woensdag 31 augustus 2011

JOHN IRONS - Pa



ZWEMMEN IN EEUWIGHEID

Over het opmerkelijk late debuut van John Irons

Als het waar is dat late debutanten gemiddeld met sterkere eerste bundels voor de dag komen dan vroege publicisten, dan is de al in 1942 geboren John Irons wel een heel duidelijke troefkaart van de voorstanders van deze veronderstelling!
Onlangs verscheen zijn eersteling, ‘Pa’ geheten, bij Avalon Pers en meteen in twee talen tegelijk: in de oorspronkelijke Engelse tekst en in de Nederlandse vertaling van Eva Gerlach.
De titel is niet alleen kort en krachtig maar dekt ook de inhoud; alle verzen, 14 stuks (waarvan sommige uit meerdere delen bestaan), handelen over Irons’ vader. Het eerste heet ‘Farewell’ / ‘Afscheid’, het laatste ‘Countdown’ / ‘Aftellen’. Daarmee heeft de dichter een mooie omtrekkende beweging in gang gebracht. De bundel begint namelijk enkele dagen na het overlijden van Irons senior en eindigt een paar weken vóór diens einde. Daartussen roept de zoon het beeld op van een man die een bijzonder authentieke persoon moet zijn geweest. Hij doet dat in een stijl die hoogstwaarschijnlijk goed past bij het karakter van de vader, een stijl die gebruik maakt van korte zinnen zonder interpunctie, eenvoudige maar direct treffende beelden, een niet minder zorgvuldige woordkeuze en een natuurlijk overkomend netwerk van klankovereenkomst. Een ander kenmerk is een speciaal soort humor, nuchterder, laconieker voor Nederlandse lezers dan we van de Engelse variant gewend zijn. Wellicht speelt hier ook Irons’ lange verblijf een rol in eerst Zweden en later Denemarken, waar hij doceerde in Odense. Het resultaat is hoe dan ook een hommage aan zijn schepper die nu zelf geschapen wordt!
Een fragment uit ‘Inheritance’ / ‘Erfgoed’, het openingsgedicht:


pa had hands that
never grew old
they just matured-
beautifully boned
large hands
the right an octave and two
the left an octave and three
from playing the viola.


In Gerlachs vertaling wordt dat: pa had handen / die werden nooit oud / ze rijpten gewoon- / mooie botten / en heel grote handen / rechts een octaaf plus twee / links een octaaf plus drie / kwam door de altviool.
Gerlach weet trouwens de hele bundel door Irons eigenaardigheden overtuigend om te zetten. Een voorbeeld uit ‘Rubella’ / ‘Rodehond’:


his younger son turned a deaf ear
and studied german
and came to love
the soundness of its syntax
the castles of its clauses –
a deserter in the ranks

zijn jongste zoon, oostindisch doof
ging duits studeren
en raakte verliefd op
die kloeke syntaxis
die rotsvaste vormen –
deserteur in eigen gelederen



De laatste regel verwijst naar de afkeer van de vader van ‘de oorlogsduitsers’, een gegeven dat als ja, een rode lijn door ‘Rodehond’ loopt.

Irons’ precieuze zegging, zijn pregnante woordkeuze ook, zullen zeker mede ontstaan zijn onder invloed van het tientallen jaren lang vertalen van talloze boeken uit o.a. het Noors, Zweeds, Deens, Duits, Frans en vooral Nederlands. Irons dankt z’n bekendheid in onze contreien vooralsnog op de eerste plaats door zijn werk voor Poetry International maar weinigen zullen weten dat hij in de jaren zestig zijn doctoraat haalde met de studie ‘The development of Imagery in the Poetry of P.C. Boutens’. Volgens zijn website vertaalde hij werk van maar liefst 65 Nederlandstalige dichters! Van o.a. Hugo Claus, Gerrit Komrij, Hannie Rouweler, Jan Kostwinder en Alfred Schaffer betrof dat complete bundels, van anderen nam hij topgedichten onder handen, van Martinus Nijhoff bijvoorbeeld 'Het uur U'.

Het is dus een groot raadsel waarom iemand met zoveel literaire kennis, zoveel empathie voor talen en culturen en ongetwijfeld de kriebel om autonoom te dichten zo lang gewacht heeft met een eerste publicatie. Misschien zette juist de omgang met talloze goede dichters dat verlangen op de handrem, belemmerde de veelheid van stijlen waar Irons dagelijks mee bezig was het vinden van een eigen geluid. Misschien ook zorgde de honderdste geboortedag van Irons’ pa voor een doorbraak.

In elk geval levert zijn debuut meteen een eigen, duidelijk herkenbaar geluid op. Ik zou althans niet gauw weten van welke Nederlandse dichter onderstaand gedicht zou kunnen zijn, waarbij het zwemmen voor de lezer die ik ben, zeker na het typen van voorgaande zinnen, ook staat voor de kunst van het dichten. Vader en zoon slagen voorbij de dood van de eerste…


ZWEMKUNST

pa heeft nooit leren zwemmen
eenmaal per jaar
stond hij in zijn grijswollen zwembroek
eindweegs in het water
zwanenvleugels zijn schouders
onwennig vlees
knipperend tegen het licht

ik kan niet zwemmen
bekende pa
maar ik kan geloven
dat ik het kan
daar heb ik aanleg voor

pa geluksvogel
zwemmend in eeuwigheid



Een passender einde van deze korte bespreking dan deze laatste strofe is haast niet mogelijk.





Recensie: Albert Hagenaars, eerder verschenen in Poëziekrant, juni 2008, jrg. 32
Uitgeverij: Avalon Pers, 2007
Foto: © Siti Wahyuningsih




vrijdag 1 juli 2011

AART G. BROEK - Het lichten van de jaren




DREGGEN IN TIJD EN RUIMTE

Albert Hagenaars over ‘Het lichten van de jaren’ van Aart G. Broek

Het late poëziedebuut van Aart G. Broek (º1954, Maasland) is een opmerkelijk boek en opmerkelijke boeken dringen zich op om besproken te worden.
Boek is op het eerste gezicht een te groot woord voor de vijf gedichten waar het om gaat, qua omvang variërend van één tot zeven pagina’s, maar ik vervang het niet omdat de hoge densiteit van informatie (een soms lastig ontwarbaar kluwen van beelden en zich vertakkende interpretaties) belangrijker is.
De verzameling dankt z’n bestaan o.a. aan het afscheid dat de auteur (Broek is niet alleen dichter, hij publiceerde eerder essays en onderzoeken) na twintig jaar met z’n gezin moest nemen van Curaçao. Eenmaal terug in Nederland maakte hij een moeilijke aanpassing mee. In z’n eigen woorden: “Het heeft mij jaren genomen om weer enigszins vertrouwd te raken met de samenleving waarin ik was geboren, opgegroeid en volwassen geworden. In de overgangsjaren van de ene naar de andere samenleving kwamen hartstocht, liefde en vriendschap onder dwarse druk te staan.” Treffend uitgedrukt.

De bundel manifesteert zich meteen sterk door de titel: ‘Het lichten van de jaren’. Aanvankelijk dacht ik bij ‘lichten’ aan twee betekenissen: 1) het uit zee omhoog hijsen en 2) het oplichten, glanzen. Er zijn echter meer connotaties aan verbonden, ik kom daar op terug.
Ook de omslag mag er wezen: een foto van een blauwe lucht met een wolk die bijna de kracht van de zon heeft. Waarschijnlijk is het, gezien de naar buiten gerichte straling, de zon ook wel, die hier juist omfloerst wordt. In dat geval mag de opname een metafoor voor de hele bundel genoemd worden want o ja, hier wordt veel in versluierd. En terecht. Zoals het licht van de zon te fel is om er in te kunnen staren, zijn enkele essentiële ervaringen in het leven van Broek te persoonlijk om ze zonder filter aan de beoogde lezers te openbaren. Hoe dikker het glas van de zonnebril, hoe beter je ons aller levensbron kunt aanschouwen, moet hij gedacht hebben. Heeft hij dus een spel vol verwijzingen opgezet om alleen de meest gemotiveerde en kundige lezers enigszins deelgenoot te kunnen maken van de geselecteerde gebeurtenissen; heel wat minder terughoudend is hij in zijn zegging.

De eerste regels van de openingsreeks, ‘Het onsterflijke rif’ genaamd, klinken zelfs als een finale! Het was een goede vondst om die met het voegwoord ‘en’ te laten beginnen, zodat de lezer al direct midden in onbekende handelingen terecht komt:


En de golven, woest van onmacht, vraten de stranden
uit de gekartelde kust en kotsten het zielloze zand
over het wiegende koraal, dat stikkend stierf, verschoot
tot vale schijn van diepten die slechts het verlangen
naar het tijdloos strelen van het zilte zonlicht
uit onbereikbare hoogten koesterden. Versteend
de lust door de kolkende geseling die ooit ook leven
schonk, maar vrat en vretende verstikte wat waaide
in kleurig nijgen: een tintelend kussen zonder lippen.



Tjonge, even kun je je overdonderd voelen. Het is eenzelfde effect als van een onverwacht losbarstende tropische bui. Anders dan zo’n hoos aan water laat een tekst zich terugspoelen, herhalen, beoordelen en, wie weet, verklaren, al moet het genot van de beleving wat mij betreft groter blijven dan de voldoening het laatste stukje van een puzzel te kunnen leggen.

Om te beginnen vormen woeste golven die complete stranden uit een kust vreten niet bepaald een geslaagd beeld om er onmacht mee aan te geven. Dat kan alleen maar als ze in al hun kracht niets tot stand vermogen te brengen.
Over de wenselijkheid van een groot aantal allitteraties en adjectieven kun je van mening verschillen, ze verliezen wel hun ondersteunende functie wanneer de zuiverheid van vergelijkingen in het geding komt. Kan bijvoorbeeld zand dat over koraal uitgestort wordt wel tot een vale schijn van diepten leiden? Eerder lijkt het omgekeerde het geval: een vale schijn van ondiepten.
De daaropvolgende tegenspraak: hoe kan er een verlangen zijn naar strelingen van zilt zonlicht uit onbereikbare hoogten als dat zilt uit het eigen binnenste (de diepten) komt. ‘Zilt zonlicht’ is op zich een mooi beeld, uit eigen ervaring (ik ben geboren in een plaats aan zout water) weet ik hoe zout het licht breekt en verandert, maar wat is de zin van het woord ‘onbereikbaar’ als het licht wel degelijk, en nog eens tijdloos ook, op diezelfde verlangende diepte valt?
Een ‘kolkende geseling’ die tot verstening van lust leidt? Als dit geen bombast is, wat dan wel? Tenslotte is het eerder een kwestie van zwakte dan van kracht en inzicht om drie maal in zo’n kort bestek met ‘vreten’ op de proppen te komen en tweemaal met ‘stikken’.
Passie over willen brengen is een groot goed. Gelukkig doet Broek dat op veel volgende plaatsen op een beter uitgekiende manier. Ook laat hij dan zien dat herhaling en parallellie, mits slim afgesteld, inderdaad een positieve invloed kunnen hebben.

Al meer evenwicht biedt, zonder dor of droog te worden, de laatste alinea, die een geslaagd staaltje erotisch dichten onthult, inclusief voor- en naspel. Dit vindt zowel inhoudelijk als muzikaal plaats. Melodie (‘vlekkeloos aangereikte vlucht’) en ritme (‘keer op keer’ en ‘schokkend’) vallen met hun tegengestelde karakteristiek passend samen in de slotwoorden die het contrast evenwel blijven respecteren.


M. – Jij wist het koraal onsterflijk. Je liet het mij
zelf ontwaren en het kleurig nijgen wordt het buigen voor
een tintelend kussen en wordt –keer op keer- de vlekkeloos
aangereikte vlucht naar zinnelijke hoogten, ver voorbij
feilbare bezweringen, die schokkend het eigen handgeslagen
falen in jouw schoot schiet, waar het op de door millennia
gepolijste kust verstuift. Keer op keer even zo tijdloos.



Op basis van deze eerste fragmenten mag geconcludeerd worden dat Broek taal als een organisch verschijnsel wil presenteren, woordstromen als een natuurkracht inzet. Juist hier schuilen zowel zijn vaardigheden om iets bijzonders te doen als de risico’s wanneer hij daar niet, of zelfs maar nét niet, in slaagt. Doseren, daar komt het dus op aan, en op timing.

Over doseren gesproken, zoals gezegd telt de bundel vijf delen. Ze bestaan uit respectievelijk 4, 1, 7, 2 en 3 teksten. Elke staat op een aparte pagina. Maar Broek maakt ook gebruik van citaten van buitenaf, de meeste bedoeld als motto:
- Voor de bundel in z’n geheel zijn dat er al twee: een opdracht en een strofe van een Engelstalig gedicht waarvan de oorsprong duister blijft op de eerste pagina. Na de daarachter staande inhoudsopgave komen er nóg twee: een stukje van Psalm 51 en een fragment uit ‘De biecht’ van de bewonderde Tip Marugg.
- Het eerste deel krijgt de originele opdracht “voor Gilbert / maar veel meer nog, weet ik nu, voor Marijke”.
- In het tweede deel (slechts één pagina) staan er twee: een uitspraak van, opnieuw Tip Marugg, en een opdracht, ditmaal voor Michael.
- Het derde deel is voorzien van: een opdracht voor ene J. en drie citaten, een van Horatius en twee uit de Bijbel, plus nog eens een aanhaling van Pavese.
- Deel vier wordt voorafgegaan door een regel uit de Bijbel én een vers uit de Koran.
- Het slotdeel wordt ingeleid door wederom een fragment uit de Bijbel met, daarboven, de mededeling: “aangereikt door Theo, Curaçao, over jaren”, waarbij niet helemaal duidelijk wordt of dit alleen op het citaat slaat.
Zestien stuks bij vijf overwegend korte delen! Dat zijn veel, rijkelijk veel aanvullingen. Los van het feit dat de religieuze en literaire ontleningen een spannende symbolische lading hebben, is het wel dringen geblazen. De minst interessante teksten wórden dan ook verdrongen. Een treffend voorbeeld van overkill.


Het tweede en kortste deel (één gedicht) dankt haar naam, ‘Een eiland verzonken’, aan twee regels van Tip Marugg (1923-2006). Deze Antilliaanse schrijver (die ondanks vertalingen in het Engels en Russisch, het verschijnen van een overzicht van zijn werk -waar Broek aan meewerkte- en het binnenhalen van een prestigieuze nominatie nog steeds niet voldoende op waarde wordt geschat) schreef in het Papiaments: “un isla qu tabat’ey / cosnan qu por tabata”.


Je gleed geruisloos langs de cactuszuilen de nacht in.
Naalden scheurden flarden uit ons leven, die terstond
verdroogden in de zilte wind. Verpulverd tot poeder
verwaaiden de herinneringen door de mondi, achter je
aan naar zee, over het korzelige diabaas op de kust,
waar ik heldhaftig de wacht hield en jij mij toch genadeloos
ontglipte. Maar ons gedeelde verleden zou mij niet
ontsnappen! Naar zee. Smalend schoot het ontzielde stof
langs m’n lijf en m’n woest malende handen, schuurde
sarrend over m’n oogleden. En ja! Ja! De tranen verraadden
dat niet alle verstreken belevingen over de kolkende golven
van de noordkust in het schuim verdwenen.
Even nog niet.

Dan, rap druppelend, vlieden ze toch en laten me alleen
nog een onzichtbare horizon, die ik pas in de ochtend
-wanneer de passaat slechts zout aandraagt- zal opsnuiven.



Dit afscheidsgedicht bevat de mooiste regel van de hele bundel. Ik bedoel de eerste. Wie anders zou met zo’n prikkelend beeldende zin op de proppen kunnen komen?
Enerzijds is er de fysieke verwijdering, die stapsgewijs groter wordt, anderzijds haakt het eiland zich dankzij de trefwoorden (die overigens álle vijf afdelingen bijeen houden) toch blijvend vast en overbrugt het daarbij de witregel van de scheiding.
In de aantekeningen achterin wordt uitgelegd dat met ‘mondi’ het droge landschap van de Benedenwindse eilanden wordt bedoeld. ‘Diabaas’ moest ik elders opzoeken, het duidt op een bepaalde soort stollingsgesteente. Broek maakt dankbaar gebruik van dit op een dienblad aangedragen motief: beweging en verstening, vuur en basalt, vluchtig en eeuwig…tegenstellingen kortom waarbij het tweede element uit het eerste voortkomt. Goed gevonden. De zwakke personificaties als ‘smalend’ en ‘sarrend’ doen daar dan helaas afbreuk aan. Hoe stel je je namelijk ontzield stof voor dat eerst smaalt en daarna ook nog eens sart? En Broek zal daarnaast wel bedoelen dat stof zijn oogleden schuurt (niet óver zijn oogleden schuurt).





De derde en langste afdeling, ‘De kus’, staat met haar zeven teksten niet toevallig precies in het midden. Ervoor staan immers vijf teksten en erna ook. Naast het citaat van Horatius, dat de sleutel tot een gedeeltelijk inzicht aanreikt, koos Broek enkele regels uit de Bijbel, in beide gevallen Samuël 1,26! Het eerste is uit de Statenvertaling gelicht en te mooi om niet over te nemen, het tweede komt uit de Nieuwe Bijbelvertaling.

“Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jónathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.”

“Het verdriet verstikt me, Jonathan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.”

Hoe gering de verschillen ook lijken, de dichter versterkt er het principe van meervoudige interpretatie mee, de overtuiging dat er niet één perspectief is. Zoveel versies, zoveel andere accenten. Het lijkt er sterk op dat Broek wil dat ook z’n gedichten op die manier benaderd worden.
Het veelvoud aan Bijbelfragmenten kan erop wijzen dat zijn eigen lexicale gerichtheid daarop terug te voeren is. Ook zijn voorkeur voor herhaling kan met invloed van de Bijbel te maken hebben. Vooral dit laatste stijlmiddel speelt een belangrijke rol in ‘De kus’. Beide zijn verenigd in het volgende opzetje:

Woorden heb ik van je. // Woorden –als in den beginne- heb ik van je. Honderden. (I)

Ik heb duizenden woorden van je // Geen woord is hetzelfde gebleven. // Ik heb honderdduizenden woorden van je. (II)

Ik heb honderdduizenden van je, voor altijd. (III)

Zo geeft Broek vaak structuur aan teksten die uiterlijk onregelmatig strofisch zijn of juist geen strofen hebben. De herhaling van trefwoorden, begrippen en variaties op hetzelfde stramien neemt dan de plaats in van witregels. Toch gaat hij die zelfs in gedichten zonder strofen niet altijd uit de weg; hij werkt namelijk ook met inspringingen, zoals blijkt uit de zevende en laatste tekst van deze afdeling, waar met name de eerste optimaal functioneel is:


Eindeloos gaf Hij ons, mannen als jochies zo vrij
van vrees, het Katwijkse blauw. Als in den beginne.
Woorden vinden en gedragen weten. Ik door jou
en jij door mij. Wonderlijker dan liefde van vrouwen
nam ik je mee en jij mij. Toch? Als in de schepping
verbleven we – oh, ja! Maandenlang. Maar blijven ligt
niet in de lijn. Meer nog verdwenen we in de val ná
het ongerepte begin: we grijpen de hand de een
van de ander, want wij leven in dezelfde angst voor
’ t verwerpen waar eerder niets dan aanvaarden verbleef.
..............En dan grijpen we mis. Zelfs de woorden
beklijven niet. Mijn vriend, alles komt om te verdwijnen
en, verdwenen, om nooit meer over leven te beschikken.
De kus smeedt het afscheid en snijdt de scheiding, waar
door de duinen de zweepslagen loeien, die, mijn broeder,
jou in mij voor altijd aan stukken slaan
..............maar, opengereten, evenzo tot een gedicht
geheel van woorden knallen. Zó, ja, zó mag je mij verloren
gaan. Ja. Ja! Zó verdwijnen en verdwenen, weer
over leven beschikken, waarin een nieuwe schepping
schuilt. Ja! En vinden ligt in de lijn. Zelfs de woorden.



Dit is heel andere koek dan het eerste deel. Dáár een duistere woordenvloed, híer aan belijdenispoëzie rakende elliptische zinnen en variaties en tussendoor verwijzingen naar Genesis (‘Als in den beginne’ en ‘de val na het ongerepte begin’) plus exclamatie. Deze tekst kent meeslepende fragmenten maar ook, toch weer, zwakke beeldspraak, bijvoorbeeld in ‘de zweepslagen loeien’. Je begrijpt als lezer wel wat Broek hiermee bedoelt maar kon hij nou echt geen treffender woord vinden dan loeien, dat onvermijdelijk koeien en andere grazers oproept, vreedzame beesten toch over het algemeen. Hetzelfde geluid wordt even verder als knallen benoemd, zelfs als cliché passender dan dat loeien!
De titel is daarentegen wel goed gekozen, en ook uitgewerkt. Broek speelt behendig met dit motief, dat eenvoudig te koppelen is aan uiteenlopende situaties; die van familie, vriendschap, liefde, erotiek en, in onderhavig geval zeker, van verraad. Toch valt de naam Judas niet.
“De kus smeedt het afscheid en snijdt de scheiding”. Dat is een geslaagde regel. Op zich al maar hij verstevigt ook de reeks transformaties: in den beginne – leven – dood – geboorte. Hier is bovendien sprake van de geboorte van het gedicht. Het vervolmaakt de cirkel, waar de zinsnede “vinden ligt in de lijn” naar verwijst.
Broek kan er dus wat van, van bouwen, structureren, kortom componeren, en dat op verschillende manieren. Hij is een vakman, maar nog geen meester, daarvoor is een grotere verfijning nodig.


De vierde afdeling telt niet alleen twee teksten maar ook twee titels: ‘Istanbul of Het gemeenzaam helen’. Plaats van handeling is inderdaad de grootste stad van Europa die, in het tweede gedicht, teruggebracht wordt tot een badhuis, waar de katharsis tot stand komt. En, laten we wel wezen, er zijn niet veel plekken waar een mentale of spirituele reiniging beter tot z’n recht komt dan in een hamam.
Omdat er maar weinig ontleningen aan de Koran geselecteerd worden voor westerse poëzie, citeer ik met plezier Broeks keuze, ook al omdat het fragment zelf een poëtische waarde vertegenwoordigt:

Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van de dageraad. Tegen het kwade van wat Hij heeft geschapen. En tegen het kwade van de duisternis wanneer deze zich verspreidt. En tegen het kwade van degenen die vaste banden door boze inblazingen willen ontbinden. En van het kwade van de benijder wanneer deze benijdt.
Koran, 113 (de dauw [el-Falaq])

De Bijbel staat ook bol van de poëzie maar wat een zwak regeltje heeft Broek voor deze afdeling daaruit overgenomen! Hij had het beter weggelaten:

De nacht loopt ten einde, de dag nadert al.
Romeinen 13, 12 (Nieuwe Bijbelvertaling)

Het tweede vers van deze afdeling nu:


Na de schroeiende hitte van de jaren achter
mij reik jij de frisse zilte wind van de Bosporus
aan. En wanneer wij ons de wangen toekeren,
jouw handen mijn schouder en rug strelen,
de armen koesterend beschermen, dan zien
mijn ogen, troebel van tranen, niets dan
schittering. Jouw ogen helen stralend. Geduldig
leer je me weer rustig ademen in de nevelen
van het sproeiende water dat de klappende
golven op de kade slaan en waarin de kleuren
van kruiden schuilen en de geuren van gebrande
noten en de streling van zuivere wol en zijde,
van shawls en tapijten, en het aroma van thee
met zo’n zoete kwetsbaarheid.
............................Ja, je blust
die vretende vlammen in m’n lijf.

Jouw tedere toewijding geneest –als eeuwen
aan masserende zorg in de marmeren badruimte
van de hamam –en brengt voor dagen het einde-
loos vergeten, terwijl mannen om ons heen elkaar
wangen toekeren, handen schouders en ruggen
strelen, ogen stralen, armen ineen rijgen…



Ook hier weer dezelfde trefwoorden of variaties daarop: ‘zilt’ bijvoorbeeld, ‘tranen’, ‘water’, ‘klappende golven’ en ‘vreten’.
Broek geeft diverse optredens tegelijk ten beste. Hij laat met genoemde motiefwoorden echo’s van met name de eerste afdeling horen; hij verkleint en verzacht het geweld van de natuur (symbool voor de ontreddering van het subject) en weet dit middels de helende factor zelfs om te buigen tot een bondgenoot; hij vergroot in een vloeiend weergegeven tegenbeweging de hamam uit tot de hele stad, die immers, als een spin in een waterweb, haar bestaan te danken heeft aan o.a. Haliç, Bosporus, Zee van Marmara en Zwarte Zee; en als muzikant offreert hij ook hier weer verschillende soorten klankpatronen maar ditmaal zonder zich te forceren. Luister eens: hitte-zilte; wanneer-wangen-handen; troebel-tranen; strelen-helen; klappende-kade-kleuren-kruiden; zuivere-zijde; tapijten-thee; masserende-marmeren-mannen. Tussendoor roept hij homo-erotische verlangens op, die zowel spannend als ontwapenend zijn. Dit is al bij al een bijna geheel zuiver vers, dat Broeks gemiddelde niveau verre ontstijgt. Het enige dat ik er tegenin wil brengen betreft de onnodige herhaling van sommige woorden: strelen, handen, wangen… Wat zou deze pagina goed aan het einde van de bundel passen.
Daar staat echter met 3 gedichten de titelafdeling ‘Het lichten van de jaren’. Het eerste gedicht daarvan sluit goed aan op het voorgaande:


De zee: neem nou de zee, misselijk-
makende zee, tot je grauwgeel gal braakt;
neem nou de zee: zilt, met geen zoet
water van je lijf en leden te schrobben,
nestelt zich in alle poriën en pekelt de ziel,
het hart en alle organen, conserveert van generatie
op generatie wat zou moeten afsterven
en oplossen. De lijven en lijken
van de Caiquetios tot aan Trix en haar Statuut,
waartussen slaven, blank en zwart en rood en geel,
zijn zilt –misselijkmakend, tot braken stuwend,
zelfs niet brak: geen zoet water
om de geschiedenis afdoende te schonen.



Deze overgang vormt duidelijk een terugval, wellicht symbolisch bedoeld, van ideëel zuiver en genezen tot de bittere realiteit.
Een zwak punt is o.a. ‘grauwgeel gal’. De klankovereenkomst is sterk, voor veel lezers ongetwijfeld te sterk, maar gal is altijd geel, Beter was dus geweest te volstaan met ‘grauwe gal’. Grauwe dan nog met een e want gal wordt bepaald door het lidwoord ‘de’ en niet door ‘het’.
Er volgt nog een tweede pleonasme, opnieuw alleen voor de winst van de alliteratie. De hele bewering is trouwens tautologisch. Dat de ziel gepekeld wordt (een mooi beeld in dit verband, dat wel) was niet genoeg, nee ook het hart en alle organen moesten hetzelfde lot ondergaan.
Dan komt hij ineens in één regel met ‘Caiquetios’, ‘Trix’ en een ‘Statuut’ op de proppen, drie woorden die uitgelegd moeten worden, al vormen de laatste twee een context die te raden valt. Best veel lezers zullen halverwege het gedicht de aantekeningen achterin raadplegen, voor zover ze al weten dat die opgenomen zijn. Wat staat daar?
‘Caiquetios’ is de naam van aan de Arawakken verwante indianen op de Benedenwindse eilanden. Hun aantal zou 2000 bedragen hebben bij de aankomst van de Spanjaarden in 1499. Ze werden als slaven ingezet in de mijnen van Hispañola en waren waarschijnlijk 300 jaar geleden al uitgestorven.
‘Trix’ wordt hier niet genoemd maar verwijst zeker naar Beatrix. Je hoeft als ondergetekende geen republikein te zijn om je af te vragen waarom haar naam ingekort moest worden. Want nu zijn er twee mogelijkheden die niet samengaan: 1) Trix is een koosnaampje, en 2) Trix is gebrek aan respect voor het staatshoofd.
‘Statuut’ verwijst naar het in 1954 tot stand gekomen pakket afspraken over de verhouding tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen.
Alsof de gal en de pekel nog te weinig expressie en duiding oproepen, legt Broek extra uit dat het hele proces ‘misselijkmakend’ en, nogmaals, ‘tot brakend stuwend’ is. Gelukkig herstelt hij wat schade door de lijven en lijken over te laten gaan in het corpus van de historie: ‘geen zoet water / om de geschiedenis afdoende te schonen.’
Omdat dit vers kwalitatief en inhoudelijk te weinig recht doet aan wat zowel de titelafdeling als die van de afronding wil zijn, citeer ik ook het tweede:


En zilte lijven –nu verrotte en verpulverde lijken-
braken bulderend uit de Alphen en zijn bemanning;
het fregat braakte kruiken en kannen, kogels en kanonnen
voor duikers om decennia later te lichten: zwaar
waar geen centen, licht waar fondsen het lichten-
onbezwaard door wettelijke regelingen-
door manhaftig plonsen en ploeteren in troebele diepten
tot heldhaftig handelen –gesteund door pers en politiek
en zelfs Gods zegen op de Freewind – weten te verheffen.



Nu wordt nog duidelijker waarom ‘Het lichten van de jaren’ achteraan staat. De eerste vier afdelingen van de bundel hebben veel, zo niet alles, met het wedervaren van het subject te maken, de vijfde overstijgt het individuele perspectief met ‘de geschiedenis’ en voorvallen die buiten de eigen ervaring staan.
Deze tekst is nauwelijks beter dan de vorige maar biedt een interessant doorkijkje op de twee lagen en meerdere betekenissen van de titel.
De Alphen was een 18e-eeuws fregat met dezelfde taak als het hedendaagse Nederlandse oorlogsschip in de Golf van Aden. In 1778 ging het in de Sint-Annabaai (Willemstad) door altijd duister gebleven oorzaak, maar waarschijnlijk een zelfmoordaanslag, “met eigen kruit” de lucht in. Een paar honderd bemanningsleden kwamen om en een deel van de stad werd verwoest waarbij nog eens 50 slachtoffers vielen. Zie voor meer informatie over deze ramp de studie “De noodlottige geschiedenis van het Hollandse fregat Alphen” van de actieve marien bioloog/archeoloog Dr. Wil Nagelkerken.
De Freewinds (en niet Freewind zoals het vers aangeeft) is een cruiseschip van de Church of Scientology dat rondvaarten maakt in het Caraïbisch gebied en de passagiers nogal wat belooft, niets minder namelijk dan “the highest levels of spiritual advancement”! Het heeft Willemstad als thuishaven.
Broek maakt dankbaar gebruik van de hoge symboolwaarde van beide schepen en brengt ze uiteraard samen voor een extra contrast. Aan de ene kant dood en verderf, aan de andere kant Gods zegen en geestelijke verheffing. Dit laatste woord, ‘verheffing’, is de link bij uitstek. Maar liefst ruim 10.000 artefacten van de Alphen werden in een periode van meerdere jaren boven water gehaald, volgens de dichter met de zegen van geestelijk verlichte getuigen. Deze activiteiten hadden dus veel meer met dreggen te maken dan met lichten, wat de poëtische pret zeker niet mag drukken. Feitelijk kun je hetzelfde zeggen van Broeks manier van dichten. Dreggen is zoeken, lichten is vinden. Dreggen is intensiever, efficiënter en vooral spannender dan iets simpelweg uit het water tillen.
Broek vond hier hoe dan ook de titel van zijn bundel óf zocht daar achteraf passende verhalen bij. Ik opperde aan het begin van deze bespreking twee betekenissen van de titel: 1) het uit zee omhoog hijsen en 2) het oplichten, glanzen. Na bestudering van dit laatste deel moet ik ook noemen: 3) het van gewicht lichter worden of maken, want de dichter zegt daar: “licht waar fondsen // weten te verheffen”. Het woord ‘onbezwaard’ in dit verband is een heuse trouvaille. Los van de bundel kwam ik ook nog tot: 4) de mogelijkheid dat het de jaren zélf zijn die iets lichten of lichter maken, populair gezegd ‘tijd heel alle wonden’ en dat is een interpretatie die toch ook uitstekend past in Broeks compositie.


Als we alles op een rijtje zetten komen we tot het volgende resultaat. ‘Het lichten van de jaren’ is een debuut en moet als zodanig beoordeeld worden. Deze eerste bundel is echter wel van een geoefend auteur die, als rijpe vijftiger, in het leven gepokt en gemazzeld mag heten, zeker gezien zijn interculturele achtergrond. Waarschijnlijk mede door de ervaringen op twee hoofdlocaties heeft Broek veel aandacht besteed aan dualisme in verschillende domeinen. Ik noem de belangrijkste.
Ik noem natuurlijk het zoeken naar een balans tussen de inhoud en de vorm; tussen opvallend sterke emoties om precies te zijn (het gamma varieert van destructief heftig tot oplossend teder) en een goed doordachte compositie.
Ik noem de drang naar het overspannen van wat gaapt tussen het verleden en het heden, twee verschuivende belevingsvelden die bij Broek tegelijk toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Ik noem de spanning van de in dit boek veronderstelde keuze tussen man en vrouw, of tussen het mannelijke en het vrouwelijke, een thema dat, volgens Broeks uitwerking, op zich al een recensie waard is.
Ik noem de wisselwerking tussen individuele processen en collectieve waarden, en centraal daarin de vraag van elke serieuze schrijver naar de wijze waarop het eigen bestaan te bestendigen valt in de gemeenschappelijke tijd.
Ik noem zeker ook de strijd tussen concrete werkelijkheid, de behoefte om met beide benen op de grond te staan enerzijds en de wereld van symbolen, het geheel van gewenste en gedroomde situaties anderzijds.
Ik noem tenslotte het literaire spel met de afwegingen die Broek op veel momenten maakt tussen wel open willen zijn en toch nog moeten versluieren. Dit spel wordt zo goed uitgevoerd dat het een meerwaarde vormt. De meeste lezers zullen er extra geprikkeld door worden.

Broek heeft het zich dus aantoonbaar niet gemakkelijk willen maken. Hij heeft heel wat zitten broeden en daarna alles gegeven. Zijn ambitie was bewonderenswaardig hoog, zijn inzet deed daar niet veel voor onder. Dat het beoogde resultaat niet volledig behaald is, komt vrijwel alleen op het conto van de nog haperende stijl, waarvan hierboven met name voorbeelden uit de beeldspraak zijn gegeven. De beheersing van het materiaal in het hoofd bleef vooralsnog groter dan die van het proces op papier. Dat mag een debutant echter niet zwaar aangerekend worden.
Door ‘Het lichten van de jaren’ heen schemert bijna overal de bundel die Broek voor ogen had en met een meer geraffineerde aanpak tot stand had kunnen brengen, zonder aan effect te hoeven inboeten.

Zoals gezegd, ‘Het lichten van de jaren’ is een opmerkelijke bundel, wat mij betreft een van de opmerkelijkste zelfs van 2010. Broek is verplicht tot het inlossen van de belofte die zijn debuut oproept. Deze bespreking, redelijk lang maar toch nog te kort voor alle perspectieven die hij opende, wil de dichter aansporen zich aan zijn woord te houden en de lezers opnieuw te verrassen, zowel die op de Antillen als die in de polders en veenlanden!





Recensie: Albert Hagenaars, juli 2011.
Uitgever: In de Knipscheer, 2010.
ISBN: 90-90-6265-649-3
Foto: © In de Knipscheer.


REACTIES:

Heb de gedichten gelezen. Is inderdaad een geoefend schrijver, mooie gedichten, maar waarom is de man zo somber en ernstig? De natuur is genadeloos, maar ook genadeloos mooi. Dat is mijn overtuiging. De gedichten zijn prachtig. En Tip Marugg...was hem vergeten, maar ga hem weer lezen. Ik ga nu natuurlijk gelijk kijken of zijn werk digitaal verkrijgbaar is.
Mona la Maitre, Breda.


Het heeft all in all tien jaar genomen om tot deze dichtbundel te komen … tja … een vervolg zou wel eens net zo lang kunnen nemen … of er misschien wel nooit van kunnen komen … ik heb geen idee … dat klinkt misschien wat vreemd, maar deze bundel is heel langzaam gegroeid … pas in een heel laat stadium meende ik in portefeuille een ‘geheel’ te hebben, dat een bundel vormde … en toen nam het nog twee jaar alvorens ik ermee naar buiten kwman … wat ik in portefeuille had, is er uitgekomen, behalve dan de twee ‘spotdichten’ die niet in de bundel kwamen, en waarvan er een nu toch naar buiten is gekomen … die ander komt ook nog wel bij gelegenheid.
Het dichten is een raadselachtig proces … alle gedichten komen voort uit bijzonder turbulente ervaringen … en proberen de ‘storm’ te temmen …
Ik hoop eigenlijk niet teveel van die ‘stormen’ meer mee te maken … wat zou kunnen betekenen dat er ook geen gedichten meer komen (?)
Tja, het temmen van stormen… het is mij wel duidelijk geworden dat voor sommige lezers de gedichten hier en daar, of in het algemeen, nog teveel de ‘storm’ tonen en te weinig beheersing … Ze bedoelen wel de lezer te laten ‘tollen’, zoals ik zelf tolde, maar ook om het temmen ervan kenbaar te maken … Enfin, zoals je schreef, eigenlijk is het een ‘boek’.

Aart Broek, Nederland.
Zie ook:
http://caraibischeletteren.blogspot.com/2011/05/aart-g-broek-bestuurlijke-zinnen.html



Ik vind deze poëzie een beetje overrompelend en sorry, zelfs lichtjes irritant. Het lijkt wel of Aart Broek, bij gebrek aan werkelijke (‘manlijke’) kracht, zichzelf in woorden harnast.
Ik vind hem dan ook gekunsteld hier en daar, ondanks de vindingrijkheid aan woorden. Ook dat hij veel dezelfde woorden gebruikt en dat een aantal beelden inderdaad niet klopt. Een enkele maal werkt hij zelfs op mijn lachspieren: "voorbij feilbare bezweringen, die schokkend het eigen handgeslagen falen in jouw schoot schiet waar het op de door millennia gepolijste kust verstuift."
Nou, dan denk ik: die man kan er wat van. Meen ik wel wat ervaring te hebben op dat punt, ben ik hier toch even sprakeloos. Jammer, want de sfeer van zijn wereld komt wel op me over. Ik zie hem aan tropische kusten met een langzaam verkleurende avondhemel boven zee. Zijn mooiste strofe vond ik:
"Na de schroeiende hitte van de jaren achter/mij reik jij de frisse zilte wind van de Bosporus/aan." Hier valt eindelijk de rust die ik achter al dat woordgeweld vermoedde.

Catharina Baggermans, Nuenen.

woensdag 1 juni 2011

WIM VAN TIL - Omwegen



OUDE HELDEN, NIEUWE ROLLEN

Over ‘Omwegen’ van Wim van Til

Wie Wim van Til (º1955, Leiden) ook kent buiten zijn dichterschap zal zich wel eens afvragen hoeveel poëziebundels er niet door hem geschreven konden worden vanwege zijn andere verdiensten voor de dichtkunst. Hij was o.a. voorzitter van de coöperatie Opwenteling in Eindhoven (een organisatie die al 50 jaar bestaat, honderden bundels uitgaf en momenteel een doorstart maakt) en diverse malen jurylid en is al jaren directeur van het in Boekenstad Bredevoort gevestigde Poëziecentrum Nederland. Dat zijn bepaald geen kleine klussen! Geen wonder dat van Tils oeuvre nog steeds bescheiden van omvang is. Het grootste deel daarvan verscheen in 2000 bij uitgeverij WEL, in het overzicht ‘Sleutelhouder – Gedichten 1979-1999’.

Verleggen we onze blik echter van de kwantiteit naar de kwaliteit dan zien we een oeuvre dat een grote toevoegende waarde vertegenwoordigt. Van Til is dan wel een onverbeterlijke organisator en gedreven animator die schijnbaar veel tijd verliest aan de meest uiteenlopende projecten (meestal ten bate van derden dan nog) maar gelukkig zien we diezelfde eigenschappen in zijn gedichten. Die staan bol van taalspel –elk deel van deze samenstelling is even belangrijk- maar tonen tegelijk een grote aandacht voor de organisatie van zijn spel. Ze vormen cerebrale bouwsels in plaats van lyrische bevlogenheid en komen toch speels en spontaan over. Nog een andere tegenstelling: de teksten maken nauwelijks gebruik van een traditionele verworvenheid als klankovereenkomst maar zijn doortrokken van beeldspraak.

De bundel ‘Omwegen’, bestaande uit de eerder verschenen reeksen/bundeltjes ‘Aaltense zangen’, ‘Hier, daar is ze’, ‘De reestap over het leenveld’, ‘In gindse verte’ en ‘In G’ alsmede krachtig gestileerde abstracte prenten van de Bergen op Zoomse graficus Gerrit Westerveld, is hierop geen uitzondering. Meteen al het openingsgedicht klinkt als een credo:


Over het Spoor

De oogst keert nooit terug; wie op de cirkel
gang vertrouwt, blindt zich een pad zonder leeftocht,
zonder uur, zonder eindweegs een keerlus.

Nee, Muze, maak mij geen dichter. Ik ben
slechts de brenger, de voeger. Mijn zwoegen
leidt verdwijnen in, ik licht een steen.

Weerloos is de nemer, de jager. Die vindt uit
naam van de dader de doder, in die van
de maker, de moker. Nee, Muze, geen dankbare

dichter. Hoe de geworpen steen zich punt na
punt in de ruimte koest houdt naar wat vast
staat: de eeuwige plek van zijn val.



De titel is bijvoorbeeld ook al meer dan een naam. Er zit meervoudige betekenis in zowel het voorzetsel als het zelfstandig naamwoord (wat minstens vier verschillende duidingen oplevert) en ook met het kapitaliseren van de S in het laatste woord slaat van Til een handschoen in het gelaat van de gemakzuchtige lezer. De andere titels in deze reeks doen daar overigens duchtig aan mee: ‘Over de Brug’, ‘Over het Noorden’, ‘Over de Sloot’, ‘Over het Gras’ etc. Dit is slechts een van de vele voorbeelden van de consistentie die Van Tils producten ondanks alle ontwikkeling kennen.
Vervolgens wordt een van de klassieke symbolen van levenscycli ontcirkeld en in één adem het woord cirkelgang van z’n vertrouwde verbinding ontdaan. De boodschap luidt hier in diverse geldende parafraseringen: ga niet uit van het verworvene, zet elke stap als ware het de eerste, blijf je vernieuwen, kies voor vrijheid, ruimte, kortom avontuur! De keuze voor neologismen ondersteunt dit poëtisch betoog. Tegelijk gaat de dichter archaïsmen als ‘eindweegs’ en clichés als ‘Muze’ niet uit de weg! Mag je dat vertalen als: iemand die werkelijk vrij is, kan desgewenst terugvallen op verkalkte of versteende vormen? Als het antwoord bevestigend is, houdt dit óók in dat je er dan nieuw leven in moet blazen. Klop het stof eraf, ontkalk het woord en verleen het een nieuwe functie. Dit doet Van Til vaak en hij doet het, eerlijk is eerlijk, dermate intelligent dat hij tot een van de grote vernieuwers van de Nederlandstalige dichtkunst behoort!
Hij trekt de lezer in een nieuw probleem waar hij de inspiratiebron, wat daar verder ook onder verstaan mag worden, verzoekt hem vooral geen dichter te maken en dat terwijl hij volop met een als gedicht bedoelde tekst aan de slag is! Hij legt uit dat hij liever een brenger (leverancier?) en voeger (voltooier?) is. Wordt hier afgerekend met een van de traditionele beelden van de dichter, de met Grote Emoties en Onbereikbaar Nobele Doelen behepte Romantische Held, met wie zoveel lezers in hun comfortabele fauteuil zich graag identificeren? Hij werkt dan wel hard (‘zwoegen’ en ‘stenen oplichten’) maar is uit op verdwijnen. Tegelijk maakt hij de stenen ook lichter. Het prepositionele deel van de infinitief, ‘op’, ontbreekt niet voor niets.
De derde strofe zet in met de gedachte dat wie schept zich weerloos moet opstellen, zich open moet stellen, bloot moet durven te zijn. Die koppelt hij dan weer aan de onderscheiden betekenissen van vinden en uitvinden. Je kunt namelijk lezen: 1) hij vindt iets, uit naam van de dader, maar ook 2) hij vindt uit, de naam van de dader enz. Beide doen er toe in dit discours. Met dader/doder en maker/moker heeft van Til uiteraard ook een zinvolle kruisstelling betrokken. Zet een ander accent en je hebt een ander perspectief. Knap gedaan.
Hij herhaalt zijn oproep hem geen dichter te maken maar als het niet anders kan dan in elk geval geen dánkbare dichter. Nooit immers is het werk gedaan. En nu wordt een Sisyphos-motief duidelijk. Daarom is er natuurlijk sprake van stenen! Maar in plaats van ze te lichten en omhoog te rollen en opnieuw te moeten optillen en opwaarts zwoegen werpt de protagonist van Van Til ze omhoog, waar ze, wonder boven wonder (maar zulke wonderen transformeren nu eenmaal teksten met literaire trucjes in werkelijke poëzie) blijven hangen! Nee, niet waar, ze blijven niet hangen maar ‘houden zich punt na punt koest’ wat een vergelijkbaar effect mag heten. Bestendigheid is er ondanks deze punten, die beweging suggereren, immers wel degelijk want er staat iets vast. Wat kan dat zijn? De zekerheid dat wie het onmogelijke nastreeft eeuwig ten val zal komen. En daarmee bewerkstelligt Van Til het samenvallen van twee van de belangrijkste mythes van de westerse cultuur, die van Sisyphos en die van Icaros! Over ‘Omwegen’ gesproken.
En dit is nog maar een globale benadering van het eerste gedicht… Dit dunne boekje roept folianten met reacties op, en verdient die ook!

Ik spoor de lezer derhalve aan eenzelfde leesjacht te openen op het volgende, aan ‘De reestap over het leenveld’ ontleende, gedicht:


I

Dat het zich aandient, mij aanblikt
op afstand, mijn ogen over de grenzen brengt,
dat het mij leidt om de gedeelde straat
naar de plaats van het oeroude moerasbos.

Dat het van zo ver kwam tot dichtbij, dat het
met dunne vingers uitgestrekt bijna raakbaar
werd, schuchter tegen de tussenruimte van tijd,
dat het zich hult in de warmte van geleende asem.

Dat zij weeromkeert nu ik haar aanschrijf, dat zij zich
inkeert en doeltreffend opduikt. Dat wij moeten blijven,
alsof er geen sluisdeur haar toekomst verwittigt,
alsof er geen zwaard hangt boven de velden.

Zal toch ook dit woord dat haar roept
mettertijd zich versnipperen tot
een schamele rest van haar wezen?



Aan de slag!





Uitgeverij: Kleinood & Grootzeer
Recensie: Albert Hagenaars, 27 februari 2011
Foto: © Vera Seppion

MARK INSINGEL - Gezichten


EEN NICHE IN DE POETISCHE TOVERBERG

Volgens diverse onderzoeken zijn er honderdduizenden mensen in ons land die gedichten schrijven, van wie vele duizenden ook wensen te publiceren. Tegelijk gaat het met de verkoop van poëzie steeds slechter. Geen wonder dus dat het dringen is bij de uitgevers. Meer dan ooit komt het erop aan op te vallen, een eigen terp in de lyriek op te werpen, én te behouden.

De Vlaamse dichter Mark Insingel (ps. van M. Donckers, º1935) mag tevreden zijn; niet alleen zijn zijn producten meestal onmiddellijk te herkennen, ook verscheen voor de tweede keer een overzicht van zijn werk, na ‘In elkanders armen’ in 1990 (de ‘verzamelde gedichten’ tot dan toe) nu de cassette ‘Gezichten’ met 63 verzen op grote losse bladen. Vreemd dat de uitgever beweert dat de selectie op een keuze van ‘de lezer’ berust want het gaat om teksten die in bloemlezingen en studies opgenomen werden, en op posters, ansichtkaarten en T-shirts afgebeeld en/of vertaald werden. Hoezo lezer?

Insingel begon 30 jaar geleden met zgn. concrete poëzie, een stroming waarin typografie en inhoud optimaal samenvallen, de taal eerder naar zichzelf verwijst dan naar de buitenwereld. Namen die hierbij horen zijn o.a. die van de dichter Paul de Vree en het tijdschrift De Tafelronde. Stelt u zich het woord cirkel bijvoorbeeld voor waarvan de 6 letters zich in klokvorm schikken. Zo flauw deed Insingel nooit, toch bleef ook hij soms in de goede bedoelingen steken. Een bekende tekst van hem bestaat uit de 2 enorme letters I en K, die elk opgebouwd zijn uit het veelvuldig herhaalde woordje ‘men’. Verrassend om voor het eerst te zien, maar het ontstijgt het visuele effect niet. Insingel moet dat zelf ook begrepen hebben want zijn aandacht verschoof langzaam maar zeker naar een traditionele opbouw van de tekst. De zinnen staan keurig onder elkaar, al dan niet gescheiden door witregels. Inhoudelijk echter bleef hij zijn ideeën trouw. Juist door een sobere aanpak weet hij onthechting en vervreemding gestalte te geven.Herhaling en minieme variaties spelen vanzelfsprekend een grote rol: Ik zei dat het niet kon / en hij zei dat het moest. / Ik zei dat ik niet wilde / en hij zei dat hij me zou verplichten. / Ik zei dat ik zou weerstand bieden / en hij zei dat hij de sterkste was. / Ik zei dat hij me slechts kon dwingen / en dat hij er dan ook niets aan had. / Hij zei dat hij me inderdaad kon dwingen / en dat hij er dán pas iets aan had.

Insingel streeft onophoudelijk naar helderheid en zuiverheid, niet alleen waar het om begrippen als politiek en macht gaat zoals hierboven maar ook over zoiets vaags en persoonlijks en, in de moderne kunst althans, zoiets verdachts als schoonheid: Mooi is nooit ongeveer. / Het is dus pijnlijk. / Mooi is precies. / Het is dus moeilijk. Mooi is niet evenzeer. / Het is dus enig./ Mooi is juist. / Het is dus waar. Of de lezer het met deze conclusies eens is of niet, hij wordt aangespoord z’n eigen standpunt dienaangaande te bepalen en dit is één van de kenmerken van goede gedichten: ze zetten aan tót!

Onvermijdelijk raakt de dichter soms in filosofisch vaarwater, getuige o.a. een andere treffende bewering: Een schot in de roos, raakt het hele landschap. Waar is de roos? Het is een van de vruchtbare tegenstellingen dat Insingels werk diens credo strikt trouw blijft én zich tegelijk in diverse richtingen wil en kan laten verklaren; het verspreidt zich over meerdere aandachtsgebieden en houdt zich daar meestal staande.

Door veel dichters, wars van uitleg, wordt beweerd dat hun gedichten maar voor zich moeten spreken, doch het een sluit het ander niet uit. Zo bevat deze cassette een bijlage getiteld ‘We maakten zulke mooie dingen’ met een 10 pagina’s tellende introductie van Tom van Deel, die goed uitpakt. Zowel Insingels ontwikkelingen als principes komen beknopt maar relevant aan bod.

Maar liefst 50 van deze 63 teksten stonden ook in de bundeling van 1990. Dat is een dermate grote overlapping, dat de bezitter van ‘In elkanders armen’ nu geen bestelling meer hoeft te plaatsen. Anderzijds claimt Insingel terecht zo’n grote niche in onze poëtische toverberg, dat ‘Gezichten’ makkelijk een aanwinst wordt voor degenen die zijn oeuvre nog niet kennen.


Mark Insingel: ‘Gezichten-gedichten’. Uitgever: In de Knipscheer. Prijs: ƒ 65,00

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in De Haagsche Courant, oktober 2000.

Recensie: Albert Hagenaars
Foto: maker onbekend

zondag 15 mei 2011

ERIC WOBMA - Mixed bag





Eric Wobma (º1962) liet voor het eerst weten behept te zijn met een drang tot expressie toen hij nog in Bergen op Zoom woonde, de stad waar hij opgroeide en vader Otto Wobma meerdere bioscopen beheerde. In de jaren tachtig was hij actief voor o.a. Poëzie-uitgeverij WEL en de literaire boekwinkel Quist. Hij schreef o.a. reisverslagen en prozakritieken (vooral over Latijns-Amerikaanse romans) en had al een grote passie voor film. Z’n eerste stappen op dat gebied zette hij door mee te werken aan ‘Trouble in paradise’, een productie uit 1989 van Luc Pien en Otto Wobma onder regie van Robbe De Hert.
Na een vakantie in winters IJsland en een veel langer verblijf in Parijs verhuisde hij net als zijn stadgenoot en collega Adriaan Ditvoorst (1940-1987) naar Amsterdam. De laatste 25 jaar werkte hij in verschillende landen in de filmindustrie, voornamelijk als lichttechnicus, tussendoor ook als manusje-van-alles, zodat hij het vak tevens in de breedte leerde kennen.

Eind 2007 presenteerde hij via de eigen productiemaatschappij Raving Butterflies z’n regiedebuut, de kortfilm ‘Mixed Bag or What’s in a dream’. Die is met haar bescheiden duur van 12 minuten gelijk een schot in de roos. De film was op tal van festivals te zien en won een tweede prijs op het Bridge Fest in Vancouver en de eerste in de rubriek Experimental op het Twin Rivers Media Festival in Amerika!
De hoofdrol wordt gestalte gegeven door Hans Dagelet. Een minder prominente rol (maar wel voor drie verschillende personages tegelijk) wordt gespeeld door Sofie Knijff.
Feitelijk gaat het om een film in een film en, afhankelijk van je interpretatie, in nog weer een andere, een procédé waarvoor z’n (ooit) belangrijke inspirator Jorge Luis Borges hem wellicht een duwtje in de rug gaf.



Het verhaal. We zien de hoofdpersoon in de Amsterdamse binnenstad wandelen en zich bij klanken uit de cellosuites van J.S. Bach over een brug buigen. Daarbij knakt het meegedragen boeket. Hij gooit de witte bloemen in het water. Vrijwel meteen daarop schemert het en wordt de man, alsof hij op een lopende band staat (treffend in beeld gebracht door Mick Durlacher), naar een andere locatie geschoven.
Het blijft onduidelijk of de daaropvolgende scènes flashbacks, momenten in het heden of vooruitwijzingen zijn. Voor het verhaal maakt dat niet veel uit. Belangrijker is het motief van de tas (zie titel), dat in een drietal stappen dat van de bloemen overneemt.
De man loopt door een gang met zuilen en belandt bij een kampement met lege huisjes die eruit zien alsof ze van karton of plastic zijn gemaakt. De man gaat een van de huisjes in en komt uit een ander weer naar buiten. Terugkijkend blijft deze scène een Fremdkörper in de film, zeker omdat de man verder loopt en, zelfverzekerd glimlachend, bij een huis uit de dagelijkse realiteit aanbelt. Hij deinst echter, terwijl zacht geklingel en enkele krekelachtige geluiden klinken, achteruit en neemt een bokshouding aan. Wanneer de deur openzwaait, betreedt hij het huis. Er gaat een onvermoed groot complex van gangen en kamers achter de gevel schuil. Voorzien van een grote lamp gaat hij de kamers door. Van symbolische betekenis is eveneens dat hij tweemaal een trap afdaalt. Of Wobma daar nu het onderbewuste mee voor ogen heeft of niet, feit is dat de kijker dieper in de film gezogen wordt. Het personage, dat tot nu toe nog geen woord gesproken heeft, en dat ook niet zal doen, stapt door een kralengordijn een rommelig aandoend vertrek binnen waar drie vrouwen bij kaarslicht zitten. Toch gaat groot licht aan. De man loopt tegen een leren tas. Hij neemt die op maar staat toe dat de oudste vrouw hem met enkele boze kreten uit z’n handen trekt. Ze klapt een stoel uit tot een trapje en zet de tas voor hem onbereikbaar hoog weg. Hij neemt een koffertje op, dat door een jongere vrouw afgepakt wordt. Er ligt nog een zak op de vloer maar de man durft die niet meer op te nemen. De derde vrouw komt op hem af en staat, een bevallige zo niet verleidelijke pose aannemend, toe dat hij de zak toch opraapt. Uitgesproken bang kijkt hij naar haar maar blijkbaar is er iets achter hem want hij kijkt geschrokken om, staart in het blikveld van het publiek en schuift achterstevoren terug naar de realiteit van de donkere straat. Daar opent hij de zak. In plaats van bloemen, die ik er zelf in vermoedde, haalt hij een tandenborstel en rolletje wc-papier tevoorschijn. Teleurgesteld gooit hij die op de grond, pal naast een riooldeksel, en wandelt de nacht in…

Bij dergelijke gebeurtenissen en zoveel verwijzingen valt er een hoop te duiden. Hoewel de film dus een uitgesproken surreëel karakter draagt, ben ik daar zelf niet in de eerste plaats op uit. Dat laat ik graag aan de kijkers over, die ieder toch met andere betekenissen zullen komen.
Nee, voor mij is van meer belang dat Wobma erin geslaagd is om binnen een kort tijdsbestek meerdere tastbare werkelijkheden op te roepen en elk van de te onderscheiden ruimtes door middel van variërende vervreemdingseffecten zodanig te bezielen dat je de film gemakkelijk opnieuw kunt bekijken zonder dat hij begint te vervelen. De beelden blijven spannend, en dat niet alleen, ze bezitten ook een moeilijk te benoemen autonome schoonheid, pure poëzie. In dit opzicht verraadt Wobma z’n literaire achtergrond niet.

‘Casting director’ Monique Durlacher maakte een prima keuze; Hans Dagelet zorgt ervoor met z’n lichaamshouding maar veel meer nog zijn manier van kijken de meest uiteenlopende gewaarwordingen over te brengen. Soms doet hij dat concreet, scherp omlijnd, bijvoorbeeld op de momenten van angst en verlangen, maar daartussen zitten allerlei vage en in elkaar overlopende schakeringen die de film emotioneel meer kleur geven dan je op basis van de overwegend donkere beelden verwacht. Bachs dwingende vervlechtingen garanderen bovendien een auditieve versterking.

Hoe ingetogen uitgevoerd ook, ‘Mixed bag’ is drama van hoog niveau. De film zal z’n doel nog lang blijven treffen!





Eric Wobma – Mixed Bag or What’s in a dream…; Productiemaatschappij: Raving Butterflies; 2007; ISBN 978-90-74867-06-1.

Recensie: Albert Hagenaars, 2011.
www.alberthagenaars.nl

zaterdag 16 april 2011

ROGER NUPIE - Abrikozen voor Ali

.


ABRIKOZEN VOOR ROGER

In de hedendaagse poëzie is het bon ton om ingehouden te schrijven over tragedies, rampen, oorlog, in plaats van uit te pakken met exuberante beschrijvingen om de emoties eens goed op te schudden of maar geen detail over te slaan.
Het maakt hierbij niet uit of het onheil van persoonlijke aard is of een compleet volk treft. Zoals Marga Minco, met name in 'Het bittere kruid', liet zien wat een ingehouden toon voor het proza kon betekenen, bewees Armando in de poëzie, maar niet alleen hij natuurlijk, dat slechts een paar woorden, mits zorgvuldig gekozen, in staat waren een complete wereld vol ellende op te roepen. Beide auteurs worden met elkaar verbonden door een fascinatie voor het fenomeen macht, en vooral het ontbreken daarvan, de onmacht, de machteloosheid. Let op het verschil tussen deze twee begrippen.

Roger Nupie (º1957, Keerbergen), die zich in 'Abrikozen voor Ali' eveneens op deze thematiek richt, zal het werk van deze schrijvers wel gelezen hebben en wie weet bestudeerd maar wekt de indruk dat hij zelf voor zijn overdracht ook niet anders dan op een uitgebeende zegging uit kon komen.
De grote vraag bij zo’n aanpak is natuurlijk: hoe ver kun je als dichter gaan? En, als lezer? Waar staat weliswaar geen woord teveel maar breekt de poëtische spanning door gebrek aan samenhang of context? Bereikt, anders gezegd, Nupie zijn doel? En hoe zou dat doel dan moeten luiden?

De titel is afkomstig van de in Irak gebezigde uitdrukking ‘morgen zullen er abrikozen zijn’, wat zoveel betekent als ‘na regen komt zonneschijn’. De associaties die dit gezegde oproept zijn eerder onschuldig en liefdevol. Al in de tweede regel van het inleidende gedicht van dit dunne bundeltje echter vernielt een raket het huis waarin een twaalfjarige Ali ligt te slapen. In regel 3 wordt zijn zwangere moeder daardoor gedood en in regel 4 ook nog eens zijn vader en broertje. Ali overleeft maar is wegens brandwonden zwaar gewond. Er is sprake van oorlog en vijandelijke partijen als Amerika en Engeland. De inleiding doet z’n werk, de toon is gezet: deze poëzie gaat over de aanval op Irak of moet ons daaraan doen denken!
Is deze pakkende eerste tekst weliswaar nog strofisch gebouwd maar ook bladvullend lang en verhalend van toon, bijna alle volgende pagina’s bevatten korte tot ultrakorte teksten, waarvan geen enkele een titel draagt. Nupie verwijst nergens meer direct naar Irak, zodat de inleiding een metafoor genoemd mag worden voor alle situaties waarin onschuldigen geslachtofferd worden. Welke omstandigheden zijn daarvoor inderdaad meer geschikt dan een oorlogssituatie? En zeker een die ongelijkwaardigheid kent, met één technisch oppermachtige partij.

Degene die daaraan mocht twijfelen, drukt Nupie nog snel even met de neus op een citaat van Willem Brakman: "Taal noch teken, ook na de oorlog niet".
De poging om deze ontlening waarheidsgehalte te geven, bevat al direct een van de vele contradicties van de bundel want Nupie kan niet anders dan met taal en teken aangeven dat er geen taal en teken zullen overblijven. Daar zit meteen ook zijn kracht want wie weinig woorden wil gebruiken is gedwongen om extra stijlmiddelen in te zetten zoals tegenstellingen dus ja, en humor. Beide toepassingen worden door Nupie uitstekend gebruikt, hij laat ze zelfs herhaaldelijk samenvallen. Natuurlijk moet hij daarbij voor de humor uitwijken naar ironie en sarcasme, zoals in het titelloze:


Geen hoofdpijn
maar ook

Geen
hersenpan.



Dit is, voor alle duidelijkheid, het hele gedicht. Voor wie niet in staat is het begrip poëzie van een optimaal breed begripskader te voorzien: geef toe dat het op z’n minst een doordenkertje is.
Ik zelf, en ik wil niet bekrompen zijn, vind deze vier regeltjes op zich geen poëzie. Maar ik ken er wel een poëtische functie aan toe, in het geheel van de bundel. Ze bepalen mede de toon en de sfeer van 'Abrikozen voor Ali'. Nupie is intelligent genoeg om te beseffen dat hij niet kan volstaan met alleen dit soort regelbeten. Zijn bundel heeft hier en daar een ankerplaats nodig. Daarin voorziet hij met een paar langere teksten, zoals:


Wat een dolle bende toch,
deze heren op rijpere leeftijd.

Rondedansjes, soldatenliederen,
Old Shatterhand, Winnetou.

Herinneringen als zoete koek,
overslaande stemmen.

Voortreffelijke heren, beetje mank,
maar voorwaar nog monter.

Plots motregen.
Een minuut stilte.



Hierin komen nog twee andere kenmerken aan bod: het gebruik van werkwoordloze zinnen, zodat de lezer aangespoord wordt die aan te vullen (en er als co-auteur vanzelf meer bij betrokken raakt), plus het spelen met beelden die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben en zich soms uitgesproken vrolijk en daarmee onschuldig voordoen.
Soms is Nupie, en dan duikt alweer zijn vijfde kenmerk op, nog dwingender, kapt hij zinnen vroegtijdig af zoals in de tweede helft van:


Amputeer zijn tweede been,
het eerste heeft hij nooit gemist.

Wat er aan romp rest,
gooi het weg.

Vergeet de voetstappen
die hij achter zich!

Bijtijds omdraaien:
een gewaarschuwd man-

Aan flarden even later,
want te laat bespeurd.



Hier is hij er voorbeeldig in geslaagd de onrust en schrik van een bedreigende situatie in taal te vangen. Aan vaardigheden geen gebrek dus, Nupie is een onderlegde dichter!

Om nog even op zijn bedoeling terug te komen. Die kan niet anders uitgelegd worden dan als de behoefte een fel protest te laten horen tegen oorlog, tegen de misdaden die onder die noemer plaatsvinden, tegen de rechteloosheid, tegen het kwaad dat ook onlosmakelijk bij onze soort hoort. Zoals Armando al als puber ontdekte, toen hij voor het eerst foto’s van vernietigingskampen zag, als onderschrift las: ‘Onmenselijke handelingen’, en tot de conclusie kwam dat het gebeurde helemaal niet onmenselijk was maar juist menselijk!
Nupies onderwerp is dus helemaal niet origineel maar dat is oorlog evenmin, al verandert het gezicht ervan steeds, en juist daarom moeten er ook bundels als Abrikozen voor Ali blijven verschijnen, niet in naam van de poëzie maar in naam van alles waar de poëzie voor wil staan! Vanuit deze gedachte heeft Roger Nupie zeker zijn doel bereikt, hij is gaan weten, hij heeft zijn stem verheven, hij heeft niet gezwegen!
Wat zijn woorden zouden kunnen bereiken is echter een andere discussie. Zijn lezers zullen het natuurlijk met zijn bevindingen eens zijn, er zullen enkele recensies verschijnen en misschien bestellen ook wat bibliotheken het bundeltje maar dan houdt het ook wel op…

Maar wat is het alternatief?



Roger Nupie – Abrikozen voor Ali. De Oostakkerse Cahiers, 2005. ISBN: ontbreekt

Foto: Vera Seppion

Albert Hagenaars, mei 2006

dinsdag 5 april 2011

PAUL CLAES - Glans Feux

.


EEN RECYCLIST IN VOL ORNAAT

Het gebeurt niet alleen op de markt maar ook in de boekwinkel! De laatste jaren worden we steeds vaker verwend met meertalige bundels. Paul Claes deed ook een duit in dat al luider rinkelende zakje, en terecht, want als iemand zich lange tijd door andere talen en culturen liet doordesemen dan wel een ouwe rot op vertaalgebied als deze 57-jarige medewerker van de Leuvense universiteit. Hij vertaalde werk van o.m. Catullus, Rimbaud, Mallarmé en, samen met Mon Nys, Joyce, won voorts terecht de prestigieuze Nijhoff-prijs (in 1996) en herschreef in De Phoenix, die bol staat van pastiches en verwijzingen naar de klassieke letteren en hem aan een Libris-nominatie hielp, het leven van de 15e-eeuwse Italiaanse denker Picodella Mirandola. Ik noem deze roman alleen al omdat hier het thema opduikt dat ook in zijn nieuwe poëziebundel een grote rol speelt: de tegenstelling tussen de klassieke en moderne westerse samenleving: het ene ongebroken wereldbeeld tegenover de versplinterde beleving van de realiteit waaraan wij onze kicks ontlenen.

De titel van zijn recent verschenen 'Glans/Feux – gedichten/poèmes' geeft het al aan, het gaat om poëzie in het Nederlands en het Frans maar de betreffende gedichten zijn geen directe vertalingen. Anders zou de bundel ook wel Glans/Clarté of Glans/Lueur of Glans/Brillance geheten hebben.

'Feux' is ouder; deze reeks verscheen al in 1992 in een bibliofiele editie bij De Diamant Pers. 'Glans' verscheen vorig jaar bij Regulieren Uitgeverij, eveneens in een beperkte oplage. Mede omdat in de hele bundel de Franse teksten steeds op de linkerbladzijde staan en de Nederlandse rechts, had het boekje beter Feux/Glans kunnen heten. Maar dit terzijde. Glans/Feux biedt gedichten die tweemaal maar telkens vanuit verschillend gezichtspunt verteld worden. Dante en Rimbaud komen ook nog om het hoekje kijken want 'Glans/Feux' bestaat uit 3 delen: 'Destruction / Vernietiging', 'Purification / Zuivering' en 'Illumination / Verlichting'.

Inhoudelijk leefde Claes zich opnieuw uit in het reusachtige bestand van Griekse mythen. De uitgever was zo verstandig achterin 6 blz. met verduidelijkingen over o.a. Iocaste, Antaeus, Gorgo en Semele (elk Nederlands gedicht komt aan bod) op te nemen. Daar werd goed over nagedacht, want in elk stukje wordt meteen naar het corresponderende vers in het Frans verwezen. De extra informatie moest aan de Nederlandse titels gekoppeld worden, omdat die alle de naam van een personage dragen. De Franse titels luiden o.a. 'La Loi', 'La Vierge', 'La Reine' en 'Actéon'. Wie deze laatste naam niet kent, zoeke achterin bij het parallelle vers Artemis. Het is dus wel een bundel met een gebruiksaanwijzing maar wat is daarop tegen? Mij hoor je niet klagen; ik houd wel van enig gefröbel.

Qua vorm rijgt Claes zich in twee korsetten: voor het Frans in sonnetten van ultrakorte regels die slechts twee en drie lettergrepen per vers tellen, voor het Nederlands in kwatrijnen, bestaande uit twee disticha, elk gebaseerd op een hexameter en een pentameter, die Claes, jawel, netjes bij de cesuur scheidt.
De keuze voor het sonnet was hoogst ongelukkig omdat de regels te kort zijn om het onvermijdelijke en niet minder ongewenste effect van rijmdreun te voorkomen. Bijkomend nadeel is dat Claes zich lang niet altijd een gewiekste rijmelaar betoont: reeksen als vois-moi-toi en prendre-prétendre-tendre verwacht je eerder bij de gemiddelde francofone puber. In zijn Nederlands had het waarschijnlijk niet anders uitgepakt. Het is dan al gauw een verademing om meer genuanceerde klanken te ontdekken als amante-tourmentent-patiente en troublant-prend-flanc. Er is ook klankovereenkomst tussen beide talen: La pêne (dat zowel een schoot is als een tong van een slot) rijmt onopvallend op Penelope in het Nederlandse vers op de buurbladzijde. Claes kán dus wel rijmen, hij was alleen te weinig kritisch op te veel momenten.



De dubbele titel slaat niet alleen op de ‘afglans’ over en weer van beide talen maar ook op allerlei andere spanningsvelden, bijvoorbeeld die tussen man en vrouw, liefde en haat. De achterflap: antieke mythologie verliest en ontdekt zich in moderne psychologie. Het is vooral deze laatste tegenstelling die de bundel een grote meerwaarde verleent en sterke en bitse regels oplevert: Vrouw het noodlot verwikkelt / mijn lichaam en ziel in uw netwerk: / ver op mijn brandende berg / bijt me uw bronstige kleed. De langere regels in het Nederlands bieden veel mogelijkheden tot syntactische intriges en drukken de Franse, kortademig als die zijn door hun gebrek aan lettergrepen, nog verder in het defensief. Jammer, ik had het liever andersom gezien. De bundel heeft niet genoeg evenwicht. Kijk maar: Je vois / La scène / Obscène / En moi // Le roi / La reine / Thébaine / Et toi en zo dreunt het verder: pom-pom, pom-pom-pom, pom-pom...(en daar heb je Nijhoff weer)! Maar de Nederlandse verzen zijn niet per definitie beter. Regels als Moeder omsnoert me vergeefs / de hand van de vader ontsnoert ons:/ twijfelend tussen de twee / snoeren ze beiden mijn keel gaan ten onder in effectbejag. Op dit punt is het Franse equivalent dan beter: Ton sein / De mère / M’enserre / En vain // La main / D’un père / Desserre / Nos liens // Que faire / Entre eux / si tous / les deux / Me serrent / Le cou? Al was het maar omdat de semantisch verbonden woorden dankzij het verticale ontwerp visueel verder uit elkaar staan.
Dat je de meeste Franse teksten tóch herleest, heeft echter vooral te maken met de indringende beelden, die hun felheid ontlenen aan erotiek en geweld, vernieling en geboorte en al die andere oerervaringen. Het is zelfs de grote verdienste van de beeldspraak dat die de beide luiken in de lijst van één boek bijeenhoudt.

De vele spelletjes kennen evenmin een taalgrens. En Claes speelt heel wat af, laat makkelijker meegenieten naarmate je dieper leest. Hij klopt minstens zoveel betekenis uit woorden als verwijzingen uit situaties maar niet vrijblijvend, meestal passen met een rekbaar voorstellingsvermogen meerdere duidingen. Een ‘trame’ bijvoorbeeld is niet alleen de inslag van een weefsel maar ook een kuiperij. En een ‘verge’ is behalve een bussel om mee te slaan ook een penis. De associatie van een meppende piemel ligt dan binnen handbereik. ‘Illumination’ wordt gebruikt voor feestverlichting (Claes gaat het theatrale nimmer uit de weg) maar ook voor een goddelijke ingeving! Het woord geeft hem tevens de gelegenheid naar zijn idool uit Charleville te verwijzen. Hij poetst een zegswijze als Au fur / Et à / Mesure op die, geïsoleerd en als strofe vermomd, weer iets van z’n oorspronkelijk kracht krijgt. Hij laat geen steken vallen of het moet een enkel geval van overlapping zijn als in ‘Tendron d’enfance’.

Gelukkig gaat hij zich in 'Glans/Feux' niet te buiten aan pastiches. Die terughoudendheid zal hem moeilijk gevallen zijn want als je ziet, bijvoorbeeld in zijn bundel 'Mimicry', wat een meester Claes in dat genre is, kun je je makkelijk voorstellen hoeveel kansen hij heeft moeten laten schieten. Hoe serieus hij vergeleken met die taalgrollen uit 1995 ditmaal ook opereert, het kan niet verhullen dat hij veeleer een herschepper dan een schepper is. Leest u hierin vooral geen neerbuigendheid want ik lees liever het werk van een bedreven recyclist die mij met illustere schrijvers en personages in contact brengt dan dat van een oorspronkelijkheid nastrevend maar middelmatig talent. Paul Claes is dus een recyclist maar wel een in vol ornaat! Onze taal mag kronkelen van genot om door hem onder handen te worden genomen!

Glans/Feux – Paul Claes. Uitgeverij De Bezige Bij, 2000. ISBN: 90-234-4800-6

Recensie: © Albert Hagenaars, 20 juni 2000.
Eerder verschenen in De Haagsche Courant (juni 2000)
www.alberthagenaars.nl