘Het Gevecht’ is zowel de naam van een cyclus als die van een zelfstandige publicatie.

Over Armando’s thematiek is geen twijfel mogelijk: geweld, absurde situaties en schuld, vooral veel schuld, waarvoor de oorlog een dankbaar motief is (hij speelde als kind vlakbij het Durchgangslager in de bossen van Amersfoort). Veel verzen bestaan uit slechts 1, 2 of 3 regels, iets wat in een bundel visueel een positief effect kan hebben maar in een groot overzicht lang niet altijd werkt. Armando klopt zich dan wel op de borst dat hij de eerste was (valt nog te bezien) die het principe van annexeren en isoleren uit de realiteit toepaste, het zijn juist deze teksten die gedateerd overkomen, net als complete reeksen flauwekul als ‘De Mongolen’, waaruit:


kijk ze lachen
ze hebben pret voor 10



en ‘De Liefde’:


leg er een joetje bij, dan ga ik nakend.


Dat zijn 2 dan complete ‘gedichten’! Hier had Armando minder zachtzinnig moeten zijn, dienen te snoeien.

Merkwaardig, én jammer, is dat ‘Dagboek van een dader’ dan weer niet opgenomen is. Rekent Armando dat soms tot z’n proza? Nu ontbreken sterke beelden als:


Ja, de bossen boeien mij.
Zij zien gebeuren, zij zwijgen,
zij waaien zacht. Vooral de
woudzoom heeft veel kwaad gezien
.


In dit soort regels schuilt het ware belang van zijn dichterschap. Zijn tot op het bot afgekloven taalgebruik dat niet nalaat raadsels op te roepen en de technieken waarmee hij de lezer weet te binden zijn indringend, onontkoombaar soms. Als Armando raakt, is het ook midden in de roos. Uit een van z’n beste bundels, ‘Tucht’:


alles was macht, alles. ik hoor het.
ik weet het schreeuwen,
het kuilen meten voor de medemens, het luidkeels
slapen gaan. was het, is het nog?



Dit toont een empatisch vermogen waar weinig poëzie in hetzelfde genre tegen op kan. Je hoeft geen slachtoffer of dader geweest te zijn om bevangen te raken:


niemand weet wie ik zal zijn ik was
u overschat mij
ik ben radeloos
ik was een ander


geef mij touwen bind mij vast
dood mij niet
ik ben onschuldig ik ben de vijand
.


Armando’s belang voor onze poëzie mag niet onderschat worden maar hij gaat zeker niet vrijuit. ‘Verzamelde Gedichten’ is qua opzet een voorbeeldig boek. Inhoudelijk gezien zou iedereen behalve een enkele onderzoeker echter beter af geweest zijn met ‘Geselecteerde Gedichten’!


Gepubliceerd in De Haagsche Courant, oktober 1999.
www.alberthagenaars.nl


ARMANDO: ‘Verzamelde Gedichten’. Uitgever: De Bezige Bij.

vrijdag 23 maart 2012

ERIK LINDNER - Tafel



HET WOEDEN VAN ERIK LINDNER

Nederland is het dichtstbevolkte land van Europa. Het zou, gelet op het aantal verschijnende poëziebundels hier en elders, best kunnen dat ons gebied ook de grootste densiteit van dichters kent, van bij erkende uitgeverijen publicerende dichters althans. Dat zijn er nog altijd zoveel dat je als bespreker regelmatig tegen verrassingen aanloopt en meestal betreft het dan werk van minder bekende schrijvers.

Ditmaal biedt Erik Lindner (Den Haag, º1968) met ‘Tafel’ (kan een titel simpeler, prozaïscher?) zo’n verrassing. Het is een dichter die duidelijk z’n eigen weg gaat, geen bent geloofsgenoten als basis of katapult nodig heeft en langzaam maar zeker serieuzer genomen moet worden. Hij publiceerde sinds zijn debuut in 1985 een handvol titels, de eerste nog in eigen beheer, waaronder de essaybundel ‘Op het behang’. Daarin staat de terechte en opmerkelijke uitspraak: De dichter moet niet denken dat hij een chroniqueur of verslaggever is. Dan is hij hopeloos verloren. Terecht, omdat een dichter evenmin als bijvoorbeeld een fotograaf kan volstaan met de weergave van de werkelijkheid, hij moet uiteraard een meerwaarde geven. Opmerkelijk, omdat zijn nieuwe bundel ‘Tafel’ bij eerste lezing juist vol lijkt te staan met observaties! Hele strofen zijn daaraan gewijd. Het zou trouwens niet voor het eerst zijn dat de kritiek hem hiervoor aan de dichterlijke panden trekt. Hoe zit het met deze tegenstrijdigheid?

Lindner gaat inderdaad uit van de dagelijkse realiteit, een trek die zeer wel in de Nederlandse traditie past. Hij past echter allerlei kleine geraffineerde verschuivingen toe die grote gevolgen hebben. Bijvoorbeeld in het volgende typerende fragment:


Een man eet een appel in het park
en de bomen buigen om hem heen
het gras is uit de stammen gelopen
het verdringt zich rond zijn voeten
de vijver duwt planten op de oever
de man neemt een hap uit de appel.



Al in de 2e regel wordt de relatie tussen subject en object op losse schroeven gezet. De man is actief maar ondergaat meteen daarop een handeling. Is er dan een causaal verband? Hoe verhoudt zich het fruit tot zijn afkomst, is met andere woorden een appel nog wel een stukje boom? Wordt de man wellicht ook een stukje boom, of andersom?
In de derde regel word je pas echt gedwongen na te denken want hoezo: gras uit de stammen? Wanneer groeit er gras in stammen? Bedoelt Lindner wel boomstammen? En zo ja, zou het gras uit liggende, dode stammen gelopen zijn? Waarom ligt het dan niet gebroken op de grond maar verdringt het zich rond zijn voeten? En hoe kan water planten opduwen, dat zou dan toch de werking van de wind of een andere invloed moeten zijn?
Elk mogelijk antwoord roept onmiddellijk nieuwe vragen op. Regel 6 richt zich weer op de man die een appel eet maar deze bezigheid wordt nu gepreciseerd, in elk geval anders omschreven, ditmaal neemt hij een hap uit de appel. Relevante vraag hier: gaat het dankzij een flashback om hetzelfde moment, de 1e regel (dan zou er geen tijdsverloop zijn terwijl dingen toch gebeuren), of om een volgende stap in een ontwikkeling?

Linders poëzie is geladen met dit soort aanslagen op een ongestoord leespatroon, hij veroorzaakt constant twijfel en onzekerheid en weet het zo te spelen dat de lezer eerder bij zichzelf te rade moet dan bij de dichter, die in de bundel hoe dan ook onzichtbaar lijkt. De meest voorkomende persoonlijke voornaamwoorden zijn een ‘hij’ en ‘zij’, die telkenmale andere gestalten aannemen en de enkele keer dat een ik-personage aan bod komt, luidt het:


Het is dit woord dat liegt, niet ik, weet je
wat – wat heb ik er mee te maken?
Ik ben die jongen die telkens verdwijnt
Ik ben de tweeling in haar armen.



Of je zoiets nu mooi vindt of niet, feit is dat zulke regels en beelden fascineren. Soms is er overeenkomst met Hans Faverey. Lindners grote kracht is ook nog, mede dank zij zijn parlando, dat alles in eerste instantie vanzelfsprekend overkomt. Hij is in staat, en dat is een van de voorwaarden voor geslaagde poëzie, een autonome wereld op te roepen, zonder met gezochte beeldspraak om zich heen te slaan, zonder te verwijzen naar geheimen elders en zonder lezers van zich af te stoten door een zogenaamd originele zegging. Er woeden krachten in zijn gedichten als windvlagen in een kruin; het zijn dezelfde wind en boom en toch zien de bladerpartijen er telkens anders uit.

‘Tafel’ is een bundel die je kunt blijven lezen, vrijwel elk gedicht biedt talrijke perspectieven.


De man neemt een hap uit de appel
en laat die op zijn tong kantelen
zuigt het vocht eruit en vermaalt
de vijver…



‘Tafel’ is met z’n 18 teksten een buitengewoon rijk boek!


Erik Lindner: ‘Tafel’. Uitgever: De Bezige Bij. Prijs: € 16,50


Albert Hagenaars, eerder gepubliceerd in De Haagsche Courant, maart 2005.
Foto: Gezett.de
www.alberthagenaars.nl

zondag 26 februari 2012

RICHARD FOQUÉ - Te laat het landschap







HET (ONT)REGELENDE DUALISME VAN RICHARD FOQUÉ

Albert Hagenaars over ‘Te laat het landschap’

Dichters en hun beide beroepen…Zou Gottfried Benn met een ander debuut net zo overrompelend de poëzie hebben kunnen binnenvallen als met 'Morgue und andere Gedichte' (1912) als hij niet arts was geweest, een carrière die hem al vroeg naar het mortuarium voerde? Zou Slauerhoff alweer drie generaties lang lezers hebben kunnen betoveren met zijn reislyriek als hij geen scheepsarts was geworden? En hoe zit dat met priesterdichters als Gezelle, Manley Hopkins en Maironis? Zouden hun gedichten net zo doortrokken zijn geraakt van al dan niet stichtelijke godsvrucht als zij niet voor de soutane hadden gekozen? Er valt heel wat te schrijven over de relatie tussen een poëtisch oeuvre en het andere beroep van de maker.

Al meteen het eerste gedicht in 'Te laat het landschap' van Richard Foqué (1943, Willebroek), in het dagelijks leven architect met inmiddels een indrukwekkende staat van dienst, zette me aan tot bovenstaande overwegingen. De eerste regels daarvan luiden:


Ik teken een landschap
een landing langs de banen
van een blinde meeuw


Nog maar enkele regels en we zitten al met een veelvoud aan vragen. Want wat is er nog landschap aan een tekening of een landing? Hebben we te maken met ‘en’ of met ‘of’; worden er anders gezegd een landschap getekend én een landing van een meeuw, of vallen die samen? Lándt er een blinde meeuw of beschouwt deze vogel de banen als zijn bezit? Bedoelt Foqué landingsbanen (aanlokkelijke vormen voor een architect) of de capriolen van een vogel in een afremmende vlucht? In het eerste geval, waarom is hier dan sprake van een landing náást de banen in plaats van erop? Voor een blinde meeuw maakt op of de langs de banen niets uit, hij kan zich visueel toch nergens op oriënteren. Zou de meeuw, een vogel die zowel op land als op zee thuis is (niet onbelangrijk gezien Foqués fascinatie voor dualiteit) een symbool van vrijheid zijn voor de ontwerper van ruimtes? In de gauwigheid ontdekte ik dat de meeuw bij de oudste Noord-Amerikaanse volkeren in elk geval verbonden wordt met zowel vertrouwen (in rust) als gratie (in beweging). Dat past wel in dit verband, zolang we ervan uitgaan dat Foqué al dan niet overbewust de meeuw koos, en niet bijvoorbeeld de raaf of de uil.

En daar houd ik dus van; heldere strakke lijnen die in onbestemdheid duiken, je tot meedenken noden en tot conclusies die niet die van de maker zijn of soms ook wel maar dat maakt dan niet meer zoveel uit want elk onderneemt z’n eigen lees- en interpretatietocht. Foqué heeft er een patent op, in deze vierde bundel tenminste, waarmee hij een tweede entree in de poëzie maakt aangezien de vorige maar liefst dertig jaar geleden verscheen! Al bladerend springen soortgelijke momenten je tegemoet:


een feit dat nergens is
ingelijst in vervreemding

(pagina 6)


Maar kwetsbaar de lijn
die het beeld verdeelt

(pagina 7)


Wat meetbaar is en getekend
kan niet meer spreken

(pagina 9)


Het is qua omvang maar een bescheiden bundel: reeks 1 telt tien strofen, 2 ook tien, 3 veertien, 4 achttien en 5 opnieuw veertien. Alle pagina’s met poëzie kennen twee strofen en alle strofen bestaan uit korte regels. De inhoudsopgave daarentegen geeft de reeksen weer met respectievelijk 5, 5, 7, 9 en 7 verzen, gebaseerd op eerste regels. Hoe dan ook wordt hier een compositie mee opgeroepen, geldt hier ordening. Foqué voert die door tot buiten z’n eigen tekst want elke reeks wordt ingeleid door een citaat van een collega, respectievelijk T.S. Eliot, Seamus Heaney, Leonardo da Vinci (ook nog eens architect), Jorge Luis Borges, Emily Dickinson. En elke aanhaling heeft direct te maken met Foqués eigen streven. Het motto dat mij het meest tot nadenken stemt is dat van Eliot, gelicht uit diens ‘Hollow Men’ uit 1925: “Between the conception / And the creation / Between the emotion / And the response / Falls the shadow”. Als dit met tweemaal het woord ‘between’ geen tweeledigheid oproept! En als om die nogmaals te benadrukken komt het woord ‘between’ in Heaneys citaat maar liefst driémaal voor. “As between clear blue and cloud / Between haystack and sunset sky, / Between oak tree and slated roof, / I had my existence. I was there. / Me in place and the place in me.” En tussen deze twee ontleningen staat dus Foqués openingsreeks. Hoe intensiever je leest, hoe beter je Foqués aanpak ziet.

Tot zover het formele aspect. Ondanks het beperkte aantal woorden van de bundel wemelt het weliswaar van precieus beschreven bewegingen en ontwerpen maar staan haaks hierop de emoties en gewaarwordingen die ermee opengesneden worden. Dat levert intrigerende contrasten op. Een van de treffendste staat op pagina 26, in de reeks ‘Door de tijd verlaten’:


De weg een spoor langs de houtkant
als je de stad verlaat langs het water
achterlaat een gebroken zomer
de pijn die door de riolen stroomt.



Er zijn niet veel dichters die zo nadrukkelijk in de weer zijn met fysieke aanwijzingen, en fysiek bedoel ik hier in, jawel, twee betekenissen, geografisch en lichamelijk. Enerzijds de lineaire structuren, alle drie voorbijgaand en tegelijk gebonden aan dezelfde locatie, anderzijds de wanorde van een gebroken zomer en pijn.

Foqué doet niet moeilijk; elke lezer begrijpt zijn woorden, volgt zijn duidelijke leeswegen, laat zich meevoeren. Het is dan ook op de knooppunten, van heldere beschrijving en ontregelende emotie, dat het poëtisch begint te wroeten en woelen. Dat afgezet tegen de titel met haar twee dimensies, die van tijd (te laat) en die van plaats (het landschap), maakt dat we thematisch te maken hebben met het conflict tussen verstand en gevoel, tussen Apollo en Dionysos. Het landschap, voor Foqué bij voorkeur de vormgegeven omgeving, is daarvoor een dankbaar motief, een motief dat danig op de proef wordt gesteld want net als bij de allereerste regels van de bundel kun je op veel plekken vragen stellen die niet of nauwelijks te beantwoorden zijn maar toch een proces oproepen dat onontbeerlijk is voor poëzie en dat veel te maken heeft met je eigen inzichten, met wie je zelf bent dus. In dit opzicht is ‘Te laat het landschap’ zonder twijfel een geslaagde dichtbundel.

Wat denkt de dichter daar zelf over? In hoeverre wil hij eigenlijk dat we met mogelijke antwoorden op de proppen komen, als je let op de strekking van het gedicht op pagina 39, waar het deelmotief water aan bod komt en in een groter bewegen oplost:


Dan kiezen dijken kant
van waar je staat
het water dwaalt
verliest zijn stroom
voor even langs de oevers
slaat nu vertwijfeling toe.

Het leven drijft nog
één seconde verder roerloos
naar een ankerplaats
ondoorgrondelijk bergt het
zijn geheimen.
Het geeft zichzelf niet prijs.



Dit soort tegenstellingen helpt ook tal van andere gedichten in ‘Te laat het landschap’ aan hun spankracht maar belangrijker is ditmaal de slotregel, de consequentie van een proces waarin doorgebroken water haar essentie van beweging verliest, nog even overgaat in leven dat tot stilstand komt en niet alleen zijn geheimen op ondoorgrondelijke wijze bergt maar ook zelf ondoorgrondelijk wordt: het geeft zich niet prijs! Als een dichter zoiets noteert houdt hij er rekening mee dat zo’n uitkomst wel degelijk mogelijk is. Zich prijsgeven veronderstelt namelijk dat er een indirect object is waaraan of aan wie dat kan worden gedaan. Daarmee bereikt Foqué twee resultaten: hij getuigt van zijn geloof dat het openbaren van geheimen niet werkelijk kan plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat een ander wegens een andere subjectiviteit niet genoeg begrip zal kunnen opbrengen, én hij provoceert de meer eigenwijze lezer, de doorzettende lezer, om ofwel tot dezelfde slotsom te komen ofwel die te weerleggen. Niet voor niets koos Foqué van Borges de volgende twee regels: "Tu materia es el tiempo, el incesante / Tiempo. Eres cada solitario instante." Let vooral op het tweede woord van de tweede regel!

Hopelijk trekt ieder die deze zinnen van ondergetekende en, liever, de veel zuiverder zinnen en beelden van de dichter onder ogen krijgt nú een kaart uit de aangeboden waaier. Bekijk hem, buig hem in uw hand en speel méé…alsof u er zelf van afhangt.


‘TE LAAT HET LANDSCHAP’; Richard Foqué; Uitgeverij Kleinood & Grootzeer; 2011; ISBN/EAN: 978-90-76644-55-4; NUR 306; 44 pagina’s; € 16,00




De Verborgen Hoek, no. 27, februari 2012.
Foto: © Albert Hagenaars, februari 2012.
www.alberthagenaars.nl

zaterdag 14 januari 2012

ANDREAS BURNIER - Na de laatste keer



AARDSE EN SPIRITUELE ROLLENSPELEN

De Nederlandstalige poëzie is in omvang en ook in economisch opzicht maar een klein literair tuintje maar qua variëteit bevat het een tropisch regenwoud! Wijlen Herman de Coninck, toch een van de meest oorspronkelijke schrijvers over het genre, schroomde niet onze huidige dichtkunst zelfs als de boeiendste van Europa te beschouwen.
Het kan een verrassing zijn tussen alle snel wisselende ismes een dichter te ontdekken die recht uit het hart schrijft en zich daarbij weinig gelegen laat liggen aan de mode. Zo’n dichter is Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur, geboren in 1931 in Den Haag en overleden aan een hersenbloeding in 2002 in Amsterdam. Zij was succesvol in zowel de literatuur (diverse belangrijke prijzen) als het maatschappelijk leven (zij werd o.a. hoogleraar criminologie in Nijmegen).

Burnier was al bekend als prozaïste en felle debater, over o.a. euthanasie en de emancipatie van homoseksuelen, toen in 1981 haar eerste poëziebundel verscheen, ‘Na de laatste keer’, bestaande uit 26 teksten. Dit boekje is nu herdrukt en uitgebreid tot maar liefst 62 verzen. De samenstellers deden er goed aan hoofdzakelijk voor een thematische indeling in plaats van een chronologische volgorde te kiezen. Na een eerste afdeling met vroeg werk, kwamen ze tot de volgende onderwerpen: 2) oorlogsgedichten (Dessaur was getekend door haar ervaringen als onderduikkind), 3) portretten en bezochte plaatsen, 4) de liefde, 5) spirituele zoektochten en 6) ouderdom en dood.

De kwaliteit loopt vaak uiteen maar in elke afdeling staan prachtige regels en beelden, die bewijzen dat Burnier, mochten haar sterke ambities zich meer op poëzie gericht hebben, makkelijk een veel bekendere dichteres had kunnen worden. Dat moet dan voornamelijk aan haar zeggingskracht toegeschreven worden want wie van technisch vernuft houdt, komt er bekaaid af. Burnier schrijft recht toe recht aan maar wel op volle kracht, met inzet van haar complete persoonlijkheid. Dat leidt in veel gevallen tot documents humains die de lezer weten te raken. Ze zijn afwisselend schrijnend, enthousiast, betogend, intiem, aanklagend, vol verwondering of verlangen maar immer authentiek. Uit afdeling 2:

Niemand heeft hen verraden.
Niemand heeft hen opgepakt.
Niemand heeft hen op transport gesteld.
Niemand heeft hen in Westerbork bewaakt.
Niemand heeft hen in de trein gesloten.
Toch stapten zij uit in Auschwitz:
de kleinsten, de oudsten, de mannen, de vrouwen.


Ook in haar intiemste momenten weet ze te overtuigen. Dat kan vanuit een tederheid die, spannend in haar tegenstrijdigheden, zowel bescherming biedt, bijna afdwingt, als die vraagt:

Kom tot mij
Jij bent van beestenbloed.
Jouw haar is verf
Jouw oog is verf
Jouw mond is geheel van verf.
Ik dring in
Dring ik in
In jouw nat koninkrijk.
Jouw nagels verf
Jouw vellen verf
Zijn voor mij levensvocht.

Pop van verf
Stem van verf
Mens van verf zonder rang,
Kus ik lang, wieg ik kind,
Schipperskind
Als in wind.


Maar het kan ook vanuit de diepste begeerte:

Come here and fuck me, bitch.
Let’s have your tits and bits and titbits.
O shit, you supervacuous square.

Oh fuck me, fuck me, me, me, me.
Oh, ah,
Oh Paris! Monday!


In Frankrijk is het met voorgangers als o.a. Baudelaire, Rimbaud en Jouve onderhand een traditie maar er zijn in ons taalgebied weinig dichters die een inhoudelijk gamma hebben waarin dergelijke aardse regels naast de verwoording van een spirituele verlossing kunnen staan. In ‘God’, vinden we misschien Burniers belangrijkste vers:

Magere wieken sturen de wind westwaarts.
Hoger verwaait hij zijn God, molen
die nimmer stopt, nimmer stopt, nimmer.
Langs de sloten ontsluipt zijn vuil.
Maar hij beweegt ook in het gras, in
buigende bomen die zich gedwee
krommen
tussen asfaltbaan en asfaltbaan.

Zo verwaait hij, ontsluipt hij, voegt hij,
buigt zijn gewicht, tilt zijn zwaarte.
Niemand vermoedt zijn geheim
in de boterbloem? Gele brem? Pluisriet?
Hij is er wel, is er niet.
Ongrijpbaar verdwijnt hij
wellicht
in een mistige nevelflard
in een ontsloten gedicht.


Terecht staan de gedichten met de doodsthematiek op het einde. Hier staan tal van origineel aandoende wendingen, waarvan sommige echter wel eens aan classics als de Bijbel of Talmoed ontleend konden zijn:

Wie ging bleef staan, keerde om.
Verbaasd stond ik bij een stad
Waarin ik antwoorden tot vragen zou smeden
Vuur viel uit de hemel
Mijn aambeeld zou het leed der mensen zijn.


Met Andreas Burnier is ons een auteur ontvallen die daadwerkelijk iets te vertellen heeft, die zich in tradities plaatste en even makkelijk daar weer uit brak, een opmerkelijk fenomeen dat de verzorgers van het boek verklaren met het gedwongen rollenspel tijdens de oorlog. Dit in haar oeuvre eerder bescheiden boek zou wel eens meer sleutels kunnen bevatten dan al die andere boeken samen. In elk geval bevat het vragen en mogelijke antwoorden die haar voortijdige dood ver overstijgen.




Uitgever: Augustus. Prijs € 17,95
Eerder gepubliceerd in de Haagsche Courant, in oktober 2004.
www.alberthagenaars.nl