dinsdag 4 januari 2011

EILANDGEDICHTEN (Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius, Sint-Maarten)



INLEIDING

Eilandgevoel, dat is het onbetwiste trefwoord voor deze anthologie met gedichten en volksliederen over álle eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Het zijn er 12, verdeeld over het Caribisch gebied en Nederland zelf, waarvan er twee, Curaçao en Sint-Maarten, onlangs net als Aruba landen binnen het koninkrijk werden en Bonaire, Saba en Sint-Eustatius bijzondere gemeenten.
Geholpen door kenners ter plaatse verzamelde Klaas de Groot, die ook het nawoord met verantwoording schreef, een opvallend groot aantal teksten: Ameland (8 stuks), Aruba (12), Bonaire (7), Curaçao (14), Rottum (6), Saba (7), Schiermonnikoog (8), Sint-Eustatius (4), Sint-Maarten (4), Terschelling (11), Texel (11), Vlieland (9). De room op het geheel is een slotdeel (met nog eens 8 teksten) dat een algemeen perspectief biedt. Dichters van faam, o.a. Arion, Bernlef en Slauerhoff, staan naast plaatselijke grootheden als Roberto Henriquez en Cecile Peterson.
John Jansen van Galen schreef een hoogst vermakelijk voorwoord aan de hand van eigen eilandervaringen en dat blijken er vele te zijn.
Het motto, van Cola Debrot, is zo goed gekozen dat ik het graag overneem. De originele tekst luidt: ‘Ami gusta un cos / I abo gusta e mes cos / ma kiko e cost a cu nos gusta / lo keda un secreto entre nos dos’. In de Nederlandse versie van Carel de Haseth komt dat niet minder treffend over: ‘Ik houd ergens van / en jij houdt van hetzelfde / maar wat het is waar wij van houden / blijft een geheim tussen jou en mij’.


ARUBA

Aruba, qua oppervlakte net iets kleiner dan Walcheren en qua inwoneraantal dan Den Bosch, heeft een bonte en dus boeiende geschiedenis. Zo was Aruba het eerste eiland dat met de Status Aparte een land werd binnen het Koninkrijk der Nederlanden, op 1 januari 1986.
Het imago van de op 30 december 2010 overleden entertainer Roberto Alfonso ‘Bobby’ Farrell, voor het grootste deel van z’n carrière het gezicht van Boney M. (een groep die 150 miljoen platen wist te verkopen) is dankzij de speling van het lot het bekendste van het eiland afkomstige cultuurproduct.
Niet toevallig leverde Aruba, na Curaçao, de meeste gedichten voor het boek. Die zijn van: Nena Bennett, Frida Domacassé, Giselle Ecury, Nydia Ecury, Helena Engelbrecht-Fornara, Henry Habibe, Ireno Ricardo Kock, Clyde Lo-A-Njoe, Quito Nicolaas, Robert Henriquez, en Ramón Todd Dandaré, aangevuld door Juan ‘Padú’ Lampe, bijgenaamd tata di nos cultura, die de tekst voor het volkslied schreef op muziek van Rufo Wever. Het heet ‘Aruba dushi tera’ (wat ‘heerlijk land’ betekent). Omdat het Papiaments de overheersende thuis gesproken taal is (70% tegenover ruim 6% Nederlands) en het onafhankelijkheidsstreven altijd sterk was, moest ook van de Arubaanse bijdragen een aantal vertaald worden, maar liefst 7 stuks. Gelukkig is zowel het origineel als de vertaling opgenomen.
Alle teksten verschenen eerder; sommige in de aan de Benedenwindse eilanden gewijde anthologie ‘De kleur van mijn eiland: Aruba, Bonaire, Curaçao, II’ (2006), andere in de verzameling ‘De navelstreng van mijn taal – Poesía bibo di Aruba /Levende poëzie van Aruba’ (1992).

Is ‘eilandgevoel’ het sleutelwoord van de anthologie in z’n geheel, voor Aruba zijn, gezien de frequentie, woorden als heet, zon, wind, zout, steen en zee, die bij de meeste participanten in telkens andere combinaties terugkeren, het belangrijkst. Deze en enkele andere, soortgelijke motieven vormen als het ware het lexicale skelet van Aruba. Samen bieden ze meer dan genoeg om de fantasie te prikkelen en de poëzie in werking te zetten. Die komt dan ook sterk opzetten in het aan Aruba gewijde deel van het boek, sterker dan je op basis van de beperkende omstandigheden zou verwachten. Als we het in andere opzichten aansprekende volkslied buiten beschouwing laten, valt het nog niet mee om zo objectief mogelijk de tekst te kiezen die poëtisch het meest te bieden heeft. Daarom verlaat ik me maar op m’n eigen, uiteraard hoogst subjectieve oordeel en neem ik ‘Paradise lost’ over van Giselle Ecury, dat met weinig omhaal van woorden dusdanig de beschrijving en het lot van een kind van zes weet te ontstijgen dat het niet alleen verdrietig en schrijnend genoemd mag worden. Het raakt, met name in de slotstrofe, aan een staat van zijn die veel verontrustender is, die namelijk zelf in het geding is. De vervreemding zet echter al in met het neologisme in ‘palmend groen’, met de originele beeldspraak van ‘in rafels zwaaien’ en ook met de tegenstelling tussen ‘stil’ en ‘zwaaien’:


PARADISE LOST

buiten stond het palmend groen
stil langs de startbaan
in rafels te zwaaien
toen ik moest gaan
eilandskind

de wind draaide zich
de zee verbleekte
liep kolkend leeg
lucht wolkte vormeloos uiteen
de pop op mijn arm huilde
tranen van steen
warmte hield haar adem in
de zon ging uit
ik verdween
kind van zes

het vliegtuig vloog mij uit elkaar
nergens kwam ik aan
ik ben
alleen
niet van hier
niet meer van daar
ertussenin
ontdaan



De vraag naar de identiteit of het besef van verlies daarvan, raakt in het vacuüm van het vliegtuig dat bij geen enkel land hoort, in een ruimte die zelfs primaire herkenningspunten als lucht en zee verliest , vervlochten met thema’s als emigratie/immigratie, heimwee maar evengoed een onbestemd verlangen, en initiatie.
De eerste en laatste regel van deze strofe zijn subliem. De slotregel bestaat maar uit één woord maar telt voor twee vanwege de dubbele betekenis; ook het voltooid deelwoord van ‘ontdoen’ schemert er toepasselijk doorheen.


Een groter verschil dan met de eveneens bewondering afdwingende slotstrofe van het gedicht ‘Lago Heights’ van Frida Domacassé is haast niet denkbaar. Na elf kwatrijnen van gedetailleerde beschrijvingen van de eigen buurt (zie titel) en de benoeming van de bewoners daar, gezien het gebruik van de verleden tijd deels gebaseerd op herinneringen, sluit Domacassé af met een lofzang van slechts twee regels die echter wel twee keer zo lang zijn. Met de elfde strofe erbij, luidt die:


pronkend strompelend op gouden muiltjes
dansen op cubaans’ muziek
tot we onder een grote klamboe
sliepen van het spelen moe.

vijf stille straten in het maanlicht driehonderd huizen ingedut /
tientallen dromen van geluk min lago heights op een voetstuk.





Wat de gedichten van Ecury en Domacassé en zoveel andere dichters in dit boek wel delen is het terugkijken op een geluksperiode die samenvalt met zowel de jeugdjaren als met de kleine ruimte waar die hun beslag in kregen. Een uitstekend voorbeeld levert Nydia Ecury, die haar bijdrage niet voor niets ‘Herinnering’ noemde. Het woord ‘herinnering’ komt er maar liefst zeven keer in voor, in telkens de eerste regel van evenzoveel strofen. Elk daarvan is gevuld met prachtige beelden. Om er slechts twee te kiezen, maar nu in het Papiaments:


Mi ta korda tempu di aña
ku tin alabansa pa Mama Maria
ainda mi boka ta purba
aroma di sensia
i mi ta sinti
kon bas di e orgel
ta lora, ta bini
te boltu
net den mi pechu

Mi ta korda tempu
ku aña t’ei kaba
i Mariachi, mi wela
ta trese foi tienda
ròl di sèn pretu
i bòter di ròm
pa grandasi mei aanochi
dandé
pa kantika bunita
i tor bon deseo



Ecury toont hiermee tevens treffend aan hoe geschikt het Papiaments, mede dankzij de diverse bronnen waaruit de Portugese humuslaag bevloeid wordt, voor poëzie is.
In de Nederlandse vertaling van Lucille Haseth en Aart G. Broek luiden de betreffende fragmenten: De tijd van het jaar herinner ik mij / van het Lof voor Moeder Maria / mijn mond proeft nog / de geur van wierook en ik voel nog / hoe de bas van het orgel / komt aangerold tot hij precies / in mijn borst over de kop slaat. // De tijd van het jaar herinner ik mij / wanneer ’t ten einde loopt / en mijn grootmoeder Mariachi / uit haar winkel rollen zwarte centen / en flessen rum meebrengt / om te middernacht / de zangers van dande te bedanken / voor alle mooie liederen en alle goede wensen.

Henry Habibe richt zich in ‘De verbeeldingsdans’ op al die verschillende invloeden. Hier is, in de vertaling van D.M. van Schendel-Labega, het laatste deel van zijn gedicht:


Estreya, Estreya,
geheel in het geel gekleed
waar men zoenoffers brengt:
de troepiaal van onze samenleving.

Portugezen als straatvegers,
baboes als wasvrouwen,
Chinezen als strijkbazen,
San Nicolas als koperblazers.

Mensen en nog eens mensen,
hoeden versierd met zwarte linten,
dat is nou Aruba
dat is nou Aruba.

Zo danst men daar
de verbeeldingsdans,
de verbeeldingsdans.



Niet misschien de beknoptste maar zeker de krachtigste regels vinden we aan het slot van ‘Vlammend Eiland’ van Robert Henriquez, die nog beter hun werk doen door de geslaagde syntactische verknoping:


en elke dag
van elk jaar
wringt wreed
tot zweet
het vuur mijn land



Het is moeilijk niet nog meer te citeren maar de andere eilanden wachten en die weten weliswaar maar al te goed wat uithoudingsvermogen is maar willen evenmin als Aruba hun geduld te lang laten beproeven.


BONAIRE

Bonaire, dit ruim met natuurschoon bedeelde eiland met behalve Nederlandse ook Spaanse en Britse invloeden, kent een kleine bevolking, slechts ruim 13.000 inwoners die bijna allemaal in de meer kernen tellende hoofdplaats Kralendijk wonen, maar was goed voor toch nog zeven bijdragen aan ‘Vaar naar de vuurtoren’. De oproep in de titel kan op vijf verschillende manieren gerealiseerd worden want hoewel lang niet alle eilanden een vuurtoren bezitten, heeft Bonaire er maar liefst vijf, waarvan de Willemstoren uit 1838 de bekendste is. Drie torens zijn zelfs onlangs gerenoveerd en werken inmiddels op zonne-energie. Als daar geen nieuwe poëzie uit voortkomt…
De dichters zijn Frank Martinus Arion, Aletta Beaujon, Cola Debrot, Mery Maduro, Walter Palm en Lupe Reyes, wier werk afgesloten wordt door het volkslied van Hubert E. Booi.

Arion (º1936), die in Nederland vooral naam heeft door zijn roman ‘Dubbelspel’, waar bijna driekwart miljoen exemplaren van werden verspreid, komt niet van Bonaire. Hij werd geboren op Curaçao en woonde op Aruba alsmede in Nederland en, tot de militaire coup, in Suriname. Zijn lange gedicht ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’ werd uit de bloemlezing ‘Vermoeden van tijd – Poëzie van de jongere tijd’ (Meulenhoff, 1962) gelicht en vormt ongetwijfeld een van de grote verrassingen van ‘Vaar naar de vuurtoren’. Het oorspronkelijk in het Nederlands geschreven gedicht bestaat uit 6 delen en neemt net zoveel pagina’s in beslag. En dat betekent dus lang genieten want Arion heeft een gelukkige balans gevonden tussen epiek en lyriek. Lange gedichten verliezen al gauw aan spanning, zo bepalend voor hun wezen, en worden gemakkelijk saai wanneer ze ten gunste van het verhaal aan lyrische hulpmiddelen inboeten. Enerzijds neemt Arion de ruimte om veel informatie te geven, anderzijds weet hij alle delen (elk onderverdeeld in onregelmatige strofen) voldoende bezieling mee te geven om de tekst in de aandacht van de lezer overeind te houden. In dit opzicht doen de wandelingen aan de opzet van ‘Omeros’ denken, het boek waarmee mede-Antilliaan Derek Walcott (º1930, Saint Lucia) de Nobelprijs binnenrijfde. Arion zet een krachtige, eilandgebonden beeldspraak in, gebruikt zonder het aansprekende parlando los te laten veel klankovereenkomst en heeft het, mede aan de hand van vragen, over existentiële kwesties, wat misschien ook nog een Europese echo van die tijd is. Onder de noemer van het Existentialisme passen in elk geval het definiëren van de eigen realiteit en plaats en daarmee het streven naar vrijheid, de afwijzing van de ratio, en het besef dat de enige zinvolle waarheid die zekerheid biedt die van ons eigen handelen is. Al deze elementen spelen een rol in deze ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’.

Ik citeer alvast het eerste deel:


Om een scheiding gaat het hier
van bloed en land
tranen van pekel zijn in de grond gedrongen
die droogte heeft mij hard gemaakt

om de scheiding van bloed en kleur
die overal de keten van liefde verbreekt
om volledig te vertrekken uit elke ruimte

Gij was mijn schaduw Carmita
en ik schuwde u zeer
gij was mijn hangmat
en ik hing aan u

maar de zon en de zee
zijn zout geworden
van zoveel geboorten:
de aarde loom
dit lichaam traag
van Europa



Over deze introductie valt het nodige te zeggen. De eerste regel rept van een scheiding en dit woord is meteen het hoofdmotief. De bewoording van Arion laat daar geen twijfel over bestaan. Een scheiding wordt eerder negatief dan positief ervaren, maar roept van de weeromstuit gemis en verlangen op, die wel degelijk vruchtbaar kunnen werken. De volgende regel roept het eerste raadsel op: een scheiding van bloed en land. Wanneer land al gescheiden wordt, is dat doorgaans van ander land, door water of een grens. Dat andere land kan echter associatief benoemd worden als een oord waar bloed een grote rol speelde. Opnieuw zal de gemiddelde lezer dit niet als positief ervaren, bijvoorbeeld door aan een plek te denken waar donoren in de rij staan, maar als negatief, als een plaats waar bloed vergoten wordt, zeker als hij doorleest en dan direct met ‘tranen’ geconfronteerd wordt. Arion hanteert daarmee een treffende tegenstelling: tranen en droogte, die echter aannemelijk gemaakt wordt door ‘pekel’. Zout, de economische peiler onder meerdere Antillen, werd in de regio nergens, naar verhouding wel te verstaan, zo’n bepalende factor als op Bonaire. Het was met name zout dat de slavenhandel op gang bracht. De slaven woonden in piepkleine bouwsels, stenen hutten, waarvan nog een aantal, al dan niet gerestaureerd, resteert. Er werden zelfs vier obelisken opgericht om vrachtschepen naar de zoutpannen te dirigeren en dat moet de vroegste versie zijn van de titel waar Klaas de Groot mee aankwam. Slavernij, dat is in Arions werk een van de uitgangspunten, te beginnen met zijn debuut ‘Stemmen uit Afrika’ (1957). Fragmenten die hiernaar verwijzen zijn in dit lange gedicht: ‘zonzieke neger’, ‘scheiding van bloed en bloed’, ‘blanke negerin’ en vooral ‘keten’ en ‘slavenmuur’.
Een belangrijke uitspraak is ook regel vier, te vertolken als: problemen maken een mens niet alleen hardvochtiger maar ook sterker.
In strofe 2 verliest het bloed aan kleur zoals later, in strofe 5, aan vochtwaarde (‘…doe ik bloed opstuiven’). Gestaag ontrafelt Arion historische en sociale patronen, vervangt feiten door zijn poëtisch geladen taal, vangt de essentie in de gedachte dat zout bloed oplevert, en bloed zout wordt. ‘Keten’ kent twee aspecten, die van band zoals hier in ‘keten van liefde’ en die van ‘kluisters’. Arion speelt die mooi tegen elkaar uit, en tegelijk dus begrippen als vrijheid en gevangenschap, vertrek en gedwongen vertrek.
De naam Carmita in strofe 3 lijkt belangrijk. Hoe belangrijk? De naam komt uit het Hebreeuws. De betekenis is heel toepasselijk ‘lied’. Er is ook een relatie met de Karmel, samentrekking van Karem-El ofwel de wijngaard van God. De beboste flanken van deze berg in Israël, 20 km lang, 8 breed en 600 meter hoog, genieten al sinds vele eeuwen de faam een paradijselijk oord te vormen. In de oudheid waren er wijngaarden. De profeet Elia daagde hier de priesters van Baal uit en bracht het mentaal dolende volk terug tot haar verbond met God. Zelf moest ik dan ook nog aan Karma denken. Is dit alles te ver gedacht? Te ver voor Arion die behalve dichter ook taalwetenschapper is? Hij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde, deed veel voor het standaardiseren van het Papiaments en kreeg dus ook te maken met vergelijkend taalonderzoek. Zou hij deze fascinatie, die hij al vroeg onderging, uitgeschakeld hebben gelaten terwijl hij aan dit gedicht werkte? Te ver voor Frank Efraim Martinus zoals de naam van de schrijver in het dagelijkse leven luidt? Efraim is eveneens Hebreews en is afkomstig van de tweede zoon van Jozef, die, en dit kan haast geen toeval meer zijn, in ballingschap werd geboren. Er zijn kortom teveel zinvolle links om alleen maar uit te gaan van een geliefde. Als extra argumenten om niet alleen voor deze laatste mogelijkheid te kiezen, gelden twee inhoudelijke punten. Ten eerste het plechtstatige voornaamwoord Gij, dat in de Zuidelijke Nederlanden populair is (ik gebruik het zelf regelmatig in mijn dialect) maar verder alleen in de Bijbel voorkomt. Ten tweede het woord ‘schuwen’. Waarom zou je namelijk een minnares schuwen? Eerbied of angstvalligheid ten aanzien van een godheid, eventueel het welslagen van een goddelijk lied, ligt eerder voor de hand. Arion maakt echter dankbaar gebruik van de meerduidigheid. Hij verschaft overdrachtelijk een seksuele waarde aan hangmat maar waarom zou de sprekende persoon daar dan aan gaan hángen? De tweede duiding, hangen aan iemand, gehecht zijn aan iemand, kan echter wel. De eerste heeft de tweede dan al wel de voet dwars gezet. Dit taalspelletje werd een misstap.
In strofe 4 zijn, net als het bloed verder in de tekst, de zon en de zee zout geworden maar dan wel het zout van zoveel geboorten zodat Arion aan het zout der aarde raakt, letterlijk ook met aanhaling van het woord ‘aarde’ na de dubbelepunt die een conclusie aankondigt.
Waarom een lichaam traag van Europa is, is een vraag die ook tot enig filosoferen leidt. Gemakshalve kan geopteerd worden voor de mogelijkheid dat de Europese invloeden slecht passen bij de fysieke en culturele realiteit van het eiland. En Europese invloed kende Arion in 1962; zijn eerste periode in Nederland begon in 1955.


Tot zover het eerste deel van het vers. Bij de andere vijf zijn minstens zoveel openingen te maken. Welke van de andere dichters die over Bonaire schreven zouden met hun product nu graag achter dit meesterwerk van Arion geplaatst worden? De Groot hanteerde voor de dichtersnamen een alfabetische indeling per eiland dus het werd het gedicht ‘Brandaris’ van Aletta Beaujon. Een betere keuze was gelukkig ook niet mogelijk want Beaujon lokaliseert haar talige handelingen op de Karmel van het eiland, de 240 meter hoogte bereikende Brandaris, en gebruikt dezelfde soort slagwoorden als Arion: dor, steen, zon, rotsen, zee. Ook de zegging komt overeen, al is die van Arion krachtiger. Wat beiden delen is bovendien het respect voor de natuur, beter gezegd het ondergaan van het wezen van de natuur, de vereenzelviging soms ook. Het laatste deel van haar gedicht:


Als ik straks dalen ga
rollen de stenen naar beneden
ik ben zo moe en zo bang
om voort te gaan
waarom kan ik hier niet blijven
zo rustig is het nergens
de wind zoemt
langs de toppen van de rotsen
en brengt zo nu en dan
het schreeuwen van de vogels
in de bomen daar beneden
zelfs een schot van de jager
een echo wordt gefluister
in de bergen
Ik wou dat ik elk plekje kende
in de verte



Beaujon biedt dus eveneens een solitair beleefd perspectief dat toch geen eenzaamheid oplevert. Eerder evoceert zij geborgenheid. Dat levert dan wel frictie op, enerzijds het verlangen om op de rustige helling of top te blijven, anderzijds elk plekje in de verte willen kennen. Dat heeft wel het voordeel dat de beweging neerwaarts omgebogen wordt tot een horizontale zichtlijn en de ruimte, aanvankelijk beperkt tot het kleine eiland, bezit neemt van de zee en andere kusten (bij helder weer zijn Curaçao en Venezuela te zien). Dat compenseert eventueel verontrustende elementen als rollende stenen en een schot. Beaujon geniet even van rust en reflectie, temeer daar ze weet dat deze serene ervaring maar kort duurt.
Ik wil, om in dit verband tot een nog beter vergelijk te komen, een paar regels uit deel 2 van Arions gedicht aanhalen:


…en ik heb genoeg
aan alles wat ik kan zien
zonder van dit eiland op te staan.



Hierna is het de beurt aan Cola Debrot, die wel op Bonaire geboren werd, in 1902 in Kralendijk, en als een van de belangrijkste schrijvers van de Antillen beschouwd moet worden. Hij vervulde tal van functies, variërend van arts tot gouverneur van de Nederlandse Antillen. Daarnaast bouwde hij een ongemeen boeiend oeuvre op, dat in het uit meerdere delen bestaande ‘Verzameld Werk’ z’n beslag kreeg. Aan waardering had Debrot dus geen gebrek, wat het beeld van z’n trieste laatste jaren extra wrang maakt. Hij leed aan depressies en misschien schreef hij vanuit die staat het gedicht ‘Talbes’ dat door een onbekend gebleven vertaler goed in het Nederlands is overgezet, al heeft die niet, net als de dichter, de slotwoorden “tur os pena na caminda” gecursiveerd en dat is een gemiste kans want Debrot zette niet voor niets daar een accent.


MISSCHIEN

Misschien komt de dag weer,
een dag van louter blijheid.
Of was het zo’n licht maannacht
vol weemoed onder de siaboom?

Misschien komt de dag weer
dat cactus en siaboom
elkaar omhelzen
als toegenegen verwanten.

Misschien komt de dag,
-alle maïs heeft zijn zaad-
dat zelfs arbeider en kapitalist
elkaar zullen mogen.

Misschien…die dag is nog ver
verder dan de knoekoe van Ma Linda.
Maar verlies het geloof en de hoop niet,
ondanks al ons lijden onderweg.



Poëtisch legt de nestor van de Antilliaanse letteren het, met deze tekst althans, af tegen Arion (bij wiens debuut hij zeer nauw betrokken was) en ook nog tegen Beaujon. Dat ik het toch graag in z’n geheel citeer komt voort uit m’n respect voor Debrot. Ook kan ik ermee tegemoet komen aan een van de bedoelingen van samensteller Klaas de Groot, namelijk om vooral gedichten op te nemen die het eigene van het betreffende eiland benadrukken. Met vermeldingen van de siaboom, cactus, en zeker de knoekoe van Ma Linda voldoet Debrots tekst aan dit criterium.


Met de gedichten van Mery Maduro, Lupe Reyes komen we aan een zwak punt van het boek. Vrijwel alle gedichten in het Papiaments (op Bonaire niet Papiamentu zoals op Curaçao of Papiamento zoals op Aruba genoemd maar Papiamen) zijn vertaald, waarom deze twee dan niet? Uit ervaring weet ik wat er zoal komt kijken bij een dergelijke bloemlezing maar het zou toch niet een te zware belasting geweest zijn om ook ‘Naturalesa di Bonaire’ van Maduro en ‘Boneiru’ van Reyes een Nederlands jasje te geven, zeker niet wanneer er genoeg goede vertalers voorhanden zijn? Jammer!

Daarom volgt hier de opname van ‘Boneiru’, de kortste tekst van de twee, opdat lezers die geen Papiaments beheersen maar enige kennis van Spaans of Portugees hebben, en dat zijn er tegenwoordig toch een heleboel, nog een eind komen:


BONEIRU

Kada be mi despedí
di mi isla tan stimá
tristesa mi ta sinti
tur momentu; tur lugá
N’e momentu ku mi mira
solo bias: ‘Té mañan’,
nostalgia mi ta sinti
di mi isla adorá…

Boneiru, kuna di mi hubentut.
Tistiga muda di mi legría,
tristesa I soledat…
‘Zonida klá mi ta sinti,
di bo olanan I lamán.
Promesa firme mi ta hiba,
den mi alma, bon wardá.
Promesa ku lo mi kumpli
fo’I e momentu ku mi alehá,
aunke lew destinu hibami
semper lo bo ser rekordá.



Behalve het volkslied, wel in twee talen, is er dan nog het korte maar beeldenrijke ‘Bonaire’ van Walter Palm (º1951, Curaçao):


BONAIRE

Flamingo’s beelden
rozezachte stilte uit

Groen gekrijs van papegaaien
omlijst de rust.

Naast de schildpad
zwemt de tijd.

Op de zeepaarden
hobbelt een glimlach.

Plots opduikende
dolfijnen, een flits

van inspiratie.



Hoewel Palm al acht dichtbundels publiceerde en aansprekende beelden weet weg te zetten, heeft hij nog geen meesterschap bereikt. Flamingo’s bijvoorbeeld roepen als vanzelf de kleur roze op, zoals schimmels wit en raven zwart, daarom zou je die kleur niet nog eens moeten noemen. Dat is een zwaktebod, de klankovereenkomst met ‘zacht’ ten spijt. ‘Groen gekrijs van papegaaien’ is vergeleken hiermee veel beter gekozen. ‘Een op zeepaarden hobbelende glimlach’ is daarentegen dan weer een ronduit rammelend beeld. Een tweede pleonasme vinden we in de verbinding van ‘plots’ en ‘opduiken’. Opduiken houdt immers al in dat iets plots verschijnt. Daar had een redacteur een stokje voor moeten steken.


Zoals bij andere eilanden eindigt het deel over Bonaire met het volkslied, in het Papiaments ‘Himno Bonaireano’ geheten, in het Nederlands dankzij Fred de Haas flamboyanter ‘Land van zon, gestreeld door de passaatwind’.
Behalve de muzikale elementen zit er niet veel poëzie in maar het kent wel een even ontroerend als dapper einde:


Ningun poder lo por kita e afecto
Cu nos ta sinti pa e isla di Nos
Maske chikito cu su defecto
Nos ta stimele ariba tur cos.



ofwel


Geen macht op aarde kan de liefde doden
Die JIJ in ons hart laat wonen!
O eiland, onvolmaakt en klein,
Dat altijd nummer één zal zijn!



CURAÇAO

Curaçao, dat dus qua aantal bijdragen aan kop gaat, krijgt de onverdeelde aandacht van, in alfabetische volgorde: Frank Martinus Arion, Oswin ‘Chin’ Behilia, Oda Blinder, Charles Corsen, Lucille Haseth, Carel de Haseth, Elis Juliana, Antoine A.R. de Kom, Pierre A. Laufer, Boeli van Leeuwen, Walter Palm, Myra Römer, Andries van der Wal en Guillermo E. Rosario. De naam van laatstgenoemde is verbonden aan het volkslied van het eiland, dat door Rose Ellen Evertsz-Jonkhout en Margaret Grace Jonkhout in het Nederlands werd vertaald en hier eveneens afgedrukt. Aan deze van trots en zelfvertrouwen blakende ‘Himno di Korsou’, die inmiddels alleen in het Papiaments gezongen mag worden, werkten opvallend veel personen mee, iets wat in dit boek helaas onduidelijk blijft, waardoor het ten onrechte alleen aan Guillermo Rosario toegeschreven kan worden. De historie in een notendop: de Nederlandse broeder Radulphus schreef al in 1898, ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina, de tekst op het stramien van, godbetert, een Tyrools lied. In de jaren dertig componeerde broeder Candidus Nouwens dan de tegenwoordig gebruikte melodie. In 1978 gaf de regering tenslotte een commissie, bestaande uit Guillermo Rosario, Mae Henriquez, Enrique Muller en Betty Doran, de opdracht de tekst te herzien, opdat die beter paste bij de veranderde politieke en maatschappelijke context. Van deze versie, die een tijdlang voor alle zes de Nederlandse Antillen gold, worden tegenwoordig meestal alleen de eerste, tweede, zevende en achtste strofe gezongen.

De literair beste bijdrage over het eiland is van Boeli van Leeuwen (1922-2007), die als prozaïst een grote hoogte bereikte maar dus ook als dichter weet te imponeren, en dat terwijl hij zich nauwelijks in deze discipline uitte. Van hem is ‘In dit licht’ opgenomen, gekozen uit de gelijknamige publicatie met foto’s van Carlos Tramm (Uitgeverij ICS, 1995). De titel geeft al aan welk aspect van Curaçao centraal staat en dat is niet vreemd gezien de aandacht in zijn werk voor kijken, góed kijken, zién dus, en inzien, doorzien maar ook ontzien:


IN DIT LICHT

Op zulk een schrale harde bodem
ging, op een ezel wiegend,
Jezus aan de mens voorbij.

sindsdien kan niemand
hoog te paard gezeten
over dorre bodem gaan:
geen paard krijgt vleugels in het gruis van deze gronden
geen ruiter stijgt in hoogmoed uit het stof.

verschuilen kan zich niemand onder deze hemel:
een bol en strak gespannen suizelend plafond
gekoepeld om een bronzen ruimte
waarin zonnen exploderen
en ’t gesmolten licht doen spatten in de zee.

in dit licht zijn alle dingen zoals ze zijn
en niet zoals wij ze willen dromen
en wij zijn ook niet meer dan wat wij zijn:
morituri op een eiland in de zee.

dit is geen land van melk en honing
maar van sprinkhaan en profeet
dit is geen land waar gras
het stof der aarde camoufleert
en waar zachte grijze wolken
tussen mensen en vuur geschoven zijn.

wij staan hier naakt op deze rots.



In plaats van een weelderige taal die nogal eens met de tropen geassocieerd wordt, vergast Van Leeuwen de lezer op schraal, hard, profetisch, om niet te zeggen calvinistisch aandoende beelden en beschrijvingen, die indringend genoeg zijn om hun werking niet meer te laten vergeten.


Dat dit maar één perspectief is waarvoor Curaçao zich leent, bewijzen met name Arion, die in ‘Eiland van mijn dromen’ wel een plaats aan nachtelijke voorstellingen en wensen geeft, én aan de lach, en De Kom, in wiens beeldenrijke ‘Blauwbaai’ de branding tevens de grens van leven en dood wordt. Oswin Behilia sluit met de beschrijvende zang van ‘Zikizá’ meer bij de Latijns-Amerikaanse traditie aan en Myra Römer laat Papiaments en Nederlands samenvallen in één gedicht. Hoewel er zeker, zowel inhoudelijk als vormtechnisch, overeenkomsten tussen de bijdragen te ontdekken zijn, is het onderscheidend vermogen van elk groot genoeg om er relevante leeservaringen aan te kunnen koppelen. Daar schuilt de grote verdienste van samensteller Klaas de Groot.


SABA

Hoe groot kan de poëtische opbrengst zijn van een eilandje dat, afhankelijk van de bronnen, tussen de 1500 en 2000 inwoners telt inclusief 200 meestens Amerikaanse studenten van de Saba University School of Medicine, plus (maar alleen in het vakantieseizoen) drie keer zoveel toeristen, van wie de meeste echter dagjesmensen zijn die een excursie vanuit Sint-Maarten maken? Normaal gesproken niet groot. Daarom verbaast het enigszins dat Klaas de Groot en assistenten nog met zeven dichterlijke teksten op de proppen kwamen die betrekking op Saba hebben, waaronder het zeker niet poëtische volkslied. Een volkslied hoeft echter geen gedicht te zijn om toch een prima tekst te kunnen bieden.
Van deze zeven bijdragen zijn er zes oorspronkelijk in het Engels en een in het Nederlands en dat is nog een positieve vertekening voor het belang van het Nederlands want officieel heeft 88% van de inwoners Engels als thuistaal, 5% Spaans, 4 % anders, 2% Nederlands en 1% Papiaments. Zetten we dat af tegen het hoogst genoemde bevolkingsaantal, 2000, dan spreken er dus 40 mensen op de eerste plaats Nederlands, gemakshalve verdeeld over 10 tot 15 gezinnen.

Ik gebruikte met opzet al ‘dichterlijke teksten’ i.p.v. ‘gedichten’ omdat het poëziegehalte helaas ook als bescheiden beschouwd moet worden.
De eerste tekst is van Albert Helman, pseudoniem van Lodewijk ‘Lou’ Lichtveld (geboren in 1903 in Paramaribo en overleden in 1996 te Amsterdam). Helman behoort tot de voornaamste literatoren van ‘Vaar naar de vuurtoren’. Zijn bibliografie is indrukwekkend; hij is niet voor niets 92 jaar geworden. Tussendoor, ben je geneigd te zeggen, had hij nog tijd om de meest uiteenlopende activiteiten uit te oefenen. Ik som een deel op: seminariestudent, organist, componist, onderwijzer, journalist, romancier, combattant in de Spaanse Burgeroorlog (aan Republikeinse zijde), redacteur van verzetsblad De Vrije Kunstenaar, Landsminister van o.a. Onderwijs en Volksontwikkeling en ook nog gevolmachtigd minister op de Nederlandse ambassade te Washington. Zijn lange levensloop kende tal van hoogte- en dieptepunten, zodat Helman wist wat dramatiek is. Wie anders kun je dan nog wensen als dichter om het poëtisch reservoir van Saba te ontsluiten?
Maar de keuze van De Groot stelt teleur, aanvankelijk toch. Het is weliswaar een lang stuk van drie delen, dat in dit boek 5 pagina’s in beslag neemt, maar het doet door z’n vele verkleinwoorden, rijmen en sprookjestoon toch vooral denken aan een voor de eigen kring bedoeld kindervertelsel.

Het begint aldus:


HUISJE OP SABA

In majeur

Ik heb een huisje op Saba.
Dat wist je niet.

Gehurkt naast een goayaba.
Wist jij ook niet.

’t Is keurig, maar wat kleintjes,
met luiken en gordijntjes.
Dat wist je niet.

’t Heeft een rood zadeldakje.
Opzij staat het gemakje
en droomt er heel allenig.
Wist je dat niet?

Maar ’t uitzicht is el enig:
helblauwe zee en verder
veel schaapjes zonder herder
boven de strakke einder.
Dat wist je niet



En zo kabbelt het verhaal verder, in elke strofe wat kruimels informatie verstrekkend over het eiland. Deel 2 heeft als toevoeging ‘2. In mineur’ (en terecht want de schrijver legt er in uit dat hij z’n huisje heeft moeten verkopen en ‘lieflijk Saba’ verlaten.
En dan, boven het derde en kortste deel, verrast Helman met een perspectiefwending die in plaats van vreemd eerder bizar genoemd mag worden:


3. In hypo-mixolydisch

Ik roep al sinds de twaalfde eeuw:
‘Kabouter Wout, mijn metgezel,
Waar ben je toch gebleven?
Heb jij de dood geproefd en laat
Je mij zo-maar in leven?

Je was een fijne kameraad,
Dus moet ik ’t je vergeven.
Nu woon je weer, heel hoog verheven,
Achter de Helpoort in de berg,
Terwijl ik hier alleen moet leven.

Het is wel erg…’



Voor wie net als ik niet weet wat de toevoeging betekent volgen hier eerst de resultaten van de online encyclopedie Encyclo: “1) Hypomixolydisch : Spelling van 1858, bijnaam van de oude toonsoorten der Grieken, welke de beide halve toonen tusschen den derden en vierden en tusschen den zesden en zevenden trap der klankladder bevat hielden.” Voor wie dit de pet te boven gaat is er nog een simpelere maar ook vagere betekenis gegeven: ”2) Kerktoonsoort”. Helman laat z’n achtergrond als musicus dus stevig doorklinken.

Maar wat doet die twaalfde eeuw hier? Waar wil Helman met het noemen van die periode ons aan doen denken? In Europa hoorde men, een zeer beperkte groep dan nog, pas op het eind van de 15e eeuw over de Antillen. Hoogstwaarschijnlijk heeft Columbus in 1493 Saba ontdekt maar hij is er toen, voor zover bekend, wegens de gevaarlijke rotskust niet aan land gegaan. Hij noemde het eiland San Cristóbal, wat afgekort en verbasterd Saba op zou leveren. Er is ook een hardnekkige theorie die de naam afleidt van het Arawak-woord Siba, dat rots betekent, iets wat bijzonder goed past bij Saba. Tevens wordt geloofd dat de naam afkomstig is van het Arabische woord Sheba, dat ochtend beduidt. De theorieën zijn te mooi om ze niet te vermelden.
Maar, nogmaals, de twaalfde eeuw? Helman moet er toch een goede reden voor hebben gehad dit te vermelden. Het was de tijd van de strooptochten naar het oosten van de feodale adel met aanhang in naam van de Heilige Stoel, wat behalve de nodige buit ook de kennis opleverde voor o.a. het vroegste Humanisme, ook wel de Renaissance van de Middeleeuwen genoemd. Zou het leed, waarover Helman in woorden als dood, verlies en ‘Helpoort’ spreekt, hem daarom extra inzicht geschonken hebben? Weliswaar is Hell’s Gate, officieel Zion’s Hill, een van de vier nederzettingen van Saba maar een dichter als Helman hanteerde zeker niet toevallig de meer populaire naam, die iedere rechtgeaarde dichter natuurlijk als een symbolisch geschenk moet zien.
Is de Helpoort dan een ‘door of perception’. Dit idee wordt versterkt door de koppen: majeur - mineur - hypomixolydisch. Daarmee wordt wat aanvankelijk een sprookje leek een dialectisch leervers. Met betrekking tot Saba kan ‘de berg’ ondanks andere hoogten niets anders zijn dan Mount Scenery, met bijna 880 meter sinds kort het hoogste punt van Nederland.
De slotregel geeft een negatief gevoel door maar klinkt dankzij de hypomixolydische toon opvallend laconiek.” Het is wel erg…”. Hoe dan ook, met deze korte bespreking zijn we er nog niet voor ‘Huisje op Saba’. Ik hoop de aanzet wel te hebben gegeven maar hoop op een vervolg door de lezers.


‘Drifting’, ‘wrinkling’, ‘dripping’, ‘trembling’, ‘bleeding’, ‘glimmering’, ‘falling’, ‘touching’, ‘dancing’, ‘nestling’, nogmaals ‘dripping’, dan ‘slumbering’, en opnieuw ‘drifting’. Dat zijn wel érg veel tegenwoordige deelwoorden in een kort gedicht. Een bewijs te meer dat je moet oppassen met deze grammaticale functie. In de handen van een gelegenheidsdichter of een beginnende lyricus vormt de woordsoort een groot risico, overvloedig gebruik tast de handeling aan.
Ho Hagenaars, dat is misschien te kort door de bocht want wie weet was het juist de bedoeling van Rik Lina (º 1942) om met deze bijdrage, getiteld ‘From the elfin forest’ (hij zette geen hoofdletters in de naam), een durende, niet veranderende staat aan te geven. In dát geval zou het inzetten van al die op –ing eindigende woorden functioneel verantwoord zijn. Alleen hijzelf kan natuurlijk duidelijkheid verstrekken.
In een interview merkte de kunstenaar, die jarenlang in het Caraïbisch gebied woonde en bekendheid geniet vanwege zijn surrealistische schilderijen, onder meer op: “Elk schilderij dat ik maak, begin ik 'automatisch'. Ik gebruik datgene wat ik vind tijdens het 'automatische' proces, ik probeer dat vorm te geven, te ontdekken en dan stuur ik het ook. Als ik daarin te ver ga, doe ik weer een 'automatische' ingreep, waardoor ik weer ontregeld word. Ik ben dus steeds met orde en chaos bezig. Ik begin met chaos. Wat er uit mijn onderbewustzijn tevoorschijn komt, moet er eerst op de een of andere manier in opgeslagen zijn. Als ik nu 'automatisch werk, dan komen er onmiddellijk planten en vogels en dat soort dingen tevoorschijn, omdat ik maandenlang in de jungle heb rondgetrokken. // Mijn hele leven ben ik bezig geweest om landschappen te zoeken die me interesseren en dan liefst zo leeg mogelijk, onaangetast. Waar ik aan werk met mijn tekeningen: om al tekenende één te worden met het landschap. Met de grote Chinese meesters wil ik stellen dat de natuur mijn grote leermeester is.
Precies hetzelfde is ook van toepassing op het hier opgenomen gedicht dat, zoals verreweg de meeste Nederlandse lezers niet weten, verwijst naar het gelijknamige bos op Saba. Het wordt ook ‘Cloud Forest’ genoemd omdat de plek bijna steeds schuilgaat in nevel. Dat wil wel druppelen ja, vandaar het tweemaal voorkomende ‘dripping’.


FROM THE ELFIN FOREST

The strange soft hands
Of moss and mist drifting
Clouds a wrinkling blanket
Of green sculpted by wind
Dripping trees mud and moans
From elsewhere

Dinosaur time of dreams
Trembling vines bleeding
Moss-clad treefern and
Proud erection of mountain-
Palm in slow Indian dance
From elsewhere

In glimmering embrace falling
Steep from the screech of rock
Long trails and tracks aerial-
Roots over the rainbow orchids
Orange and red lips and claws
From elsewhere

Fingers touching sounds
A prayer of zebra butterfly
Silently dancing together
Invisible in the ferns
The nestling tongues
From elsewhere

The sea is all around
Dripping green wit?
The slumbering crater
Breakers of bracken?
Motionless drifting
Echo from elsewhere



Nou, als dit gedicht niet volgeladen is met surrealistische beelden: ‘hands of moss’ (dat ‘soft’ is natuurlijk overbodig), ‘Dinosaur time of dreams’, ‘trembling vines bleeding’ en ga maar door. Lina moet het hierbij voornamelijk hebben van de inhoud want net als bij de meeste andere surrealisten is zijn vorm (ik doel hierbij o.a. ook op de manier waarop de verf aangebracht wordt) heel wat minder interessant. Het blijft voor de beschouwer meestal bij mooie plaatjes bekijken, het vertalen van voorstellingen die in een nieuw verband geplaatst worden. En dat is jammer, zeker als je Lina’s bovenstaande uitspraken over chaos serieus neemt. Qua bouw is ‘From the elfin forest’ zeer geordend om niet te zeggen braafjes uitgewerkt. Chaos en ontregeling leiden hier dus tot de behoefte alleen controle over de opgeroepen béélden uit te oefenen, die eventueel te bezweren, maar zijn zelf nergens te bespeuren. Er is geen sprake van het samenvallen van vorm en inhoud, integendeel. De beeldspraak, soms origineel en prachtig, blijft netjes binnen de omlijsting van elke keer een zesregelige strofe, elk inclusief een identieke en dus voorspelbare slotregel. Als Lina ook de niet picturale elementen aan chaos had willen blootstellen, meer durf aan de dag had gelegd, zou z’n gedicht een behoorlijk niveau hebben kunnen bereiken.


Toch is Lina’s vers poëtisch gesproken nog altijd interessanter dan de bijdrage van Cecile Peterson. Het meest opvallende van haar ‘Saba’, dat het best gecategoriseerd kan worden als keurig verzorgd gerijmel, is de actuele toets van de politiek (die nu langzaam vervaagt). Alleen al hierom is opname in de anthologie verantwoord. De twee laatste strofen, die een prettig ritme hebben en met gemak apart gepubliceerd kunnen worden, roeren het belangrijkste thema van de laatste jaren aan: een land binnen het koninkrijk worden of een bijzondere gemeente, ofwel Openbaar Lichaam. Peterson laat geen enkele twijfel bestaan over haar standpunt. De koppeltekens in het slotwoord geven een humoristisch accent. Je hoort er haar stem vol ongeloof en spot over andere standpunten in doorklinken:


When Columbus discovered this treasure
He didn’t realize
It was the pearl of the Carribean
For him a big surprise

But now our island’s peacefulness
Is shattered by suspense
We beg you, keep this threat away
That’s called ‘In-de-pen-dence’.



Het neemt niet weg dat ze ongeloof bij mij oproept door de reactie van Columbus. Als die zich namelijk niet realiseert dat Saba de parel van de Caraïbische archipel is, wat is er dan wel zo’n grote verrassing voor hem?

Ook de gedichten van Stella Richardson-Sloterdijk (914-2000) en Lorna M.E. Simmons blijven met respectievelijk ‘Adieu Saba’ en ‘Saba, How Beautiful You Are’ steken in aangenaam meanderende zinnen, clichématige beelden en een melancholische dan wel bewonderende toon. Typisch is dat elk uit drie strofen van acht regels bestaat. Een grapje van Klaas Groot, of zocht hij gezien de overeenkomsten tussen beide teksten naar extra parallellie? Feit is dat ik bij het zoeken naar de achtergronden van Stella Richardson-Sloterdijk op een artikel van Will Johnson stuitte, getiteld ‘The women of Saba’, waar een versie van ‘Adieu Saba’ in staat die niet alleen een stuk langer is (11 strofen) maar ook uit strofen van 4 regels bestaat in plaats van 8. Hier geeft de inhoudsopgave van ‘Vaar naar de vuurtoren’ verder geen informatie over.

Over de inhoudsopgave gesproken: daar staat over het debuut van de volgende dichter, Wycliffe Smith, genoteerd: ‘My Island’, Uit: ‘From W-inward’, 1976’. De naam van die bundel intrigeerde me maar blijkt op een fout te berusten. Wycliffe (º1948, Saba) , behalve dichter en onderwijzer ook enkele jaren gezaghebber van het eiland, debuteerde in dat jaar namelijk met ‘A voice from Windward’ en dat is wat mij betreft evengoed een puike titel.
Wycliffe laat zich er op voorstaan dat hij behalve aan de schoonheid van de Bovenwindse Eilanden ook aandacht schenkt aan politieke en sociale misstanden. Van dit laatste is in ‘My Island’ niet veel te merken, of het zou een vroege waarschuwing moeten zijn voor een uit de hand lopend toerisme. Saba’s waarden zijn natuurlijk ook zeer precair. Het betreffende fragment:


Freely
people in jeep in cars
move along
the wriggling roads
from village to village
buying, selling, laughing
talking
bumping
against the coloured wall
invisible
to the outside eye



Laat dit nu, op de drie laatste regels na, de minst imponerende strofe zijn. Beter acht ik de volgende strofe die bijna iets magisch heeft, vooral omdat ‘the coloured wall’ ditmaal verbonden wordt aan het vrouwelijk lichaam, dat trouwens volgens het begin (met beelden als ‘her head on a pillow of fog’ en ‘the wriggling roads cling to her breast like love weed on a flamboyant tree’) met Saba zelf samenvalt. Ook de vooropstelling van de objectconstructie in de regels 4, 5 en 6 doet de lezer ineens beter lézen.


My island
bore many a son
in her ambitious womb
many a son
both black and white
did she digest
in the secrets of her bowels
where
they now pass
the coloured wall




‘What Can I Say’ van de op Saba geboren maar elders residerende Ingrid Zagers valt dan weer tegen.
Met name de eerste regels van dit gedicht roepen een kritisch weerwoord op:


What can I say about Saba,
that hasn’t been said before?



Juist een heleboel, zou ik zeggen. En bewijs dat dan ook maar eens. Maar dat doet Zagers nu juist níet:


How can I begin to describe
the lush green hills,
the quaint, white houses,
the splendour of the underwater world?

Where can I find the words
to make you see,
children playing together in the grass,
trees swaying in the breeze,
sea sparkling like a thousand diamonds?



En zo gaat het nog even door. Tja, als je je als dichter afvraagt hoe je moet beginnen, waar je de juiste woorden kan vinden en vervolgens weinig treffende beschrijvingen geeft die al ontelbare malen vastgelegd werden, kom je uiteraard niet op poëzie uit.
Critica Joyce Peters-McKenzie (van Saint-Vincent) was positiever over Zagers’ kunnen, maar die had een veel breder overzicht. Over het debuut ‘Images of me’, merkte zij namelijk op: “Images Of Me woos us like a meadow in springtime ... fresh, colorful, compelling, warm." Dat maakt pas echt nieuwsgierig naar ander werk van Zagers.

Het volkslied ‘Saba, you rise from the ocean’ van Zuster Waltruda (Cristina Maria Jeurissen) sluit dit deel van Saba af. Het is te vinden op de site www.sabatoerist.com. De laatste regels ervan zullen vooral voor toeristen die het eiland aandeden een bijzondere betekenis hebben:


Saba, Oh Jewel most precious,
In the Carribean Sea.
Mem’ries will stay of thy beauty,
Though we may roam far from thee.



Concluderend kan gesteld worden dat de gemiddelde kwaliteit van de gedichten die Klaas de Groot voor Saba opnam lager is dan die van de poëzie van de eerder besproken eilanden. Met vier i.p.v. zeven bijdragen zou het karaat hoger uitgevallen zijn. Maar dit boek heeft ook historische c.q. archiverende waarde en vanuit die gedachte is opname van alle besproken teksten dik in orde, op de eerste plaats voor de bewoners van de in zoveel opzichten gezegende Unspoiled Queen, zoals de mooiste en meest passende bijnaam van Saba luidt.


SINT-EUSTATIUS

Sint-Eustatius, genoemd naar de gezegende Eustachius, is sinds 10 oktober 2010 een bijzondere gemeente van Nederland. Het eiland is anderhalf keer zo groot als Saba en heeft een twee keer zo grote bevolking maar leverde met vijf teksten voor dit boek een kleinere bijdrage. Deze zijn van Rosabel Blake, Lolita E. Euson, Marcella Gibbs, Hein Roethof en Pieter A. van den Heuvel maar alleen het gedicht van Roethof is in het Nederlands.

Als drie van deze vijf teksten de naam Rodney bevatten, en telkens in een negatieve context, moet die wel een speciale betekenis voor Statia hebben, zoals de naam naar Columbus’ Isla de Santa Anastasia lokaal luidt. Ik herinnerde me, sinds lezing van een of ander boek uit m’n kindertijd, dat George Rodney (1718-1792) een piraat was maar het gaat feitelijk om een van de meest kundige bevelhebbers die de Britse marine ooit had, al vielen beide beroepen in zijn persoon wel degelijk samen. Hij was, ook in eigen kring, berucht vanwege zijn hebzucht, een eigenschap waar hij in kon zwelgen tijdens het uitvoeren van zijn taken. Een van de grootste schandalen rond de man, waarvoor hij zich in Engeland juridisch moest verantwoorden, was het zich toeëigenen van de schatten van Sint-Eustatius.
Wat was de situatie? Door de gestage achteruitgang van de Nederlandse economische macht op zee in de achttiende eeuw ten gunste van de Britse, was er veel kwaad bloed gezet. Geen wonder dat Nederlandse kooplui en avonturiers het vermaledijde Albion in het geheim probeerden te benadelen, o.m. door de rebellen in de Amerikaanse koloniën met raad en daad terzijde te staan, niet in het minst door wapenhandel. Het scharnier daarvan werd het toch al voor de handel zo belangrijke Sint-Eustatius, dat op het hoogtepunt van haar bloei ruim drie keer zoveel inwoners telde dan momenteel en enkele tientallen schepen per dag kon ontvangen.
Het eiland had al eerder de Britse woede over zich afgeroepen door het Amerikaanse USS Andrew Doria met saluutschoten te begroeten toen het Gallow Bays binnenvoer. Het was de allereerste keer dat de Amerikaanse vlag door een ander land werd geëerd. Dit feit speelde een rol in het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Engeland verklaarde de Republiek op 20 december 1780 de oorlog, de Nederlandse tegenverklaring volgde pas een half jaar later.
Om de wapenhandel te stoppen en tegelijk het eiland te straffen volgde op 3 februari 1781 de verovering van Sint-Eustatius door admiraal Rodney, die zich twintig jaar eerder al in de regio had onderscheiden met de verovering van Martinique. Een probleem voor hem was dat veel goederen in de magazijnen van Sint-Eustatius nog eigendom van Engelse handelaren waren. De door hen aangespannen rechtszaken dreigden hem de kop te kosten, totdat hij in 1782 gered werd door z’n beslissende overwinning op de Fransen in de Slag van de Saintes, waardoor Jamaica Brits kon blijven.

In dit kader bezien zal een aantal regels in de onderstaande gedichten duidelijker hun beslag krijgen. Het eerste gedicht, de lange ‘Freedom Song’ van Rosabel Blake, noemt Rodney ondanks haar historische opzet echter niet. Zij kiest duidelijk voor het belang van de onderdrukte bevolking en niet voor dat van de Hollandse bankiers- en koopmansgeslachten, die hun weelde juist over de ruggen van de zwoegende laagste kasten vergaarden.


FREEDOM SONG

We need to be free from the system of slavery
Yet we talk and talk and say to each other we blame the system,
for problems with neighbors and brothers. Freedom of freedom it’s what the people say.

We prefer to say it’s the White man’s fault for where we are today
Yes we talk and talk but not walk the walk that would lead us to equality
Yes we talk the talk but do not walk the walk the road of hard work and loyalty
We find the way, yes the easy way to blame others for the sorry state we are in.

Our forefathers toil and work real hard on the plantations for Massa without a cent.
They work from dawn to the set of sun, with little or nothing to eat.
They had no choice, I say no choice for they were slaves, Massa’s property.
No choice to say yes or no or a maybe wait or I don’t know.
They were herded to the market places like cattle’s on a market day.
The men were told yes told not asked to show their strength their teeth and their strong black hand.
The women like you and me were told to showcase their half naked bodies.
They bid for them like they were merchandise and were sold to the highest bidder I am told.

Father was taken from families as mothers stood screaming for their sons.
Their daughters were used by who so ever please.
They were used to produce more slaves, more slaves for Mr. Massa.
They were human beings yes human beings but slaves without a choice.
They were denied of their basic right to live and make a choice.
They were told that to be slaves is what God made them for, to be
slaves and to live in huts and be somebody’s property.
Oh my brother oh my sister the pages of history are painted in blood of the decades of slavery.
Countless died while making the trip on the trans Atlantic route, they were rooted up like vines when harvesting a crop, they were robbed of living free in Old Mother Africa.

As we turn the pages back in time it was a sad and awful day when the first trade ship
went to Africa, the set out traps to trap them then chained and shackled them,
they were thrown in the bottom of ships were they ate, slept and messed.
The strong survived the weak ones died on the long journey across the sea.
They were gone, yes gone, vanished without a trace.



Dit fragment, iets meer dan de helft, volstaat voor een beter begrip en ik bedoel dat niet alleen poëtisch.
Rosabel Blake gebruikt toepasselijk Afrikaanse invloeden in haar tekst, bijvoorbeeld de vertellende en ook bezwerende toon, alsmede de herhalingen en het zoeken naar instemming, die zo belangrijk voor de orale traditie zijn. De Afrikaanse waarden konden ondanks alle tegenwerking in Amerika deels aan een nieuwe toekomst beginnen door deze vorm van overlevering.
Je ziet dat de lyrische elementen aan belang inboeten door de verhalende toon en brede uitleg, iets wat in de Westerse moderne poëzie not done is. Hoe spannend is een gedicht dat uitgebreid uitlegt dat slaven hard moesten werken, van ’s morgens vroeg tot zonsondergang, weinig te eten kregen, geen keuze hadden om nee te zeggen omdat ze slaven waren, het bezit van Massa (de blanke overheerser) enzovoort? Het zijn dus de door Blake ingezette stijlmiddelen die haar tekst uit het proza redden. Haar relaas krijgt bovendien dankzij de opgeroepen dramatiek (die op tegenstellingen berust) en zeker de parallellie juist de kracht van een liedtekst. Probeer het gedicht maar eens voor te lezen, dan hoor je het vanzelf.
Je kunt je afvragen waar haar nadruk ligt: op de tegenstelling tussen zwart en blank of op die tussen daders en slachtoffers? De ene indeling valt niet naadloos samen met de andere. Ook zwarten stelden zich bijvoorbeeld maar al te actief op in de mensenhandel, vooral aan de Afrikaanse westkust.



Na de hierboven geciteerde fragmenten zet Blake zich aan de uitwerking van de eerste regels, waarin ze al door liet schemeren dat het thema van slavernij voor haar in een bredere context geplaatst moet worden:


Some say we need apologies or gifts in dollars and cents for the way our forefathers were treated when they were slaves without a choice.
What we need I say is to stamp out the system that keeps us enslaved today.
We were emancipated, the right to be free was won.
We were emancipated, but are we liberated is a question all should ask.
We gained the freedom to vote, write and read, but are we truly free?
The shackles of colonialism is still on us today.
We are told if you for me, you will see great changes I’ll make, wait and see.
But as we vote and they sit in the seat they forget all about us wait and see.



Deze wending heeft twee gevolgen; niet alleen klinkt Blake de slavernij van het kolonialisme vast aan de onvrijheden van onze eigen tijd maar tevens toont ze aan dat niet alleen zwarten daar het slachtoffer van zijn.


We are free yes free from the bondage of slavery.
But day by day we enslave ourselves to masters.
The Master called money a quick fix we say for we have to be like the others.
So we sell drugs we use it we push it on our boys and girls and tell them that it’s cool, you’ll make big money quick as a flash to buy the cars and the boats.
But we forget to tell them they’ll be enslaved and pay the price with their lives.



Blake ontkomt niet aan een hoge mate van moralisme maar weet ‘Freedom Song’, dat tien jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd, door de hierboven al aangegeven stilistische technieken en door de wisselende perspectieven toch de waarde van herleesbaarheid mee te geven. Veel sterker zou de tekst, zelf al deels muziek dus, overkomen als die door passende instrumenten ondersteund werd. Hoewel de dichteres er iets anders mee bedoelt, zijn haar slotregels ook in dit opzicht van belang:


And sing with might an dignity the song, our freedom song.

Lift every Voice and Sing.
Yes then and only then we will be free, yes truly free.



Eusons ‘Tis the tiniest dot on the map’ kent heel wat minder stilistische middelen. Wel is er spaarzaam toegepast eindrijm. De tekst, op de eerste plaats een lofzang op Sint-Eustatius, bestaat uit 6 strofen van elk 8 regels. Ik neem de laatste drie over, niet omdat daar poëtische hoogstandjes in voorkomen, integendeel, maar omdat we dan Rodney weer tegenkomen en daarmee een kijk op de band met het nabije Amerika, de bondgenoot van weleer, nergens anders in dit boek zo fervent bejubeld.


‘TIS THE TINIEST DOT ON THE MAP

St. Eustatius, once known as the Golden-Rock,
Has suffered a terrible fall;
Bur her grandeur, fame and glory,
Lives on in the hearts of all.
George Rodney, who caused her disaster,
Has long been dead and gone;
But tho’ poor and forsaken, our island still stands,
And for her a new day soon shall dawn.

For tho’ we’ve oft grieved o’er her desolate condition,
We have faith, so we’ll no longer complain;
For we believe by God’s grace, and America’s assistance,
St. Eustatius shall soon rise again.
We want to say to you people of America,
We’ve never regretted what happened that day;
And we are proud to realize that the name of St. Eustatius,
Shall forever be linked with our dear U.S.A.

And now, you loyal Statians all,
From home, or over seas;
Let ring your voices with our anthems,
Swelling on the breeze.
And may this day among all days,
By you considered be,
As the day when Statians met from all parts of the world,
To celebrate –, Our Bi-Centenary.



Marcella Gibbs betoont zich in haar ‘Be contented’ niet minder gelukkig met het eiland dan Euson. Ze zou graag zien dat het gros van de bevolking er net zo over denkt maar dat is niet het geval. En daar dankt haar tekst, bestaande uit 9 disticha met lange regels, z’n bestaan aan. Gibbs gebruikt in de laatste woorden van alle strofen binnenrijm: mind-time, much-up, Lord-long, cheat-peace, field-need, complain-brain, pass-gas, today-away en go-know. Méér dat qua klank, of beeldspraak, naar poëzie verwijst, is er niet te vinden. Haar slot ziet er als volgt uit:


Grumblers, murmurers, complainers which one are we advertising today?
Are we stressed out Statians complaining our time away?

Let us be happy citizens. Be contented wherever we go
Learn to live with each other and our lives we be happier I know.



En daar zijn dan alsnog de piraten uit mijn jeugdboeken! Hein Roethof publiceerde een halve eeuw geleden ‘Antilliaanse sonnetten’ waarvan er een aan Statia is gewijd.


ST. EUSTATIUS

Piraten en zeeschuimers maakten
u tot een oord van grote pracht,
als staten in hun voegen kraakten
steegt gij in aanzien en in macht.

Doch bleef er iets van al die weelde,
die edelstenen op uw kruin,
sedert het noodlot met u speelde,
uw pakhuizen herschiep in puin?

Sinds Rodney u heeft aangegrepen
en in Achilleshiel getast
verdwenen van uw ree de schepen
met hun zo waardevolle last
en rest er van uw oude trots
nog slechts de naaste: De Gouden Rots.



Wanneer ik die gemakkelijke, deels voorspelbare eindrijmen bekijk, geef ik toch de voorkeur aan de klankovereenkomst bij Marcella Gibbs. Ook andere zaken maken duidelijk dat Roethof ondanks z’n onderwerp allesbehalve een Slauerhoff was.
1) Roethof ziet ze als vertegenwoordigers van twee aparte categorieën maar daarvoor is het verschil tussen een piraat en een zeeschuimer te diffuus.
2) Edelstenen op een kruin? Bedoelt hij met kruin de top van The Quill (een Engelse verbastering van De Kuil)? Zou hij met edelstenen de vele geschutsopstellingen op het oog gehad hebben, waarvan er nog een heleboel te zien zijn, zij het veelal als ruïne? Of, ook mogelijk met een tolerante interpretatie, de aangespoelde blauwe steentjes die in de periode van de slavernij als betaalmiddel werden gebruikt? Als hij kruin fysiek bedoeld heeft, komt dat er niet duidelijk uit want de bebouwing van Oranjestad, inclusief tegenwoordig de aanpalende buurten, bevindt zich juist in het vlakke tussendeel van het eiland en daar stonden de volle pakhuizen en paleizen. Waarschijnlijk vereenzelvigt Roethof de berg met het hele eiland. De bijnaam ‘Gouden Rots’ geldt wel degelijk heel Sint-Eustatius. Op het sinds 16 november 2004 gebruikte wapen prijkt een gouden berg en dat goud verwijst nadrukkelijk naar de grote rijkdom die aan het eind van de 18e eeuw als vrijhaven was bereikt. Het wapen wordt bekroond door batterijen, zij het dat die een middeleeuwse vorm hebben, en omgord door blauwe kralen. Maar … was zo’n wapen, in een oudere versie, al eerder in gebruik, in de tijd dat de dichter actief was?
3) Het noodlot? Rodney voerde zijn aanval op bevel van hogerhand uit en slaagde op efficiënte wijze, want zonder geweld, in zijn opzet. De spaarzame schoten op de betreffende dag waren bedoeld voor het enig aanwezige Nederlandse oorlogsschip, de Mars, en dan nog eerder per ongeluk want de twee betrokken kapiteins werden door Rodney berispt wegens gebrek aan discipline. In feite wist nog niemand op het eiland van de oorlogsverklaring en was men niet paraat. Gouverneur De Graaff capituleerde om een bloedbad te vermijden. De verovering was een voorspelbare reactie op de stiekeme streken van de Nederlanders (de Engelsen hadden bijvoorbeeld een geheim verdrag tussen de Amerikaanse rebellen en de stad Amsterdam te pakken gekregen) en geen noodlot want dat is niet te vermijden. Dat Roethof zijn noodlot ook nog even wilde laten ‘spelen’ is een uitglijder van formaat.
4) Hoe is het mogelijk pakhuizen in puin te her-scheppen?
5) Iemand in z’n Achilleshiel tasten kan hoogstens een kietellach opleveren.

Daarmee zijn we aan het volkslied aangekomen, niet verrassend ‘Golden Rock’ geheten, van Pieter A. van den Heuvel. Een fragment:


Statia’s past you are admired
Though Rodney filled his bag
The first Salute was fired
To the American Flag
The freedom of a nation
Promoted by our Fort
American and Statian
Both praise for it our Lord

Golden Rock I’ll always miss you
When I am far from thee
Never ever I’ll forget you
Wherever I may be



SINT-MAARTEN

Klaas de Groot heeft ernaar gestreefd behalve zoveel mogelijk literaire kwaliteit ook genoeg locale kenmerken per eiland te bieden. Wat jammer daarom dat de dubbele identiteit van Sint-Maarten, toch het in veel opzichten belangrijkste Bovenwindse eiland van de drie met Nederlandse banden, niet aan bod komt in de anthologie.
De Collectivité de Saint-Martin heeft een oppervlakte van 53 km², het land Sint-Maarten 34 km². Daar staat tegenover dat het koninkrijksdeel bijna 40.000 inwoners telt en het Franse 33.000. De meeste wonen in de hoofdstadjes Marigot en Philipsburg.
De voertaal van beide gebieden, die gescheiden worden door een tien km lange en niet al te functionele grens, is het Engels en dat verklaart waarom vier van de vijf bijdragen van Sint-Maarten in die taal zijn geboekstaafd.

Het eiland heeft een lange historie. Al duizenden jaren voor de westerse jaartelling was het gebied bewoond, vanaf de 9e eeuw voornamelijk door de Arowak-indianen en vanaf de 14e door de Cariben, naar wie de omringende wateren zijn genoemd. Hoewel Columbus het eiland voor Europa in zicht bracht, waren de eerste Europeanen die zich er vestigden Fransen en Nederlanders. Ze werden gelokt door het lucratieve zout. In 1648, enkele jaren nadat de Spanjaarden hun claims opgaven, kwamen de Fransen en Nederlanders met het Verdrag van Concordia een deling overeen, die echter pas in 1817definitief werd geëffectueerd.

Economisch van belang is dat het zout plaats maakte voor toeristen, vooral Amerikaanse bezoekers die meestens per cruiseschip arriveren. Poëzie hebben sommige van deze welkome gasten zeker geschreven maar niet achtergelaten. De betere gedichten zouden een evenzeer welkome bijdrage aan ‘Vaar naar de vuurtoren’ hebben kunnen opleveren maar ja, vind ze maar eens.
Max Niematz (º1942, Tilburg) liet wel een gedicht na, een tweedelige tekst zelfs onder een Latijnse aanduiding. Het is het enige Nederlandstalige aandeel. De andere teksten zijn van Danny Hassell, Drisana Deborah Jack, Wycliff Smith en Gerard Kemps.

‘In salute to our flag’ van Danny Hassell, het eerste gedicht, zou uitstekend functioneren als volkslied en dat niet alleen omdat hij het heeft over een refrein, saamhorigheid, zang en een vlag. Zijn liefde voor het eiland doet hem ook consequent Land en Nation met een hoofdletter weergeven. Het leidende sentiment geeft aan dat het leven vroeger vreedzaam en harmonieus was en de vooruitgang alleen maar tranen opleverde. In de slotstrofe spreekt hij de hoop uit dat een nieuwe banier meehelpt een eind aan de onderlinge verdeling te maken. Dat klinkt nogal mak en clichématig allemaal. Is Hassell in staat met beklijvende beelden en een authentieke verwoording zijn particuliere gevoelens en gedachten om te zetten in poëzie?


IN SALUTE TO OUR FLAG

We have taken so much for granted
Even this Land where our roots are planted
This Land where past generations toiled
While giving each other a helping hand

Then progress came and over the years
It cost us oh so many tears
But a friend came along one day
With a song to wipe our tears away
To impress in us as we grow
That the best prize in hand
Was our sweet St. Martin Land

And today a refrain in union we may sing
For a new banner of Nation hails in the high wind
It is thy flag of unity, let it fly
So that the seeds of division may die.



Het zou best kunnen dat hij naar het volkslied verwijst, het ‘O sweet Saint Martin’s Land’ van Gerard Kemps, dat de reeks van vijf in dit boek besluit. Ik kom daar hieronder op terug.
Om bovenstaande vraag te beantwoorden: nee! Als enig technisch middel dat eventueel naar een beetje poëtische verheffing zou hebben kunnen voeren, zien we een handvol eindrijmen: granted-planted, years-tears, day-away, hand-land en fly-die. Hun associatieve kracht in de verwachting van de lezer blijft echter veel groter dan hun evocatieve verrassing in diens verlangen. Van verrassing is zelfs helemaal geen sprake. In plaats van een gedicht vormen deze regels een melancholische verzuchting, opgetut met een toefje hoop. Dit betekent niet dat ze geen enkele waarde voor de bewoners van Sint-Maarten kunnen hebben maar die zullen dan wel vanuit hun eigen chauvinisme moeten lezen.

Het doet goed in het volgende gedicht, ‘waterpoem 2’ van Drisana Deborah Jack juist de elementen te herkennen die Hassells stuk zozeer ontbeert, zijnde een dartele beeldspraak, spontane en originele zegging en een pakkend ritme. Het kan er mee te maken hebben dat de dichteres ook beeldend kunstenaar is. Met evenveel recht mag beweerd worden dat beide disciplines, zich parallel ontwikkelend, voortkomen uit een bewogen gemoed dat zich artistiek moet uiten. Jack werd weliswaar in Nederland geboren, in 1970 te Rotterdam, maar plaatst zich als dochter van Antilliaanse ouders nadrukkelijk in de cultuur van de Caraïben. Haar thema’s zijn naar eigen zeggen: een transcultureel bewustzijn, de nawerking van het kolonialisme en het oproepen van mythische krachten door middel van eigen en andermans herinneringen. Ook qua stijl en middelen wil ze zich bepaald niet beperken, het liefst verbindt ze alles.


WATERPOEM 2

i live on another island
not my own
locked in childhood memories
me a girl green
my island lush as well
we were green together
the smell of tomorrow was ripe
bright like the sun
over a Cole Bay road at noon

when you were named Soualiga
by the first-borne-here children
salt foam smiling around a bright blue pond
Great your smell cloaking the land
the sea a lover whose caressing waves
yearn for permanence / communion
you meet and retreat in
a timeless seduction
the moon an unwilling voyeur
to your tidal romance





Overal wordt de taal als spel ingezet zoals, om maar enkele voorbeelden te geven, in de tegenstellingen tussen stabiel en mobiel (‘locked’ en ‘cloaking’ versus ‘meet and retreat’), in de personificaties (‘salt foam smiling’, ‘the sea a lover’, ‘the moon an unwilling voyeur’), synesthesie (‘the smell of tomorrow was ripe / bright like the sun’) en in de lust tot het hervormen van woordgroepen (‘the first-borne-here children’) en zinsvolgorde (‘me a girl green’). Er is muziek, er is plezier, er is kortom leven!
In ‘Waterpoem 2’ zijn haar keuzes en werkwijze duidelijk te herkennen: de jeugdherinneringen, de weelderige natuur, het samenvallen van meisje en eiland (vooral in ‘we were green together’) en, meteen al in het begin, de gelaagdheid en meervoudige duiding. Het andere eiland kan namelijk heel goed hetzelfde gebied betreffen; het is de tijd en het zijn de ervaringen die er in de beleving twee van maken: het Sint-Maarten van vroeger en dat van nu. Hoeveel intelligenter behandelt Jack dit contrast dan Hassell. De tweede regel kan doorlopen in de derde maar dat hoeft niet. Het ontbreken van leestekens, behalve de hoofdletter in ‘Great’, geeft het gedicht zodoende een extra grote plasticiteit.
Met ‘Soualiga’, dat maar heel weinig Nederlandse lezers en zeker ook niet alle Antilliaanse zullen kennen, wordt ‘zoutland’ bedoeld. Het komt uit de taal van de Caribische indianen. Daarmee brengt Jack niet alleen lagen van het heden en het verleden aan maar tevens van meer tijdsperspectieven. Er is het eiland van nu, het eiland uit de kindertijd en dat van een volk van eeuwen geleden. Daarnaast maakt ze de geur van morgen rijp en helder, dus de laag van de toekomst uitnodigend lekker. Je kunt dit op zich eenvoudig weergegeven gedicht op verschillende manieren lezen maar ontkomt er niet aan het vooral als een liefdesbetuiging over te nemen!

Hoe goed gaat ‘waterpoem 2’ over in ‘Cedrus Tintamariana’ van Max Niematz (º1942, Tilburg), die een paar jaar op het eiland doorbracht en er, wat niet veel mensen zullen weten, zelfs z’n allereerste gedichten schreef. Bezingt Jack een helder blauwe vijver die omgeven wordt door zout schuim en de zee als een minnaar of minnares als tekens van leven, Niematz bezweert de dood aan de Noordkaap:


CEDRUS TINTAMARIANA

I

Wind van de noordkaap tussen
de wervels , lig ik in het
zwartste zwembroekje des doods
beenwit te zijn onder een ceder.

Mensen zijn nog niet uitgevonden.
Zelf ben ik een schoonheids-
foutje in een wereld, die bewolkt
wordt door eilanden en wolken.

Maar alles heeft al zijn
mondigheid. Alles spijst zich
aan eigen honger. De zee vooral,
niets is zozeer zichzelf voldoende.


II

Als een kluizenaarskrab lig ik
te overleven, terug in de tijd.
Maar er bestaat geen geheugen.
Wolken laten geen sporen na.

Hoe mijn hals ook reikt naar
het oude, alles is onverzadigbaar
nieuw. Elke salamander heeft
zijn volk, zijn vluchtwegen.

Als een vleermuis keer ik terug
naar mijn heiligdommen. Een ceder
beweegt. Een willoos jacht
passeert met killende zeilen.



De wind jaagt tot tussen zijn wervels. Mooi! Als motief gebruikt hij een zwarte zwembroek, de zwartste zelfs, en dat is ook een goede vondst want die bedekt zijn persoonlijke ceder, zijn stamboom, zijn voortplantingsorgaan. ‘Beenwit’ slaat niet alleen op de melkflessen van een westerling maar ook op botten.

Wat jammer dat de tweede strofe dit hoge niveau niet kan vasthouden. De gedachte dat de zuiverheid van de elementen aangetast wordt door de mens is allesbehalve origineel maar past nog enigszins bij de opening. De sprong van dood naar schoonheidsfoutje is echter te groot, daarmee valt Niematz uit z’n eigen gedicht. Het beeld van een wereld bewolkt door eilanden en wolken is evenmin geslaagd omdat de overlapping sterker werkt dan het beoogde verrassingseffect.

De derde strofe is weliswaar beter maar gaat mank aan de combinatie van het verbindingswoord ‘maar’ en de zee, die immers tot die elementen behoort die de zuiverheid bepalen. Anders gezegd, als Niematz de puurheid van de natuurkrachten respecteert en bewondert, kan hij niet meer de zee gebruiken bij de aspecten die daar haaks op staan, laat staan die op de eerste plaats zetten en zozeer zichzelf voldoende laten zijn. De weeffout is dus het tegenstellende voegwoord.





In het tweede deel van het gedicht gebruikt de dichter ineens drie diersoorten: een krab, een salamander en een vleermuis. Onomwonden vereenzelvigt hij zich met minstens twee ervan. Hoe functioneel is dat?
Bedoelt hij met kluizenaarskrab een heremietkreeft? Hoe dan ook, wanneer je de samenstelling losmaakt heb je twee zinvolle betekenissen: een kluizenaar of heremiet is iemand die afgezonderd wil zijn, zich wil toeleggen op het wezen der dingen en zichzelf, en een kreeft van die naam staat erom bekend lege schelpen van andere dieren als kluis te gebruiken. Niematz’ evocatie van de eenzame man op het strand past goed bij het eerste, een krab die ligt te overleven niet direct bij het tweede want de man heeft geen bescherming anders dan, eventueel. de zwembroek. Daarnaast, bestaan er krabben zonder eigen schild? Nader onderzoek leerde me dat sommige krabben tijdelijk zonder kunnen, ze werpen dan een niet meegegroeid schild af en wachten op een beter passend exemplaar. In die tijd zijn ze natuurlijk zeer kwetsbaar.
De krab en kreeft staan symbool voor oeroude diersoorten die hebben weten te overleven en dat besef vormt een mooie zwaai naar het begin van het gedicht waar de dood domineert. Ook de toevoeging ‘terug in de tijd’ geeft stof tot nadenken. Kan dat, terug in de tijd overleven?Normaal gesproken is overleven op de toekomst gericht. Het kán, als je ervan uitgaat dat er ontelbare momenten zijn geweest dat het bestaan van de soort op het spel stond. Niematz verwijst dan naar die kritische fasen in de evolutie. Tegelijkertijd wordt deze gedachte onmogelijk gemaakt omdat er geen geheugen bestaat. Ook in dit opzicht past ‘Cedrus Tintamariana’ bij ‘waterpoem 2’ van Drisana Deborah Jack, die er juist alles aan gelegen is het geheugen te activeren. Als in dit rijtje van vijf achternamen de N niet op de J volgde, had De Groot ze zeker alsnog bij elkaar geplaatst.
Maar, als er geen geheugen bestaat, hoe kan het personage zijn hals dan reiken naar het oude? Niematz maakt het de kritische lezer niet gemakkelijk met al die tegenspraak.
Wat doet de salamander in het gedicht? Salamanders behoren tot de groep van gewervelde dieren (Niematz rept in regel 2 over z’n eigen wervels) en zijn amfibische wezens (Niematz ligt op de scheidslijn van land en zee). De officiële naam is Caudata en dat betekent ‘staartdragend (voor nog meer overeenkomst hier kunnen we hoogstens Niematz’ bedekte geslacht inzetten). De populaire benaming is afgeleid van het Perzische ‘sām andarūn’, dat ‘innerlijk vuur’ beduidt. Zou de dichter hiermee een bedoeling hebben gehad. Mogelijkheden te over. Er is, eventueel, maar één probleem. Op Sint-Maarten komen geen salamanders voor! Hoe anders is dat voor de vleermuis, die in maar liefst acht soorten tegelijk op het eiland aanwezig is!
Wat deze drie dieren gemeenschappelijk hebben is de behoefte aan duisternis en beschutting en de bekendheid met meerdere domeinen zoals water-land en binnenwereld-buitenwereld. Geldt dat voor het opgeroepen personage? Jazeker, de man ligt op het strand én in de schaduw. Maakt het nog iets uit dat het de schaduw van een ceder is? De titel doet zulks vermoeden. De ceder hoort thuis bij de coniferensoorten, waartoe we ook de dennen en sparren rekenen. Enkele kenmerken van deze boomsoort die het vers extra diepte kunnen verlenen zijn o.a. de duurzaamheid van het hout, dat goed bestand is tegen verrotting, en de beschermingslaag op de naaldvormige bladeren tegen uitdrogen.
In zijn slotwoorden laat Niematz met een goed gevoel voor timing en enscenering de boom (hier dus een voorbeeld van een overlever) in de wind van het leven die ons vaak stuurloos maakt (verbeeld door een willoos jacht) opnieuw in beweging zien. Wat past dit alles mooi ineen: mens, boom en dieren in een verbond op leven en dood! Deze dichter weet hoe hij met symbolen en timing om moet gaan. Dat andere poëtische deugden daarbij achterblijven is daarom al minder erg.

De voorlaatste tekst is van Wycliffe Smith (º1948, Saba), die we al eerder op zijn geboorte-eiland tegenkwamen. Net als in het gedicht daar, ‘My Island’, gaat hij in ‘The Great Salt Pond’ (eveneens goed aansluitend bij de tekst van Drisana Deborah Jack) van beschrijvingen van een onbezoedelde situatie over in het signaleren van misstanden en gevaren. De laatste vier strofen:


Once teeming with
salt / pickers and
healing virtue

The salt Pond now lies
wasted and sad
in the margin of traffic
construction and dollars

Her beauty marred
by the rubble of
the sanitary fill
smoked away in the
smoldering garbage
nauseous odours drape
over her rippling mirror

The sun reveals her wounds
inflicted by a thoughtless
accelerated economy
Her beauty now depends on
reflections of hills
lights and buildings on
her deserted borders.



Er is een grote kans dat Smith regels abrupt laat eindigen op voorzetsels en een enkel lidwoord en voegwoord om de verminking aan te geven waar het gedicht inhoudelijk op uitloopt. Zijn gedichten gaan meestal niet diep maar haken zich wel vast in nog andere belangen dan de puur literaire.

De Groot laat de bijdragen over Sint-Maarten eindigen met het volkslied. Dit stuk uit 1958 is geschreven en gecomponeerd door dominee Gerard Kemps, maar werd in de omgangstaal vastgelegd:


O SWEET SAINT MARTIN’S LAND

Where over the world, say where:
You find an Island there,
So lovely small with nations free,
With people French and Dutch,
Though talking English much,
As thee Saint Martin in the sea?

Chorus:
O, sweet Saint Martin's Land
So bright by beach and strand
With sailors on the sea
and harbours free;
Where the chains of mountains green
Variously in sunlight sheen;
O, I love thy paradise,
Nature's beauty fairly nice! (twice)

How pretty between all green
Flamboyants beaming gleam
Of flowers red by sunlight set!
Thy cows and sheep and goats
In meadows or on roads,
Thy donkeys keen can't I forget

Chorus

Saint Martin, I love thy name,
In which Columbus fame,
And memories of old are closed.
For me a great delight:
Thy Southern Cross the night.
May God the Lord protect thy coast!

Chorus



Het is, op de voorlaatste regel na, een optimaal heldere tekst, die zeker prettig te zingen is. Hoe kort hij nog maar bestaat, er zijn al allerlei veranderingen in opgetreden. In een van de vroegste versies bijvoorbeeld was er nog sprake van de Nederlandse naam.


SLOT

Alle teksten in ‘Vaar naar de vuurtoren’ werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments tevens, op enkele na, in vertaling, de Engelse om begrijpelijke redenen niet.

Het resultaat is hoe dan ook een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!


VAAR NAAR DE VUURTOREN – GEDICHTEN OVER EILANDEN. Samenstelling en redactie: Klaas de Groot. Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN: 978-9062-656585.€ 18,50

De Verborgen Hoek, no. 12, januari 2011


REACTIES:

Albert Hagenaars publiceert zijn langere recensies sinds enige tijd op dit weblog, De Verborgen Hoek, dus. Hij leverde fraaie artikelen over werk van Frank Pollet en over de "eilandgedichten" uit het verre westen.
CHRETIEN BREUKERS, De Contrabas, 19-01-2011.


De poezie van de Antillen had ik gelezen. 'Paradise Lost' van Giselle Ecury vond ik heel mooi. Zo zullen er veel kinderen zijn, die de wereld van hun jeugd ook letterlijk moeten loslaten om elders wat geluk te vinden.
CATHARINA BAGGERMANS, 21-01-2011.

Ik denk dat we er allemaal van dromen om ons eens op zo'n Bovenwinds (Beneden- ook goed) te laten uitwaaien! Poëtische groet.
MARK MEEKERS, 11-02-2011.

Natuurlijk heb ik genoten, en nóg, van de Bovenwindse en Benedenwindse eilanden, temeer omdat vooral Bonaire bij mij leuke en mooie herinneringen oproept. Zeker de vuurtoren, die in een prachtig natuurreservaat ligt.
RICHARD DE WEERT, 13-02-2011.

Ik kijk en lees niet alles wat je stuurt uitputtend hoor. Maar de poëzie-recensies die je schrijft, lees ik altijd. Ik vind ze erg goed. Mooi ingezoomd qua inhoud en vorm. Ik leer er van.
COOTJE HOUDIJK, 03-03-2011

Een mooi stuk! Ik ben zo vrij geweest het door te sturen naar een oud-studiegenoot op Curaçao. Hij is directeur van het bureau voor het Papiaments, geeft les aan de universiteit van de Antillen, schrijft schoolboeken mee, etc. Hopelijk vind je het goed. Hier is het redelijk rustig. Ik heb wel het Bossche Schrijverscafé opgericht dat samenwerkt met de bieb. Groetjes!
GERARD MONTÉ, 18-08-2011

vrijdag 31 december 2010

FRANK POLLET - aLDiDa


EEN POETISCH DRIEBANDENSPEL

Kanttekeningen bij ‘aLDiDa’ van Frank Pollet. Door Albert Hagenaars.

INLEIDING

Wist Frank Pollet in 2000 al dat ‘LaDiDa’, de bundel die hij dat jaar publiceerde, onderdeel van een trilogie zou worden? Indien wel, dan zal het toch op de eerste plaats een voornemen geweest zijn want een dichter die de eigen ontwikkeling belangrijk vindt, kan inhoudelijk vooruitkijken maar poëtisch niet echt zinnige uitspraken over later werk doen. Tenzij –alle soorten voorbehoud zijn belangrijk voor Pollet- hij zich niet meer wil laten verrassen, en daarmee een belangrijk element in het scheppingsproces uitschakelt. En daar kan bij hem geen sprake van zijn.
In 2004 verscheen ‘DaLiDa’, dat duidelijk voortbouwt op ‘LaDiDa’, maar dit niet alleen vanwege de overeenkomende titel en indeling, en in september 2008 ‘aLDiDa’. Voordat ik de trilogie integraal recenseer, wil ik deze slotbundel net als de beide voorgangers op z’n eigen merites beoordelen. Bladerend in het boek is al wel duidelijk dat de dichter er qua vorm en stijl mee aansluit bij de beide voorgangers maar zich inhoudelijk flinke slalommen toestaat. Die vormen dan de manoeuvres die hij een decennium eerder niet voorzien zal hebben.


II HET OPENINGSGEDICHT

‘Spring uit het rijm, zoals een jonge dichter,’ schrijft Pollet in het begin van ‘aLDiDa’. Een treffend begin, zonder meer, maar tot wie richt Pollet zich hier eigenlijk? Of moet ik zeggen Clovis, de naam die de titel vormt van de eerste van de drie cycli? Hoe minder je nadenkt, hoe aannemelijker je dat de lezer zult vinden. Maar waarom zou die, vooral een consument toch, uit het rijm moeten springen als een jonge dichter? Nee, het sprekend personage lijkt eerder tot zichzelf te spreken, zichzelf een resem opdrachten te geven want het eerste gedicht bestaat grotendeels uit imperatieven.


SPRING

Uit het rijm, zoals een jonge
Dichter, slinger lijk een stroom, loop
Als uit de kraan en als of

Er slechts één schoonheid te onthouden
Valt. Blaf. Schiet. O verhoop
Wie nooit zelf tot stof

En as bereid zal zijn. Snauw
Alle mannen af. En koester malse hoop
Nu vol in handbereik. Alors. Letmiego!


Al in regel 2 tast Pollet de regels van de taal aan door ‘lijk’ en niet ‘gelijk’ te schrijven, wat trouwens altijd nog een archaïsche wending zou geven. In regel 3 wordt het beeld ‘uit de kraan lopen’ ontregeld door ‘als’ en komt datzelfde woord terug als deel van het voegwoord alsof, waarvan het vergelijkende gevolg in de tweede strofe doorloopt: als of // er slechts één schoonheid te onthouden / valt.

Welke serieuze lezer zou nog onbevangen doorlezen? We weten nu dat we te maken hebben met een dichter die ons al in de eerste strofen confronteert met regels die dwingen na te denken over woorden en beelden die zich juist lijken te willen onttrekken aan enige vorm van uitleg. Dat roept echter meteen de vraag op wat voor zin zulks zou kunnen hebben, anders dan plezierig gepuzzel. Een mogelijk antwoord luidt: het aantonen van de autonomie of, beter misschien nog, het primaat van de poëzie. De oproep van het begin is in elk geval bewaarheid geworden: Pollet is uit het rijm (symbool van een van de regels van traditionele poëzie) gesprongen. Dus is het aannemelijk dat er poëzie moet volgen die nieuw is. En ja hoor, in dit opzicht is Pollet volstrekt voorspelbaar: die volgt, althans in zijn eigen oeuvre!

Komen met een nieuwe poëziefase is één ding. Bepalen wat de waarde daarvan is, is een tweede. Bekijken we de meest opvallende technische elementen van dit eerste gedicht, dan zien we in regel 5 opnieuw een gespleten woord, dat als eenheid ‘overhoop’ bij ‘schiet’ past en als persoonsvorm ‘verhoop’ wel een in zichzelf besloten betekenis heeft maar doodloopt op de volgende zin. De tweedeling is dus eerder een aardigheidje, hoogstens boeiend als aankondiging van wat in de bundel nog kan volgen. Het helpt de lezer extra waakzaam te maken. Tenzij, ja tenzij het voorvoegsel ver- een Polletse lading toebedeeld heeft gekregen. Denk aan gaan-vergaan, maken-vermaken, (reductie) of kopen-verkopen, huren-verhuren, (contrast). Tot een etymologische knal leidt dit niet, hoogstens een te verwaarlozen dof plofje.

In de regels 6 en 7 laat de dichter een activiteit achterwege maar dat fragment valt gemakkelijk aan te vullen, bijvoorbeeld: ‘Wie nooit bereid zal zijn zelf tot stof en as over te gaan’. In de slotregel trekt de combinatie van ‘vol’ en ‘handbereik’ (waar het gebruikelijke ‘binnen’ weggevallen is) de aandacht en noteert de dichter de Engelse woorden ‘let me go’ als één woord dat, zij het niet 100% consequent wegens de g, weergegeven wordt zoals de uitspraak klinkt. Maar waarom dan niet ook ‘alloor’? Waarom wel het Engels aanpassen en het Frans niet? Het antwoord volgt!

Nu eerst echter een ruimere inhoudelijke benadering van dit openingsgedicht. In elk van de drie strofen staan bevelen. Zou er een of andere overeenkomst, eventueel dan ook drievoudig, te onderkennen zijn? In strofe 1 lijkt dat het geval met een reeks imperatieven die alle een beweging delen: ‘spring’, ‘slinger’, ‘loop’. In strofe 2 zijn er twee die elk een vorm van agressie uitbeelden: ‘blaf’, ‘schiet’, plus, afhankelijk van de gekozen betekenis, drie want dan komt ‘verhoop’ er nog bij, dat thematisch niet past bij de andere twee (een reden temeer om niet mee te gaan in Pollets extra optie). In strofe 3, wederom afhankelijk van de persoonlijke keuze, twee of drie, respectievelijk: ‘snauw’ en ‘koester’, of ‘snauw’, ‘koester’ en ‘let’. Kennen die binding? Ik dacht het niet! Er is wel sprake van een al dan niet bedoelde tegenstelling, maar dat Engelse woordje blijft natuurlijk knellen, tenzij je zo ver wilt gaan er een driedeling in te zien: negatief, positief, neutraal, of ook: afstoting, aantrekking, loslating. Wie dit te ver vindt gaan, mag echter niet vergeten dat Pollets trilogie, in omvang weliswaar beperkt maar in verdichting duizelingwekkend complex, qua vorm eerst en vooral een monument van drievuldigheid is. Zoals ik in mijn bespreking van de eerste delen van de trilogie, ‘LaDiDa’ en ‘DaLiDa’ plus van de daaraan parallel ontstane bundel ‘Drie Theremins’ aangaf, is het cijfer drie voor Pollet in het afgelopen decennium een heilig getal. Deze bundels bestaan namelijk uit drie afdelingen met gedichten die uit drie terzetten bestaan (zij het dat die in ‘Drie Theremins door een apart staande slotregel gevolgd worden, die tegelijk als opening van het volgende gedicht fungeert). ‘Drie Theremins’ past bovendien een poëtische ingreep toe op leven en vooral gedachtegoed van jawel, drié kunstenaressen.

We gaan nóg wat ruimer in op de inhoud. ‘Spring uit het rijm, zoals een jonge dichter’, zegt Pollet maar klopt deze vergelijking eigenlijk wel? Ik meen van niet want dan zou je ervan uit moeten gaan dat jonge dichters op een andere manier het rijm ontspringen dan oude dichters, wat niet het geval hoeft te zijn, en ervan uit kúnnen gaan dat alle jonge dichters uit het rijm springen, terwijl ik ze toch niet graag de kost zou geven, al die traditioneel en soms helemaal niet onverdienstelijk rijmende jonge dichters.
‘Slinger lijk een stroom’ Een stroom is hier natuurlijk een rivier, een krachtig symbool van leven, levendigheid maar waarom roept Pollet tevens het beeld van een dood lichaam op? Alleen maar om een contrast te hebben voor dat kenteken van leven(digheid) en continuïteit? Dat is toch niet nodig?
Een slingerende rivier contrasteert ook al met water dat uit de kraan loopt maar bepaald niet op een voor Pollets vermoedelijke bedoeling voordelige wijze. Water dat uit de kraan loopt is namelijk maar een flauwe afspiegeling van water in beweging. Ik houd het op een slecht gekozen en daarom falende beeldspraak. Maar we zijn er nog niet want alle drie de bewegingen, niet alleen deze laatste, kunnen verbonden worden met ‘als of er slechts één schoonheid te onthouden valt.’ Het is mogelijk deze zin zodanig te interpreteren dat de bewegingen in hun essentie een schoonheid bezitten die zo sterk, zo dwingend is dat alleen deze het waard is om in tijd bewaard te worden. Daarmee overstijgt de idee van de soort beweging alle ontelbare waarneembare verschijningsvormen die elk op zich uiteraard ook een vorm van esthetisch beleving mogelijk maken. Zo ken ik Frank Pollet wel, zoekend naar puurheid, strevend naar essentie.
Langzaam maar zeker valt in dit gedeelte van het vers alles op z’n plaats want nu wint, duidelijker dan bij eerste lezing, de breuk tussen ‘als’ en ‘of’ aan belang. Er is namelijk een groot verschil tussen: ‘Eet als je honger hebt’ en ‘eet of je honger hebt’.
Nu blijkt dat de dichter, met zo’n simpel foefje, één spatie extra maar, een grote verschuiving in de tekst teweegbrengt, die als het ware verdubbelt. Ineens weet je niet meer of het tot dusver moeizaam vergaarde inzicht in zijn gedicht nog wel uitgangspunt kan zijn. Nee dus. Andermaal ontglipt de dichter het net dat zich om zijn woorden scheen te sluiten, sprong hij uit het rijm van de lezer! En zo ken ik Frank Pollet ook nog wel, spelend in de driehoek van dichter, lezer en gedicht, die elkaar weerkaatsen en beïnvloeden.

‘Schiet. O verhoop / Wie nooit zelf tot stof / En as bereid zal zijn.’ Deze zinsnede is toegankelijker, kun je parafraseren tot respectievelijk: ‘Schiet neer wie zelf nooit grote risico’s zal nemen.’ (zonder inachtneming van de extra spatie) en ‘Schiet. O. Stel niet je hoop op wie zelf nooit tot het uiterste zal gaan.’ (met respect voor de spatie). Het is dan geen grote stap om tot de conclusie te komen dat Clovis die bereidheid wel degelijk heeft, of de dichter zelf natuurlijk, die zich in de taal niet zal inhouden.

Moeilijker is ‘Snauw alle mannen af.’ Hier zijn teveel vragen. Wie moet alle mannen afsnauwen? Waarom moeten alle mannen afgesnauwd worden? Moeten vrouwen niet afgesnauwd worden? Na het overhoop schieten is afsnauwen bijna iets onbelangrijks. Dit zijzinnetje is een impasse. Terug…

‘Koester malse hoop / nu vol in handbereik.’ Dit is, gelukkig, weer gemakkelijker. ‘Malse hoop’ duidt op hoop van goede kwaliteit, die ook nog eens tastbaar is. Geef dan maar toe aan de hoop: welnu, laat me gaan.
Het Franse ‘alors’ is niet vreemd als de stamvader van de Merovingers aan het woord is, of in beeld komt. In het negende en laatste gedicht van de eerste afdeling staan enkele verwijzingen naar Clovis: ‘gedoopt met water uit de vont’, ‘en raadde vis noch vlees’, ‘nam hij zichzelf in rijm. En Reims. En bintenis.’Daarmee zijn we terug bij de christelijke thematiek, die vaak Pollets aandacht heeft. Mét hem kun je je afvragen wat de staat van het christendom in Noordwest-Europa zou zijn, had deze Clovis, over wie zo weinig bekend is, zich niet laten bekeren.

‘Alors’ mag dan niet vreemd zijn, het hoe dan ook Engels klinkende ‘letmiego’ is dat wel. Het drukt uit dat het subject verhinderd wordt om te gaan. Door wie? Ik kies voor de mogelijkheid dat de lezer bedoeld wordt, die immers de dichter eerder ophoudt dan stimuleert. Clovis ging over tot een nieuw geloof, nodig voor een sterkere militaire coalitie, de dichter tot een nieuwe poëzie waar hij in gelooft.
Moet Clovis, gesteld al dat hij aan het woord is, iets zeggen in een nieuwe taal zoals hij het hoort? Maar waarom dan toch moet dat Engels zijn? Heeft het er iets mee te maken dat dit samenraapsel van dialecten niet alleen de taal van de huidige supermacht is maar ook, in het verlengde daarvan, de mondiale lingua franca, en als gevolg daar dan weer van, een taal die opnieuw uiteenvalt?
Zou ‘alors’ met Clovis van doen hebben, dan ‘letmiego’ wellicht met de popzanger Elvis Presley, naar wiens voornaam de derde afdeling genoemd is. Het blijft nog steeds gissen.

Met het bovenstaande hoop ik duidelijk te hebben kunnen maken wat zoal enkele mogelijkheden en onmogelijkheden van de poëzie van Frank Pollet zijn. Je kunt bij elk van de 27 gedichten een dergelijke format van vragen en veronderstellingen invullen maar dan nog ontgaat veel je, zeker in de horizontale verbanden, de vele, vele woorden en beelden die elkaar in de bundel zoeken, vaak over gedichten heen.


III COMPOSITIE EN MOTTO

Uitzoomen nu: zoals gezegd bestaat de bundel uit drie afdelingen van elk drie maal drie verzen en elk daarvan drie maal drie strofen. Deze derde titel, ‘aLDiDa’, kent net als ‘LaDiDa’ en ‘DaLiDa’ drie lettergrepen die variaties op elkaar zijn. De afwisseling van kleine letters en hoofdletters hangt af van de vraag of het klinkers of medeklinkers betreft. Zou je denken. Maar in ‘Koude kermis’, gedicht 5 van afdeling 2, staat de regel (let op de laatste m): ‘[ZeGTeReuSDieKoMTeReuSDieKomT]’ Is dat een typefout of de spreekwoordelijke uitzondering? Springt Pollet hier uit zijn eigen stramien? Daar kom je niet achter.

De titels doen denken aan muziek, stukjes opvulling in de tekst, eventueel de Franco-Italiaanse zangeres Dalida. Het inleidende motto van deze bundel moedigt deze gedachte aan, het luidt:

La la la
la la la la la
la la la
la la la la la
I just can’t get you out of my head


Dit komt uit een liedje van Kylie Minogue. Het vrijblijvende gelala krijgt hier een neurotische ondertoon, wijst op dwangmatigheid. Dat Pollet dit belangrijk vindt, wordt bewezen doordat hij erop terugkomt, in ‘Hete brok’, gedicht 9 van afdeling 2. De slotregel luidt namelijk:
‘LalalaLalalalalaLalalaLalalalala’, zeise, ‘ik krijg je niet uit mijn kop.’ Ditmaal zijn de aanhalingstekens, en terecht, van de dichter.
Vrijblijvend is het dus allerminst maar daarmee krijgen de inmiddels niet meer door spaties gescheiden la’s nog steeds geen betekenis. Ze zijn afhankelijk van een mentale gesteldheid, brengen die in kaart, vervangen beeldspraak of directe uitleg.
Heeft Pollet het over z’n eigen tot op de spits gedreven dichten? Is het een credo: moet een dichter tot het uiterste gaan, eventueel tot betekenisloos gezang, gestamel? Gezien de aansporingen halverwege het openingsgedicht is dat een gerechtvaardigde vraag. Ook zijn voorloper Paul van Ostaijen hield zich met deze problematiek bezig.
Muziek is belangrijk, overal hangen bordjes in de bundel die daarnaar verwijzen. Al op de flap van de voorkant bejubelt Erik Heyman de dichter als ‘een smeerlapke dat half uitgewiste sporen in de allerlaatste sneeuw wil achterlaten, rokt als vanouds, als Elvis’ en onder de inhoudsopgave achterin drukt Pollet de lezer die het mogelijk nog steeds niet gemerkt heeft met zijn neus op het feit dat ‘referenties aan werk van onder andere Kylie Minogue, Ron English, Elvis Presley en Zwarte Lola uiteraard niet toevallig zijn’. In deze angst om toch vooral maar niet in z’n bronnen en voorbeelden misbegrepen te worden (al kan dat inderdaad gauw gebeuren gezien het aantal verschillende betekenissen van Zwarte Lola) schuilt ook een dwangmatigheid. Vooruit dan maar, tot de verwijzingen naar muziek, het versmartlapte én het verrockte levenslied in dit geval, die tussen Heymans regels en Pollets eindnotitie staan, behoren onder andere:

LaDiDa! Zing! Zing van de weeromstuit
(in ‘Winter’, en alleen al in deze slotregel noemt Pollet twee titels van bundels van eigen hand),

lente, en de vogel fluit en schrijnt
(in ‘Daris de’),

Dat het rijmt, dat het zingt roll on roll off
(in ‘Koud zweet’),

Ik moet bekennen dat ik helemaal
Gek ben van Elvis, dat ik Elvis
Adem en en zanger word die hoorbaar

Zijn songs omhelst.

(in ‘2’)

Eenmaal zingen is veel beter
Dan zevenmaal zeventigmaal horen
Zingen. Dont biekroel

(in ‘5’)

Eenmaal zingen is veel beter dan
Zevenmaal zeventig maal zwijgen.

(in ‘6’)

Drink en zing, want voor ons
Staat de donkere nacht op een kier
Doejoe mismie toe naai?

(in ‘7’)

Het belang van de muziek, het zingen, moet, aangeslingerd door het motto, hiermee voldoende aangetoond zijn. Dat zingen beter is dan horen zingen is een interessante constatering, dat zingen veel beter is dan zwijgen lijkt vervolgens een logische gevolgtrekking, maar de dichter laat zich nergens uit over de relatie tussen zingen en schrijven, dichten en dat had ik onderhand verwacht.


IV CLOVIS

Goed, nu een benadering van de eerste afdeling. Over Clovis heb ik al een en ander geopperd. Pollet onderschrijft blijkens de weinige directe verwijzingen naar deze vage historische figuur vooral diens overgang naar het christendom, het geloof met het logo van de vis. Even associëren, zoals de dichter ook voortdurend doet. Vis – malse hoop – vol in handbereik – letmiego. We krijgen dan Clo-vis. En wat schrijft Pollet in het begin van het tweede gedicht, waarvan de titel meteen de eerste inzet: DE KLOOF // is. Gedicht…
Maar, eerlijk is eerlijk, deze vast niet toevallige overeenkomst ontdekte ik pas bij de derde of vierde lezing. Deze zin (in z’n geheel te lezen als: De kloof is gedicht en toch hemelsbreed van poëzie.) opent tal van perspectieven, en zo is het constant in ‘aLDiDa’. Een paar woorden, een spatie, een haakje, zelfs maar een onverwachte punt achter ‘is’ zoals in het laatste voorbeeld, en van alles verschuift, van alles begint te tintelen. Zo’n zin als De kloof is gedicht en toch hemelsbreed van poëzie raakt aan de filosofie, en doet alleen al op basis van een schijnbaar ongefundeerde tegenstelling denken aan het werk van Faverey. Voeg daar de religieuze toon nog aan toe, die mede voortkomt uit de plaatsbepaling van de dichter, die jarenlang op een adres woonde dat Hemelsbreedte heet, en je weet in welke domeinen de dichter je wil laten grasduinen. De lezer die een opvallend dun bundeltje van 27 gedichten in handen dacht te hebben, torst nu een stapel naslagwerken op zijn schoot. Maar poëzie, van welke bloedgroep ook, kan nooit afhankelijk worden van kennis van buitenaf zonder aan autonomie in te boeten en daar zal Pollet het, met z’n behoefte aan puurheid, muziek, essentie, taalspel het onvermijdelijk mee eens zijn.

Zijn er nog andere links met Clovis te leggen? De vroege Middeleeuwen mogen, zeker volgens de deels achterhaalde schoolboekjes van onze jeugd, verbonden worden met woorden als ‘as’, ‘schild’, ‘slagveld’, ‘moordt’, ‘brandt’, maar kunnen eenvoudig ook aan andere periodes gekoppeld worden. Daar tussendoor weeft Pollet onmiskenbaar eigentijdse begrippen: ‘kraan’, ‘vamp’ en ‘Aldi poëzie, such Lidl ding’.
Nergens komt Clovis duidelijker aan bod dan in ‘Die dag’, het negende gedicht uit afdeling 1. Dat is zo te zien geheel op de heerser gericht:


DIE DAG

Werd hij gedoopt met water
Uit de vont – hij stond erbij
En keek ernaar en raadde vis

Noch vlees. En in de uren voor de kater
En de kerstkalkoen toen de realiteit
Niet meer dan mist leek, een mis

Te verstane traagheid, een theater
Eivol roerig misbaar, nam hij
Zichzelf in rijm. En Reims. En bintenis.
V ZEISSPREUKEN

‘Zeisspreuken’ is ook als neologisme een titel die simpel te duiden valt. Een zeis is niet alleen een respectabel landbouwattribuut dat zowel het gewas beschermt tegen onkruid als de oogst helpt binnenhalen. Daarnaast is het eeuwenlang het symbool bij uitstek van de dood geweest.
Ik las eerst per ongeluk de naam als Zeissspreuken maar niks wijst erop dat Pollet ook nog aan de betreffende producent van optische apparatuur heeft gedacht. Een s teveel eraf en je krijgt ‘Zeispreuken’ en dat blijkt wel hout te snijden. Zeispreuken behoren tot de zogenaamde apologische spreekwoorden. Ze bieden een uitbreiding van een uitdrukking en kunnen gebruikt worden om een domheid aan de kaak te stellen. Soms wordt een derde persoon ingevoegd om de afstand tussen de hoofdpersoon en de situatie minder hard te maken. In deze tweede reeks fungeert een niet nader benoemd ‘ze’ als een dergelijk personage.
Het woord ‘zeis’ komt in alle negen gedichten van deze tweede afdeling terug in de slotregel maar dan als verbastering: ‘zeise’ voor ‘zei ze’, de ‘ze’ die de zeispreuk telkenmale mogelijk maakt.
Er is een tweede lineair verband door de titels die, op eentje na (de laatste), het woord ‘koud’ opnemen. Die titels zijn achtereenvolgens: ‘Koude oorlog’, ‘Koude douche’, Koude kunstjes’, ‘Koud zweet’, ‘Koude kermis’, Koude schouder’, ‘Koude grond’, ‘Koud maanlicht’ en ‘Hete brok’, waarbij je van Pollet alleszins de extra spreekwoordelijke functies mee mag nemen zoals o.a. teleurstelling, angst, lust.
Dergelijke horizontale lijnen in een reeks zijn niks bijzonders bij Pollet. In ‘Drie Theremins’ bijvoorbeeld maakte hij al gebruik van een soortgelijke toepassing.

Welke woorden, fragmenten hebben daarnaast te maken met zeis? ‘het makke gras met afzijdige wind’ en, met veel ruimhartigheid ook nog ‘Een gat in de nacht, een gat in het wo / oord’, waar de zeis eventueel midden in het woord ‘woord’ terecht kwam. Meer verwijzingen naar zeis zijn er niet.
Welke hebben dan met de dood te maken? Allereerst ‘Waterloo’ als naam van een slagveld dat de orde van Europa bepaalde (een zwakke echo van het optreden van Clovis?), ‘adem benemen’ en ‘onder water’, ‘een mus die de zwerfkat verschalkt’ met de aanvulling ‘geen dode dus’, ‘coïtus’ (als zinnebeeld van la petite mort), ‘van voor de oorlog’, ‘ontploffingen’, ‘schietmeoverhoop’, en ‘geef me geen tijd meer’.
Meer dood dan landbouw dus. Omdat de meeste woorden met betrekking daarop in ‘Koude grond’ zitten (wat een schitterende vondst om deze titel juist bij dit zevende gedicht te hanteren), heeft Pollet het denkelijk als sleutelgedicht ingezet:


KOUDE GROND

Zwaar gesnurk. En er is. De kringloop
-winkel met een stoffige
Vibrator in een kast

Van voor de oorlog │ op de loop
Voor elke Mann │die ontploffingen
Heeft meegemaakt. Tastochtoe houmevast

En zeker vast schietmeoverhoop
Tracht weer uit je vel te springen.
‘Jeukme, jeukme’, zeise op de tast.


‘Koude grond’ staat voor onzin.
‘Kringloopwinkel’ mag je een symbool noemen van de cirkelgang van het leven, alles komt weer terug
‘Een stoffige vibrator’ is een lustopwekkend object dat op hergebruik wacht.
‘De loop’ wijst terug naar de oproep in het allereerste gedicht maar krijgt hier de extra connotatie van vluchtgedrag.
‘Mann’ mag naar oorlogen knipogen maar ontvouwt het individu tot iedereen.
‘Tast toch toe’ verdicht zich tot één woord, evenals de volgende drie woorden en krijgt mede door de opgeroepen angst, ongeduld en lust een sinistere, seksuele ondertoon, die aangehouden wordt tot na de laatste regel.

Met evenveel recht echter kun je ‘Hete brok’ zien als belangrijkste gedicht, vanwege 1) de afwijking van het motiefwoord koud, 2) vanwege de afsluiting van de reeks en 3) vanwege de slotregel die, zoals eerder aangegeven, het hoofdmotto reflecteert.
Intensieve vergelijking evenwel van alle gedichten staat niet toe dat er kwalitatief onderscheid gemaakt wordt. Elk vers heeft genoeg vondsten.





VI ELVIS

‘Elvis’ heeft als ondertitel [doesn’t live here any more]. Het Engels is hier niet verstoethaspeld omdat het niet in een gedicht geplaatst is. Vermoed ik. Ook in andere opzichten wijkt ‘Elvis’ af. De afdeling kent geen titels maar nummers en de inhoud is meer verhalend van toon.
Veel nadrukkelijker dan Clovis en de zeis in de voorgaande afdelingen, speelt bovendien de zanger Elvis een rol in afdeling 3. Maar hij vertegenwoordigt dan ook de door Pollet eerder al zo prominent gemaakte muziek en zang. Toch is de handelende persoon niet de Amerikaanse rocker en latere crooner maar, zoals te reconstrueren valt met de informatie die Pollet ons toe wil stoppen, een ambtenaar in Tokio. Dat verklaart dan ook de manier waarop het Engels in aLDiDa geschreven wordt, als de uitspraak van die Japanse klerk. Het verklaart niet waarom dat versimpelde Engels, zelfs in dezelfde uitspraak ‘letmiego’ ook in ‘Clovis’ opduikt of de dichter moet ons willen laten geloven dat de heerser dezelfde soort eenzaamheid en troosteloosheid ondergaat als de naamloze kantoorman. In elk geval hebben beiden een weinig fortuinlijke relatie met het andere geslacht. Het subject in ‘Clovis’ kent misschien de liefde en zeker de lust, gezien een fragment als: ‘Want / Dacht dat hij, zoals de winter, aan zijn eind / Gekomen was en dus nooit meer / (Voor haar) moordt en (in haar) brandt.’ Hij moet zich echter ook woorden van een vrouwenstem laten welgevallen die minder aan het feodale tijdperk doen denken dan aan onze eigen tijd: ‘Daar, / Niet hier’, zegt ze, ‘deel jij de lakens uit.’ En dat lot komt aardig overeen met dat van de Japanner want die meent: ‘Thuis uit de diameter / Van haar mond slechts grote woorden. Wattefoel / Wa saai.’
Wat komen we nog meer te weten van dit belaagde prototype? Al parafraserend genoeg. In gedicht 1 moet hij, naar eigen zeggen, zo lang overwerken dat hij geen tijd meer heeft voor de verre weg naar vrouw en kind(eren). In gedicht 2 zegt hij: ‘Ik ben geen verhaal / Dus ben ik Elvis / Van de karaoke bar.’ Voorts bekent hij helemaal weg te zijn van de zanger en vereenzelvigt hij zich met diens adem en heupen. In gedicht 3 citeert hij lustig verder uit Elvis’ liedjes (niet voor niets ook verwijzend naar diens ‘zeelousrok’) en zet hij het op een drinken. Gedicht 4 levert de eerste seksuele beelden: ‘…op tijd en pirouette // En het kruis vooruit terwijl ik kerm / Alofjoe toemutsbebie.’ Gedicht 5 biedt behalve songflarden ook reflecties op de situatie thuis: ‘De thermometer / Staat allang beneden nul en kinderkoren / Aan de tafel zijn haar ding en niet mijn doel.’ Gedicht 6, over een onbekend meisje in de bar, kan het best samengevat worden met de slotregel: ‘Meek madriems komtroe!’ In gedicht 7 daagt ineens zelfkennis: ‘Geen cliché is hoog genoeg, geen dons / te zacht voor jou voor mij. Telmie dier / Aarjoe loonsom toe naai?’. Gedicht 8 bevat de leugen dat hij ongetrouwd is plus de uitleg: ‘[Beter een beetje liegen dan geheid / Zeer ongelukkig. Elvis praat / In zegswijs, houdt van maneschijn.]’ Het slotvers maakt onverbiddelijk een einde aan het mengsel van illusies en zelfkennis en doet dat in de twee laatste regels op magistrale wijze, vooral door de duizenden jaren oude oproep in de voorlaatste regel:


9

Het is 4 uur en 10
Glazen later en de lucht
Staat op en de zaal gaat leeg

En het licht loopt uit en Elvis
Has left the building en sins mabebie leftmie
Ettie ent of loonlie striet en ik

Ga nog niet naar huis
En aget solo lie akoetaai en
Elvis, waarom hebt ge mij verlaten?


Komt Clovis in de eerste afdeling tot de keuze voor een god van wie hij dan wel niet veel begrijpt maar aan wie hij misschien iets heeft, de Japanse loonslaaf, symbool voor ook heel wat westerse mannen, verliest juist zijn eveneens zelf gekozen god, aan wie hij zo veel, zo niet alles, voor zijn tijdelijk actieve zelfbeeld heeft te danken.

In dit patroon van talrijke verwijzingen naar buiten maar ook naar binnen, over en weer, krijgen eerder niet te begrijpen woorden en regels alsnog hun beslag. ‘Snauw alle mannen af’ bijvoorbeeld klinkt al minder vreemd nu we weten dat een niet al te gelukkige Clovis dat kan doen, of de baas van onze Japanse vriend die zozeer gebukt gaat onder de bevelen van zijn baas, of, schrijnender nog, misschien van zichzelf want hij is nu eenmaal: ‘Kot inatrap, kent wokou, ik workaholic / Vingers als pennen’ al deels ontmenselijkt. ‘Alle mannen’ kan tevens een politieke vingerwijzing zijn; het klinkt tenminste als ‘Alemannen’. Daarmee kan de vraag naar de functie van het woord ‘snauwen’ in II van deze bespreking beantwoord worden, ware het niet dat ‘snauwen’ wel een heel lichte maatregel is als je je vijand liever de kop inslaat of afhakt. Of zou Clovis echt christelijke beginselen overgenomen hebben?

En hiermee komen we aan de thematische conclusie van de leeservaringen in ‘aLDiDa’:


VII THEMATIEK

Of het nu gaat om wereldse, lees politieke en maatschappelijke, zelfverwerkelijking, of het bereiken van het persoonlijke, het intieme geluk, in alle situaties is daarvoor volgens Pollet bezieling nodig, het nemen van risico’s, het juist jezelf als individu op het spel durven zetten. Dragende metaforen voor deze bezieling, deze ode aan de Heilige Geest, zijn in ‘aLDiDa’ muziek en zang, die uitgebreid mogen worden tot kunst in het algemeen.
Daaronder kluwen tal van kleinere thema’s die bij de meeste andere dichters juist op de eerste plaats komen: liefde, dood, eenzaamheid, verdriet, de spanning tussen fantasie en dagelijkse realiteit…
Tenslotte is niet onbelangrijk dat Pollet zijn thema’s inbedt in diverse vormen van humor, variërend van milde spot tot sarcasme, soms uitlopend in een absurdistische situatie. Zonder deze modaliteit zou de thematiek te zwaar blijven.


VIII PLAATSING VAN HET WERK

Als we de stijlkenmerken van Frank Pollet, al eerder uitgebreid beproefd maar nu samengebracht in de meest essentiële weergave, op een rijtje zetten en analyseren, komen we tot een aanzienlijke lijst van punten die we aan drie trends van de pakweg laatste honderd jaar kunnen koppelen. Het zijn zelfs zoveel punten dat we ze tevens gemakkelijk dezelfde compositie kunnen geven als ‘aLDida’. We beginnen met de oudste stroming:

HET MODERNISME
1. Pollets strakke, ongenaakbare vorm, die al tien jaar wordt volgehouden en dientengevolge uiting geeft aan zowel een visie als een grote mate van serviliteit is onmiskenbaar een kenmerk van het Modernisme. Dat schrijft immers eenvoud en duidelijkheid van compositie voor, grote vlakken zonder opsmuk. De omslag van Pollets bundel ‘La Strada’ spreekt op dit punt letterlijk boekdelen.
2. Zogenaamd hoge en lage cultuur op één niveau:
Zwarte Lola en Kees Ouwens, die in de slotnotitie broederzusterlijk naast elkaar staan
3. Pluriformiteit van de betekenis, bij Pollet onder andere door het gebruik van meerdere grammaticale functies van één woord:
‘Terwijl / Hij lenig als water adem benemen / Kan vol vocht met twee maten’
4. Het samen laten vallen van verschillende periodes:
De tijd van Clovis en de onze.
5. Het mengen van inheemse en/of uitheemse cultuurelementen:
Amerika (Elvis als vertegenwoordiger van de daar ontstane popcultuur) en Japan (een Tokiose karaokebar. Karaoke = kara oke = leeg orkest.)
6. Het doorbreken van het verwachtingspatroon van de lezer:
Daar zijn hierboven al veel voorbeelden van gegeven.
7. De gerichtheid op een klein publiek van intellectuele ingewijden:
Het lezen van ‘aLDiDa’ vereist een leeshouding die het consumerende lezen ver te boven gaat. Het aansporen tot duiden doet een beroep op een bovengemiddeld grote algemene kennis, of op de vaardigheid om die kennis te vergaren. De lezer moet er hard voor werken, net als de dichter.
8. Overvloedig citeren zonder directe verwijzingen.
Japanse spreekwoorden: druk als een vogelnest in het voorjaar; en flarden songtekst.
9. Twijfel en/of de behoefte aan het stellen van vragen:
‘Een dag zonder tril / Dus stel ik de vraag’

HET DECONSTRUCTIVISME
Aanvullend op de Modernistische voorbeelden maar soms ook in groot contrast daarmee staan de woord- en zinsstructuur binnen de drie formele hokken.
1. Het openbreken van woorden:
‘O verhoop’ en ‘wo / ord’
2. Het weglaten van woorden:
‘Want // Dacht dat hij, zoals de winter, aan zijn eind / gekomen was’
3. Het versnijden van zinnen:
‘Konijn. Binnen de tijd. En. Buiten schot.’
4. Het niet afmaken van zinnen:
‘En er is.’
5. Het citeren van leegte:
‘ ’ dat ook terugkeert in de betekenis van kara oke – leeg orkest
6. Als gevolg van de eerste vijf punten de nadruk op het belang van verschillende leesstrategieën:
De lezer moet telkens zijn leeshouding bijstellen om niet vast te lopen.
7. Grillig, ontregelend maar tegelijk herformulerend leestekengebruik:
Al vanaf het begin van zijn carrière is Pollet in de weer met een ongewoon gebruik van haakjes, haken, punten, dubbelepunten, aanhalingstekens, koppeltekens en wat dies meer zij. Hij gebruikt het in ‘aLDiDa’ niet spaarzamer maar effectiever dan voorheen.
8. Het bewust aanwenden van chaos, behalve in het lees- en lettertekengebruik ook in het inhoudelijke veld.
9. Tenslotte heeft Pollet vier grafische afbeeldingen van Anne-Mie Van Kerckhoven gekozen, één voor de omslag plus één voor elke afdeling. Haar werk kenmerkt zich door soortgelijke ingrepen plus parallellie; omkering; het plaatsen van abstracte lege vlakken tussen figuratieve elementen en omgekeerd het behandelen van stukjes herkenbare realiteit als formele vlekken; het overlappen van afzonderlijke kleurenvelden. Een bindend woord tussen beide disciplines is ‘vamp’.Van Kerckhoven beeldt namelijk flarden van iconen af als Marilyn Monroe. Zwarte Lola is daar dan de onterecht laag gewaardeerde vrouwelijke vorm van, althans als de op de Walletjes werkzame Surinaamse hoer Nicoline ’t Sant die zich in de oorlog inzette voor onderduikers, en Elvis de mannelijke.

HET POSTMODERNISME
dat evenmin altijd scherp te scheiden is van bovengenoemde twee invloedsgebieden.
1. Het verbinden van woorden tot één groter:
‘Houmevast’
2. Het auditief weergeven van tekst:
zowel in de eigen taal (zeise) als een andere (dontbie kroel)
3. Het samenvoegen van titel en gedicht:
‘DIE DAG // werd hij gedoopt met water’
4. Het doorbreken van de gangbare afspraken over hoofdletters en kleine letters.
Zie de titels van deze trilogie: ‘LaDiDa’, ‘DaLiDa’ en ‘aLDiDa’.
5. Ironie, zelfbespotting:
‘Aldi poëzie, such Lidl ding!’
6. Decentralisering en/of verspringing van het subject:
Het blijft, behalve in ‘Elvis’, vaak onduidelijk welk personage het leidende perspectief verzorgt.
7. Het onderbrengen van motieven van de ene afdeling in een andere:
Een goed voorbeeld is ‘konijn’. Dat lijkt in ‘Elvis’ geen relevante aansluiting te vinden maar speelt een hoofdrol in een van de beste en meest signalerende beelden van de bundel, in ‘Clovis’: ‘Voordat, als een konijn in bliksemlicht, / Hij zich in haar spiegelgladde spraakkunst samenvat.’
8. Veronachtzaming van zin en betekenis:
Na het vanaf de 19e eeuw loslaten van metrum, rijmvoorschriften, vaste regellengte en strofenbouw verloor zelfs de behoefte aan zin haar ‘zin’ bij veel Postmodernisten. In ‘aLDiDa’ is daar spaarzaam ook sprake van. Sommige fragmenten blijven althans onverklaarbaar.
9. Het relativeren van het bereiken van de doelen buiten het intrinsiek artistieke proces:
Pollet zal geen enkele illusie koesteren over het maatschappelijke bereik van zijn gedichten (zie punt 5 hierboven) maar toont zich wel teleurgesteld over het uitblijven van zijns inziens voldoende artistieke waardering, als hij tenminste zelf het volgende stukje van de flaptekst geschreven heeft of op heeft laten nemen: ‘Vlaanderens meest onderschatte poëtische speelvogel Frank Pollet’. Maar ik heb nooit ergens gehoord dat Pollet z’n métier niet verstaat, integendeel. En juist deze week nog kreeg ik op de blog De Glanzende Klaroen opnieuw de volgende uitspraak onder ogen: “Zoals de mannen van XTC musician’s musicians zijn, zo zou je Frank Pollet een poet's poet kunnen noemen. Het grote publiek kent zijn werk te weinig, maar het wordt door vakgenoten zeer gesmaakt.”
Dat er niet veel over zijn poëzie geschreven wordt, want daar legt de flaptekstenschrijver de vinger op de zere plek, is daarom eerder te wijten aan onder andere 1) het kleine aantal critici dat over dergelijke gecomprimeerde maar qua betekenis zich in alle richtingen uitbreidende gedichten schrijft; 2) het onderbrengen van zijn bundels bij kleine, in poëzie gespecialiseerde uitgeverijen die het financieel niet op kunnen brengen hun dichter te promoten op een manier zoals de breed voorziene uitgevershuizen gewend zijn en; niet in het minst, 3) de weinig aan de smaak van het brede publiek (de middels tv te bereiken massa) appelerende wijze waarop Pollet zelf optreedt, zijn gedichten ook buiten de literatuur uitlaat (misschien betoont hij zich mede daarom juist gefascineerd door de positieve en negatieve kanten van de vermaaksindustrie).


IX OORDEEL

Bij een bundel die zo meerduidig is samengesteld als ‘aLDiDa’ past natuurlijk het best een pluralistische conclusie.

Wie Pollets werk niet kent zou, uitgaande van deze drievoudige opsommingen, veilig kunnen aannemen dat de dichter ‘aLDiDa’ in elkaar geknutseld heeft terwijl de handboeken van Grote Stromingen rond zijn pc lagen. Bestudering van de acht eerder verschenen bundels, leert echter dat Pollet over een lange periode, vanaf 1979, stapje voor stapje tot dit resultaat is gekomen. In dat licht bezien komt zijn ontwikkeling zelfs authentiek over, alsof hij in z’n eentje alle resultaten bedacht.
Maar natuurlijk moet een goed theoretisch onderlegde auteur als Pollet ondanks ‘de implosie van ‘maar niet, maar wel, maar toch’ en andere koude kunstjes’ (geciteerd van de flaptekst) precies weten waar hij staat. Het kan dus niet anders dan dat hij zich schaart onder de banier van vooral beide laatstgenoemde stromingen, daar wil hij overduidelijk bij horen. Maar waarom? Waartoe?
Wat zou ik graag zien dat hij behalve het rijm en andere traditionele verworvenheden ook deze invloeden ontsprong, die hem misschien op een doodlopende weg hebben gevoerd, hoe intelligent hij deze ook heeft geplaveid.

Wat is dus, toch, in zoverre authentiek aan ‘aLDiDa’ dat er elementen in schuilen die niet per se tot de artistieke modes behoren?
Voor mij zijn dat vooral de originele, scherpe beeldspraak, de strakke zegging op veel plaatsen alsmede de christelijke thematiek van bezieling, en daarmee de oproep tot het nemen van risico’s, de benoeming van het persoonlijke geluk als een zaak die een eigen verantwoordelijkheid is (in een tijd waarin door geïndustrialiseerd consumentisme daar meer dan ooit een reden voor is).

Als Pollet zich nu eens zoveel mogelijk van modieuze fratsen ontdeed, zou hij gemakkelijker zijn toekomst in annotaties van studies ontspringen. Een aantal gedichten uit het begin 2010 verschenen ‘Caravan!’ (een selectie van nooit eerder gebundelde verzen) toont aan dat daar, wellicht onvermoede, groei schuilt. Groei niet zozeer dus in het net weer anders dan anderen toepassen van technische foefjes maar groei in pure zeggingskracht. Want poëzie is altijd een verhaal, versneden of niet, tussen haakjes gezet of niet, als verhaal bedoeld of niet!


FRANK POLLET – aLDiDa. Uitgeverij P;September 2008; 50 pagina’s; ISBN: 978-90-79433-10-0; € 15,00

www.alberthagenaars.nl

REACTIES:


Dit is een zeer grondige analyse van de poëzie van Frank, met aandacht voor vormstructuur,syntaxis,inhoud en inbedding in de poëziepraktijk met aandacht voor de literair-historische stromingen. Recensent Albert Hagenaars getuigt van kritische aandacht en zin voor nuancering,tracht ook de maatschappelijke relevantie van het werk te duiden,met zin voor detail doch zonder het geheel uit het
oog te verliezen. Dit is een zeer waardevol werkstuk dat tegemoet komt aan de literaire waarde van het oeuvre van Frank Pollet.
PIET BRAK, 31-12-2010

Wat een prachtig stuk! Ik zou bijna willen zeggen: zonde dat het niet in een tijdschrift staat!
MICHIEL VAN KEMPEN, 01-01-2011


Dat is wat je noemt een gedegen en genuanceerde bespreking, die over Frank Pollet. Daar mag de dichter tevreden mee zijn. Zo worden ze niet meer gemaakt, zou mijn moeder zaliger zeggen.
ANTON KORTEWEG, 03-01-2011


Wat een aanwinst die berichten van jou Albert! Blijf ernaar uitkijken!
MIEKE GREVER/TAALWERK, 04-01-2011

Albert Hagenaars publiceert zijn langere recensies sinds enige tijd op dit weblog, De Verborgen Hoek, dus. Hij leverde fraaie artikelen over werk van Frank Pollet en over de "eilandgedichten" uit het verre westen.
CHRETIEN BREUKERS, De Contrabas, 19-01-2011