zondag 1 november 2026

ANTOON VAN DEN BRAEMBUSSCHE - Spiegel van de ziel















Foto: Sammy Roelant



EEN HELDERE VERSTRENGELING

Albert Hagenaars over ‘Spiegel van de ziel’ van Antoon Van den Braembussche

Wie de bundels van Antoon Van den Braembussche (1946, Eeklo) in chronologische volgorde leest, zal vaststellen dat hij met zijn debuut in 1967 al in een onstuitbare, meanderende stroom op weg ging naar de poëzie die hij nu, als 80-jarige, het best tot uiting brengt. Zelfs in die eerste bundel, ‘Ik geloof dat ik herleef’, zien we kiemkopjes van de huidige stijl en thematiek.

Laten we de verse gedichten eens uitkloppen en zien wat we aan trefwoorden overhouden.
De grootste groep bestaat uit temporeel-gebonden woorden en uitdrukkingen: herinnert; tijdeloos; onsterfelijkheid; het spinnenwiel van de duur; nazindert; voorgoed; finaal; vergane passie; uiteindelijk; me haastend; allerijl; eeuwig; tenslotte; ooit.
En ik heb hiervoor pas de eerste drie gedichten bij de lurven genomen!
Een ander netwerk betreft ruimte(s): nooduitgang; dichterbij; universum; verdwaald; scheidde; armlengte; beenlengte; stappen. Deze vangst haalde ik uit opnieuw slechts drie gedichten, de nummers 4, 5 en 6. Dit is niks bijzonders, elke dichter heeft het over plaats en vooral tijd maar Van den Braembussche overtreft z’n collega’s door een wel erg hoge frequentie!
Een derde groep kan in het schepnet van gradatie gevangen worden: één en al; haperde; fladderde; strandde; langzaam; sprakeloos; wellicht; versteende; hees; en die komen uit gedichten 7 en 8. Ik had willekeurig andere verzen kunnen doorlichten maar de uitkomst was hetzelfde gebleven want bijna elk vers kent een aantal van dit soort trefwoorden.

Nu de thema’s. Die zijn in de loop van zestig jaar een waar kluwen geworden, en toch wekt dat de indruk van een heldere, zelfs transparant weergegeven verstrengeling. De motto’s, het zijn er liefst zeven, zetten de toon:
De dichter gunt Maarten Embrechts de eer om de bundel te openen met “Le papier, c’est un dieu absent qui nous regarde”. Hoe kort ook, dit citaat verbindt al meteen werkmateriaal; een religieuze overpeinzing met een observerende figuur; een niet nader bepaald ‘ons’ dat alle mensen kan betekenen maar net zo goed dichters, ook nog lezers; én een contrast. Want kan een afwezig, desgewenst onbestaand, opperwezen ons in het vizier houden? Tuurlijk wel, zullen gelovigen roepen. Tuurlijk wel zullen ook de ongelovigen beweren want poëzie vertegenwoordigt een grote autonomie, belichaamt een volkomen eigen talige wereld. Is in poëzie immers niet álles mogelijk!

Paul Eluard introduceert de eerste afdeling, ‘Zij herinnert zich’ geheten, met “L’amour choisit l’amour sans changer de visage”. De betreffende gedichten cirkelen rond het voor Van den Braembussche o zo belangrijke thema van de liefde. Zijn debuutbundel staat er al bol van.
Gebruikte hij toen nog meer experimentele woorden als: snoeksprong; nachtlichaam; grotten zoenend; bloedkramp; frambozerood; overrijp gemoed; voor vooral fysiek verlangen, in ‘Spiegel van de ziel’ is er in alle opzichten duidelijk meer balans en gewaagt hij, ook al omdat er méér dan doorleefde liefde speelt, van: tijdeloze kus; vuursteen van vergane passie; dichter bij jou dan bij mijn eigen slagader; langzaam omhels ik het geheimschrift / van je lichaam / als een mild en sprakeloos dier.

De citaten, ook nog die van onder anderen musicoloog Vladimir Jankélévitch, de componist Arvo Pärt en de Keniaanse dichter Christopher Okemwa, zetten de meeste afdelingen in perspectief. Dat zijn er acht, bestaande uit respectievelijk 7, 7, 6, 5, 5, 5, 3, 1 gedichten; een wel in kwantiteit maar niet in kwaliteit afnemende reeks. Alleen de dichter zelf zal kunnen zeggen in hoeverre deze opmerkelijke compositie beïnvloed is door zijn achtergrond van cultuurfilosoof.
Novalis is van de partij voor de vierde afdeling, ‘Zo bleef ik spreken’, met “Die Poesie heilt die Wunden, die der Verstand schlägt.” Het is een treffend voorbeeld van de spanning tussen rationeel, nuchter beschouwen enerzijds en (in)voelend en associatief denken anderzijds, waarbij de dichtkunst een verbindende, genezende rol speelt.
Poëzie is dus het onderwerp dat in dit deel het sterkst aan de wemeling van motieven ontstijgt. Dat levert fraaie regels op:


Woord voor woord. / Onstuitbaar kwam het / naar me toe //// In de nacht. Het takkenbos van de taal. // Waar betekenis bleef haperen / en voor het rapen lag./


Pas in halfslaap is het / dat de woorden komen. // Zich moeiteloos ontvouwen.


En een regel die de potentie van een aforisme heeft: Wat poëzie zou kunnen zijn / is met geen pen te beschrijven.




















Naast liefde en lyriek is muziek een derde essentieel gegeven. De dichter koos er een pakkend citaat voor waarin dichtkunst en muziek zoals millennia, en ook eeuwen geleden nog hier en daar, een eenheid vormen. "La poésie c’est le chant intérieur." Het is van Chateaubriand en opent het vijfde deel: ‘Zegswijzen’.
Regels als de onderstaande zullen veel lezers aanspreken want muziek is anders dan poëzie voor werkelijk iedereen, zelfs voor doof geworden mensen, belangrijk:


Tot jij me toesprak / met woorden die ik hoorde / als een waterval die onzichtbaar was // Een taal als adagio. / Echokamer van de ziel. Zinsbouw van de tederheid.


Iedereen verkeerde even / in een andere dimensie. / Een andere toonaard van de tijd. // Even maar.


De bundel is zelfs doordesemd met woorden die naar muziek verwijzen. Uit het losse oog: zingen; suite; ritme; in mineur; dansen; klankbord; resonantiehout; dissonantie; libretto; loge; adagio; Leonard Cohen; Billie Holiday; tonen; melodie; slotakkoord; ars musica; partituur; klavier; losgezongen. En sommige komen meermaals voor.
Tegelijkertijd, en dat is opnieuw een van die tegenstellingen van Van den Braembussche, is er aandacht voor: bijna-stilte; heilig zwijgen; adem afsnijden; gebarentaal; het onzegbare; de grammatica van de stilte; onuitgesproken; onbewogen zwijgen in mystiek; geluidloos; klanken als priesters van het niets; omarming van leegte; ongeboren muziek.

De titel geeft echter de twee belangrijkste inhoudelijke elementen: spiegel en ziel, die boven alles uittorenen, of van alles de bron willen vormen.
Spiegel levert schijnbaar geen interpretatieperikelen op. In vrijwel alle gevallen betreft het direct of indirect weerkaatsing, zelfs in woorden als bespiegeling.
Maar dan ziel! Daar kun je pas echt veel kanten mee op. Niet alleen filosofen van alle tijden en geloofsstelsels zijn er mee aan de slag gegaan en kwamen met een waaier van benaderingen. Wil je een globaal begrip dan kom je uit bij: het wezen, de essentie, het zelf …
Veel klassieke denkers probeerden de ziel te vangen in termen als onstoffelijk, zelfstandig en onsterfelijk. In de Germaanse talen is het woord ziel terug te voeren op saiwala dat volgens het onvolprezen Wikipedia voor adem en lucht staat. In het Grieks betekent het psyche en in het Latijn anima. Het zijn namen die in onze tijd nog steeds, ook in vertakte vorm, worden gebruikt. En volgens genoemde encyclopedie wijken de omschrijvingen in nog andere talen daar niet ver van af.

Van den Braembussche speelt met beide begrippen en afleidingen ervan in strofen die over het algemeen korte regels kennen, soms zelfs maar één. Het onderstreept zijn streven naar essentie.
Hij gebruikt op zich eenvoudige woorden die echter een diepe lading kunnen bevatten en is, zeker in vergelijking met de vroegste bundels, terughoudend in de beeldspraak. Daarnaast is zijn zegging meteen aanspreekbaar. Belangrijk is bovendien, zie hoger, de inbedding in de liefde: de liefde in veel van haar verschijningsvormen maar bovenal die voor de naasten, tussen mens en mens.
Dit alles is bedoeld om in principe een breed bereik te hebben maar het wil niet zeggen dat dit werk ook gemakkelijk te duiden is, zoals onderstaand vers uit de reeks ‘Franse Suite’ toont:


ALGORITHME, MON AMOUR

Vrij naar Paul Klee

Alles wat verleden en vergeten is
en toch aanwezig
in het algoritme van je lach.

Als herinnering op ooghoogte.
Duurzame algebra van het hart.

Buiten wandelen wij in de lenteregen.
De wind raakt ongezien mijn aangezicht.
Brengt de geur van tijm met zich mee.
Het geluid van een verre trein.

Het late middaglicht verliest zich
in je natte haar.

Elk van je blikken
draagt een andere naam.


De woorden lezen, ook in de originele en daarom onverwachte beeldspraak, soepel weg en maken dat je wil blijven lezen, ik wel tenminste. Dat is denk ik omdat ze je in een tijdloze sfeer brengen en tegelijk toch het nú, zoals in de eerste twee regels.
De chute na de eerste twee strofen met hun toefjes abstractie introduceert een idyllische scène in strofen drie en vier. Van het een op het andere moment glijden we in tekst die concreet is en, door het beroep dat de dichter doet op de zintuigen zien, horen en voelen, optimaal mede-beleefbaar. Laat het eerste woord, buiten, overbodig zijn; wie heeft geen herinneringen aan een wandeling in zachte, frisse regen met een partner, een geliefde waarschijnlijk, aan een heerlijk briesje, volle aroma’s van de omringende natuur, het ondergaan van de ver van de praktische wereld verwijderde intieme sfeer? Tot zover deze parafrasering.

Met strofe 5 zet opnieuw een overgang in want beide slotregels kennen weer iets van abstractie.
Los daarvan toont het spel met ‘je’ en ‘wij’ dat je verschillende benaderingen kunt gebruiken. Er stáát dat iemand meerdere blikken heeft. Die kunnen tot de gangbare categorieën behoren zoals een boze blik of een verontwaardigde of verliefde maar het is niet uitgesloten dat de auteur élke blik als zelfstandig beschouwt en de blikken dus talloos zijn. En dan hebben de blikken ook nog een naam. Een subjectieve of een objectieve? Het is een van de vele momenten dat de dichter met slechts een paar woorden de lezer prikkelt méé te denken…

Dit soort gedachten, associaties, veronderstellingen en vragen weten de gedichten van Van den Braembussche dus telkens op te roepen en natuurlijk raakt dit proces de kern van boeiende poëzie. Een kenmerk is namelijk dat ze duurzaam moet zijn, om een hedendaagse term te gebruiken, zinvol herleesbaar; elke afdaling roept nieuwe verbanden en daarmee nieuwe inzichten op.

Geen enkele recensie doet in een bestek van een handvol pagina’s voldoende recht aan de rijkdom van motieven en thema’s, en méér nog hun onderlinge verbanden in ‘Spiegel van de ziel’. Ik beperk me daarom nu tot de vaststelling dat ik in de loop der jaren alle bundels van Van den Braembussche tot me heb genomen en weet dat hij in deze laatste het meest geslaagd is in het bereiken van zijn doelen, zowel literair als filosofisch, eventueel geflankeerd door ‘Alles komt terug’ uit 2018.

Ik wil deze bespreking afsluiten met aandacht voor de laatste afdeling, nummer 8, die toepasselijk ‘Epiloog’ heet en slechts één gedicht bevat: ‘Nooit meer oorlog’. Het is met 15 disticha wel de langste tekst. De laatste drie luiden:


En wij, dichters, kijken toe, losgezongen van de tijd.
En desondanks schrijven wij de waanzin kwijt.

Als zachte verspreking van het heilig vuur.
In salvo’s van verzet. In verzen van azuur.

Want anders is er na afloop slechts een treurnis
In een wereld waarin niemand nog aanwezig is.


Het is dan wel niet het beste gedicht van het pak maar de schrijver wil er gezien 1) de plaatsing, 2) de omvang en 3) de erin verpakte conclusie misschien het belangrijkste van maken.
De slotregels geven hem met gemak gelijk: als er niemand op onze door klimaatrampen en militaire conflicten bedreigde, fragiele planeet overblijft, zijn er ook geen activiteiten meer op een van onze meest integere onderzoeksterreinen!

En daarmee drukt Van den Braembussche ieder met de neus op de rauwe realiteit, die des te harder aankomt na de voorafgaande afdelingen over het belang van liefde en andere uitingen van wat we de zachte kracht mogen noemen.

Voor het echte eind grijp ik daarom met een Braembusschiaanse tegenstelling, en niet minder hoop dan die van hemzelf, graag terug op de uitspraak van Nietzsche aan het begin van de zesde afdeling: "Was mich nicht umbringt, macht mich stärker!"



Albert Hagenaars, oktober 2026





ANTOON VAN DEN BRAEMBUSSCHE; Spiegel van de ziel; Uitgeverij P; Leuven 2026; 148 pagina’s; ISBN 978-94-93534-05-6.



Zie ook:

www.alberthagenaars.nl

Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling


Geen opmerkingen:

Een reactie posten