vrijdag 3 juli 2015

HERBERT MOUWEN - De handen van de tijd



Foto: © Albert Hagenaars



STOPPENDE MAAR NIET EINDIGENDE GEDICHTEN

Het tweede debuut van Herbert Mouwen

Wanneer je als dichter pas op je 40e debuteert, met amper 20 verzen dan nog, en maar liefst 22 jaar later opnieuw lyriek publiceert, ditmaal 61 teksten, mag je van een tweede debuut spreken i.p.v. van een comeback.
Herbert Mouwen (1952, Breda), want om hem gaat het hier, publiceerde weliswaar nog een paar verhalenbundels, losse gedichten en proza in tijdschriften alsmede tal van theaterrecensies voor BN/De Stem, maar het gat tussen de twee poëziebundels geeft aan dat de titel van de nieuwe publicatie wel toepasselijk is.
'De handen van de tijd' is een thematische naam; vrijwel alle gedichten in de acht afdelingen waaruit het boek bestaat, hebben op de een of andere manier wel met het verstrijken van de tijd te maken. Om daar geen onduidelijkheid over te laten bestaan, luidt het motto als volgt:


Wat doe je met me, Tijd, dat vrijwel nimmer
ik het uur pluk, maar steeds naar schimmen jaag
de toekomst in of uit, in een vertwijfeld pogen
te zeggen ik bestond, besta, ik zal bestaan?




Deze regels zijn van Hans Warren en komen, jawel, uit diens gedicht 'Tijd', dat dan ook nog eens in een bundel met de titel 'Tijd' staat. Dat is goed gevonden door Mouwen, tijd in tijd in tijd, als het geen toeval is tenminste. Bovendien beeldt de omslag enkele glanzende schaakstukken af, waarvan het grootste enigszins doet denken aan een zandloper. Een mooi ontwerp trouwens, van Rietje Smeets en fotograaf Rien van Kaam.

Het thema van de tijd komt niet uit de lucht vallen. Al in 'De zon is kapot' (Uitgeverij Opwenteling, 1991) is er sprake van titels als 'Vroeger' en 'Ouder worden', regels als "van eb en vloed / en even-voorgoed", "Je tijd ver / vooruit geef je ons wat / tijd terug: de late / morgen, de vroege avond", "Het voorjaar zit opgevouwen / in de bomen" en "vroeger wisten we niet / veel meer dan we later wisten // vroeger". En nu ben ik nog maar op de eerste pagina's. De hele bundel wemelt van "nog", "nu", "uren", "klok", "plots", "herinneringen", "amper" en "blijven" en, op een hoger niveau, "ontwaken", "afkalven", "afbrokkelen", "verschrompelen", "herstellen", "dichtgroeien", "verliezen", "herkennen" en, onvermijdelijk "dood". Het moge duidelijk zijn: de dichter is gefascineerd door veranderingsprocessen.






De afdelingen hebben geen titels. Mede daardoor komt het nodige gewicht op het openingsgedicht te liggen en kijk, dat heet 'Annonce' ofwel aankondiging. En dat is zeker geen toeval:



ANNONCE

Alles verdwijnt of verstopt zich
achter een kolom van woorden

Niets raakt weg zonder bericht,
het noemen van haar naam legt

alles vast - Begraaf je haar dan
gaat ze dood, haal je herinneringen

naar boven - Als ik aan haar denk
dan blijft ze eeuwig leven, vergeet

ik haar, dan verdwijnt ze echt, al
is het maar voor even, al is het niet

gezegd.




Door het boek bladerend wordt meteen evident dat 'Annonce' qua vorm representatief is voor alle teksten: elke begint met een hoofdletter maar eindigt zonder leesteken, waardoor elk eind iets onbepaalds krijgt. Tussen het eerste en het laatste woord strooit Mouwen bepaald niet met komma's, vraagtekens, dubbelepunten, uitroeptekens, puntkomma's. Hij herhaalt dit stijlprincipe tevens op een onderliggend niveau. Ook strofen, en iedere strofe bepaalt z'n eigen omvang, beginnen, als ze ten minste een nieuwe gedachte of een andere soort wending aangeven, wel met een hoofdletter maar eindigen net zo onbestemd als het gedicht dat zij vormen. Typisch maar omdat het doordacht is waarschijnlijk wel effectief.

Wat wil Mouwen inhoudelijk eigenlijk tot uitdrukking brengen? De eerste twee regels zijn een bewering waarmee de lezer het oneens zal zijn. Hoezo verstopt alles zich achter een kolom van woorden? Dat deze reactie door Mouwen is voorzien blijkt uit de volgende regel. Als een schaakspeler komt hij met een verklarende zet: wat er ook gebeurt, het wordt gezien, en vastgelegd! Het wordt nu ook moeilijker je schouders op te halen over het begin want hoe vrij zijn we nog? In hoeverre worden we steeds gevolgd? Dat zijn zeker anno 2015 actuele vragen.
Dan zet Mouwen een paard in. Door een hink-stap-sprong confronteert dat ons met een vrouwelijk personage, verbeeld door viermaal "haar" en driemaal "ze". Naar wie of waarnaar verwijst Mouwen? Een gestorven dame, de tijd, de taal? Ik denk aan alle mogelijke consequenties en neem aan dat verder lezen afdoende antwoorden zal bieden.
Kijk eens hoe geraffineerd Mouwen met tegenstellingen tussen verleden en toekomst, en leven en dood speelt. Pas als je iemand begraaft, wordt er echt gestorven. Maar dan begint het leven van de overledene opnieuw, in het hoofd van degene die doorleeft. Het vergeten is dan de definitieve dood maar zelfs dat duurt maar even (waarom?), al staat ook dit weer niet vast. Het gedicht stopt wel maar eindigt niet, het verlengt zich in herhalingen en veronderstellingen en zorgt er voor dat ook het denken, al zou de bundel nu gesloten worden, door kan gaan.
Klankovereenkomst dringt zich hier niet op maar de rijmwoorden doen natuurlijk toch hun werk: "weg - echt - gezegd". Dat zou je kunnen zien als de abstraherend kortste samenvatting van de inhoud.
Tjonge, zo zoekend kun je in het bestek van dit korte gedicht heel wat zetten doen, waarbij de ene de andere ontkracht en toch weer het onderspit delft. Delven heeft nogal wat betekenissen: het is graven en begraven maar ook iets uit de grond halen! En zo gaat het over en weer en bewijst Mouwen dat hij weet wat taalspel is.

Dit sterke openingsgedicht schept hoge verwachtingen. Worden die ingelost? Ja en nee, dat wil zeggen, niet alle gedichten hebben eenzelfde kwaliteit maar er staan genoeg hoogtepunten in de bundel.






Het ligt voor de hand dat behalve tijd ook stilte een belangrijke rol speelt. Dat is evenmin nieuw. Ik pak er het eerste debuut even bij. Ja hoor, je hoeft niet te zoeken in ‘De zon is kapot’, overal zinderen daar verwijzingen naar het belang van de stilte. Ik citeer: "De stilte is stil / omdat ze zelf / luistert", "stilte loopt alvast vooruit", "stilte is het moment / na het noemen van je / naam", "zwartwit foto's, weinig geluiden, / geuren van weleer" en "de dagen worden / in stilte begraven".

Mouwen behandelt dit tweede, niet veel minder belangrijke thema in 'De handen van de tijd' niet alleen met een betere beeldspraak maar ook vanuit een rijper perspectief. Het schrijnende gedicht 'Stembanden' bijvoorbeeld geeft aan dat de dichter niet minder vrijblijvend over de stilte schrijft, nee, ik moet zeggen, dat de betrokkenheid tussen object en subject veel groter is geworden.



STEMBANDEN

Vaders aangetaste stembanden werden
in het Leids Academisch verwijderd
Later, met een praatapparaat in de vorm
van een pijp leerde hij spreken, bidden
deed hij niet meer, tussen twee letter-
grepen drukte hij met zijn wijsvinger op
een knopje dat aan de zijkant van de kop
zat, al luisterend leerde ik er liplezen bij

Sprakeloos was ik en hij had zoveel
te vertellen, maar als hij huilde
huilde hij niet en als hij lachte lachte hij niet,
als hij sprak kwam uit zijn mond geen
geluid - Papa is altijd vrolijk als hij huilt,
zei ik, totdat hij ook dat niet meer was en
hij op een vrijdag voor de herfstvakantie
stierf - Hij was zijn tijd ver vooruit.



Wát een trieste vertelling is dit, slechts getemperd door het perspectief van een jongetje voor wie de herfstvakantie van zoveel belang is dat hij alleen al daarom die vrijdag niet zal vergeten, maar ook, poëticaal gesproken, wát een magnifiek moment is die slotregel, want hier vallen beide thema's voorbeeldig samen in een onverwacht originele zegging. Niet dat het voorgaande saai is. Ook daar staat de dichter technisch zijn mannetje. Enkele voorbeelden: 1) "praatapparaat" is een puike klankvondst, 2) door het even door laten lopen van regel 4 duikt de suggestie op dat de vader leerde bidden, terwijl regel 5 het omgekeerde aanvoert, 3) in “tussen twee letter- / grepen” wordt door het perfect uitgevoerde enjambement een eenheid van vorm en inhoud bereikt, want zowel "letter" als "grepen" telt twee lettergrepen, 4) door de herhaling van "huilde" en "lachte" worden deze activiteit natuurlijk versterkt maar haalt de dichter het huilen en lachen nog harder onderuit door de volgende ontkenning, 5) de verschuiving van vroeger naar nog vroeger door de vervanging van "vader" door "papa" waardoor de tijd haast ongemerkt en dus als vanzelfsprekend bezit neemt van deze tekst die begint met het verval van communicatie.
Ook de andere teksten over de dood van de vader en tevens die van de moeder mogen er kwalitatief zijn. In 'Schaken' wordt er wegens de naderende dood geschaakt op een dambord, een pakkend beeld voor onmacht.

De inzet van het woord "bidden" hierboven wijst op een verlies van geloof. De zoon ontdekt als dichter echter steeds meer het belang van zo niet religiositeit dan toch spiritualiteit. In gedichten als 'Kartuizers', 'Benedictijner monnik' en 'Jongensinternaat' komt dit derde thema aan bod en verstevigt het tegelijkertijd het wezen van de stilte.
Het meest geslaagd, zeker door een net nog beter ritme en klankenspel is het eerstgenoemde vers, dat blijkens de aantekeningen achterin het boek ontstond na het zien van de film 'Into great silence' (2005) van Philip Grönig over de betreffende orde in 'La Grande Chartreuse'. Ik vermeld dit ook omdat Mouwens collega en streekgenoot Frans August Brocatus door dezelfde documentaire sterk geraakt werd, daar een neerslag in zijn werk van liet zien. Het is goed om te weten dat het actuele levensgevoel in de poëzie, vertegenwoordigd in met name hiphop en slam-uitingen en door een podiumpanter als de Tilburgenaar Nick J. Swart, ook in ons gewest een pendant kent in het werk van dichters die bewust vele eeuwen oude waarden opnemen en doorgeven. Beide schijnbare uitersten van het spectrum geven aan hoe sponskrachtig de poëzie is, hoe flexibel, hoe alomvattend.



KARTUIZERS

Zij schuifelen van bed naar gebed,
houten vloeren houden de bonkige
klanken van hun voetstappen vast,
zij buigen zich het hoofd en zwijgen
zich een wereld van orde, baarden
beletten hen te spreken, de stilte is

de maat der dingen, een wijze van
leven, zij betijen in de luwte van hun
eigen bestaan en zij gedijen in hun
eigen diepe gedachten, zij schrijden
rakelings langs de wanden van de
gangen en helpen elkaar met het

aantrekken van hun pijen die wit
zijn als de sneeuw waarin zij voor
elkaar hun graven graven, zij eten
in eenzaamheid, elk gezelschap is
hun ontnomen, in de nacht stollen
hun biddende lichamen tot steen



Tja, het grote aantal ij's in "zwijgen", "wijze", "betijen", "gedijen", "schrijden" en "pijen" is natuurlijk op het randje maar op zich passen deze woorden prima in het verhaal en bij elkaar. "Rakelings" beschouw ik als een overbodig woord in het verband van gangen, evenals "diepe" in de context van een klooster en "een wijze van leven" meteen na "de maat der dingen".
Daarnaast is de tegenstelling tussen "schuifelen" en "bonkige // voetstappen" niet de meest gelukkige, evenmin als "stollen" en "steen" omdat stollen per definitie van een vloeistof uitgaat. Zeg zelf: "biddende lichamen" doen niet meteen aan een vloeibare substantie denken of je moet opperen dat het bloed stevig door die monniken gepompt wordt als gevolg van hun spirituele manoeuvres. Met gemak had Mouwen een passender woord kunnen kiezen. Maar de sfeer is raak getroffen, de beelden zijn haast filmisch scherp en de samentrekking van enerzijds zich het hoofd breken en anderzijds het hoofd buigen in regel vier is evenzeer een rake typering, die echter de "diepe gedachten" andermaal overbodig maakt.




Foto: © Albert Hagenaars



Niettegenstaande deze kritische geluiden is 'De handen van de tijd' een bundel waar maar weinig op af te dingen is. Ik beschouw hem zelfs als één van de betere die ik tot nu toe dit jaar onder ogen kreeg. De uitgave verdient een veel groter bereik dan het te verwachten handjevol besprekingen en interviews in de regionale media. Daar zouden uitgever en dichter zich niet tevreden mee moeten stellen en dat zit er bij de laatste helaas toch in, als we tenminste een uitspraak in de editie van BN/De Stem van 23 mei jl. juist duiden: "Ik zie mezelf als docent Nederlands met een fascinatie voor taal. Ik ben er niet op uit om bekend te worden en ik hoef ook niet vernieuwend bezig te zijn." Dat klinkt nobel maar het zal zijn gedichten weinig extra’s opleveren. Ook al ziet Mouwen het dan zelf niet of wil hij zich vooral laten voorstaan op zijn hoogstwaarschijnlijk echte bescheidenheid, als dichter overstijgt hij verre een leraar met een grote belangstelling voor taal en dus poëzie. Niet alleen is hij technisch begaafd, zijn talrijke geslaagde beelden getuigen ook van genoeg verbeeldingskracht. Of hij al dan niet vernieuwend is maakt niks uit; het gaat om goede of slechte gedichten en die kunnen in elke modus ontstaan, experimenteel of traditioneel of zakelijk of romantisch of expressionistisch of postmodern. Ik lees liever een degelijk traditioneel vers dan een zwakke experimentele taalvorm en ik zal namens velen spreken. Denk in dit verband eens aan Ida Gerhardt die, omgeven door de Vijftigers en hun epigonen, in een heel wat strenger traditioneel regime arbeidde dan Mouwen en met slechts één topgedicht (maar ze schreef er vele) het volledige werk van bijvoorbeeld Jan Elburg in de schaduw zette.
Laat Mouwen dan niet per se bekend willen worden en, nogmaals, dat is in deze tijd met ontelbare BN'ers een op zich loffelijke uitspraak, feit is wel dat zijn gedichten, waar hij principieel meer dan wie ook verantwoordelijk voor is, een grote bekendheid verdienen. Dichter, uitgever, andere betrokkenen, verzin een campagne die voluit voor deze geslaagde bundel gaat en de maker buiten schot houdt! Laat ze wapperen, die handen van de tijd! En u, lezer die bovenstaande gedichten waardeert en zich betrapt op instemmend knikken bij deze opmerkingen, doe ook een duit in het nog al te zachtjes rinkelende zakje: spread the word!



HERBERT MOUWEN; ‘De handen van de tijd’; 78 pagina’s; Uitgeverij Van Kemenade, Breda; 2015; ISBN: 978-90-71376-58-0; NUR: 306; Prijs: € 12,50.

HERBERT MOUWEN; ‘De zon is kapot’; 28 pagina’s; Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven; 1991; ISBN: 978-90-6338 100 X; NUR: 306; Prijs: € 5,00.



Bovenstaande recensie verscheen eerder in een ingekorte versie in Brabant Cultureel, jrg. 64, no. 3, juni 2015.



www.alberthagenaars.nl

1 opmerking: