woensdag 1 juni 2011

WIM VAN TIL - Omwegen



OUDE HELDEN, NIEUWE ROLLEN

Over ‘Omwegen’ van Wim van Til

Wie Wim van Til (º1955, Leiden) ook kent buiten zijn dichterschap zal zich wel eens afvragen hoeveel poëziebundels er niet door hem geschreven konden worden vanwege zijn andere verdiensten voor de dichtkunst. Hij was o.a. voorzitter van de coöperatie Opwenteling in Eindhoven (een organisatie die al 50 jaar bestaat, honderden bundels uitgaf en momenteel een doorstart maakt) en diverse malen jurylid en is al jaren directeur van het in Boekenstad Bredevoort gevestigde Poëziecentrum Nederland. Dat zijn bepaald geen kleine klussen! Geen wonder dat van Tils oeuvre nog steeds bescheiden van omvang is. Het grootste deel daarvan verscheen in 2000 bij uitgeverij WEL, in het overzicht ‘Sleutelhouder – Gedichten 1979-1999’.

Verleggen we onze blik echter van de kwantiteit naar de kwaliteit dan zien we een oeuvre dat een grote toevoegende waarde vertegenwoordigt. Van Til is dan wel een onverbeterlijke organisator en gedreven animator die schijnbaar veel tijd verliest aan de meest uiteenlopende projecten (meestal ten bate van derden dan nog) maar gelukkig zien we diezelfde eigenschappen in zijn gedichten. Die staan bol van taalspel –elk deel van deze samenstelling is even belangrijk- maar tonen tegelijk een grote aandacht voor de organisatie van zijn spel. Ze vormen cerebrale bouwsels in plaats van lyrische bevlogenheid en komen toch speels en spontaan over. Nog een andere tegenstelling: de teksten maken nauwelijks gebruik van een traditionele verworvenheid als klankovereenkomst maar zijn doortrokken van beeldspraak.

De bundel ‘Omwegen’, bestaande uit de eerder verschenen reeksen/bundeltjes ‘Aaltense zangen’, ‘Hier, daar is ze’, ‘De reestap over het leenveld’, ‘In gindse verte’ en ‘In G’ alsmede krachtig gestileerde abstracte prenten van de Bergen op Zoomse graficus Gerrit Westerveld, is hierop geen uitzondering. Meteen al het openingsgedicht klinkt als een credo:


Over het Spoor

De oogst keert nooit terug; wie op de cirkel
gang vertrouwt, blindt zich een pad zonder leeftocht,
zonder uur, zonder eindweegs een keerlus.

Nee, Muze, maak mij geen dichter. Ik ben
slechts de brenger, de voeger. Mijn zwoegen
leidt verdwijnen in, ik licht een steen.

Weerloos is de nemer, de jager. Die vindt uit
naam van de dader de doder, in die van
de maker, de moker. Nee, Muze, geen dankbare

dichter. Hoe de geworpen steen zich punt na
punt in de ruimte koest houdt naar wat vast
staat: de eeuwige plek van zijn val.



De titel is bijvoorbeeld ook al meer dan een naam. Er zit meervoudige betekenis in zowel het voorzetsel als het zelfstandig naamwoord (wat minstens vier verschillende duidingen oplevert) en ook met het kapitaliseren van de S in het laatste woord slaat van Til een handschoen in het gelaat van de gemakzuchtige lezer. De andere titels in deze reeks doen daar overigens duchtig aan mee: ‘Over de Brug’, ‘Over het Noorden’, ‘Over de Sloot’, ‘Over het Gras’ etc. Dit is slechts een van de vele voorbeelden van de consistentie die Van Tils producten ondanks alle ontwikkeling kennen.
Vervolgens wordt een van de klassieke symbolen van levenscycli ontcirkeld en in één adem het woord cirkelgang van z’n vertrouwde verbinding ontdaan. De boodschap luidt hier in diverse geldende parafraseringen: ga niet uit van het verworvene, zet elke stap als ware het de eerste, blijf je vernieuwen, kies voor vrijheid, ruimte, kortom avontuur! De keuze voor neologismen ondersteunt dit poëtisch betoog. Tegelijk gaat de dichter archaïsmen als ‘eindweegs’ en clichés als ‘Muze’ niet uit de weg! Mag je dat vertalen als: iemand die werkelijk vrij is, kan desgewenst terugvallen op verkalkte of versteende vormen? Als het antwoord bevestigend is, houdt dit óók in dat je er dan nieuw leven in moet blazen. Klop het stof eraf, ontkalk het woord en verleen het een nieuwe functie. Dit doet Van Til vaak en hij doet het, eerlijk is eerlijk, dermate intelligent dat hij tot een van de grote vernieuwers van de Nederlandstalige dichtkunst behoort!
Hij trekt de lezer in een nieuw probleem waar hij de inspiratiebron, wat daar verder ook onder verstaan mag worden, verzoekt hem vooral geen dichter te maken en dat terwijl hij volop met een als gedicht bedoelde tekst aan de slag is! Hij legt uit dat hij liever een brenger (leverancier?) en voeger (voltooier?) is. Wordt hier afgerekend met een van de traditionele beelden van de dichter, de met Grote Emoties en Onbereikbaar Nobele Doelen behepte Romantische Held, met wie zoveel lezers in hun comfortabele fauteuil zich graag identificeren? Hij werkt dan wel hard (‘zwoegen’ en ‘stenen oplichten’) maar is uit op verdwijnen. Tegelijk maakt hij de stenen ook lichter. Het prepositionele deel van de infinitief, ‘op’, ontbreekt niet voor niets.
De derde strofe zet in met de gedachte dat wie schept zich weerloos moet opstellen, zich open moet stellen, bloot moet durven te zijn. Die koppelt hij dan weer aan de onderscheiden betekenissen van vinden en uitvinden. Je kunt namelijk lezen: 1) hij vindt iets, uit naam van de dader, maar ook 2) hij vindt uit, de naam van de dader enz. Beide doen er toe in dit discours. Met dader/doder en maker/moker heeft van Til uiteraard ook een zinvolle kruisstelling betrokken. Zet een ander accent en je hebt een ander perspectief. Knap gedaan.
Hij herhaalt zijn oproep hem geen dichter te maken maar als het niet anders kan dan in elk geval geen dánkbare dichter. Nooit immers is het werk gedaan. En nu wordt een Sisyphos-motief duidelijk. Daarom is er natuurlijk sprake van stenen! Maar in plaats van ze te lichten en omhoog te rollen en opnieuw te moeten optillen en opwaarts zwoegen werpt de protagonist van Van Til ze omhoog, waar ze, wonder boven wonder (maar zulke wonderen transformeren nu eenmaal teksten met literaire trucjes in werkelijke poëzie) blijven hangen! Nee, niet waar, ze blijven niet hangen maar ‘houden zich punt na punt koest’ wat een vergelijkbaar effect mag heten. Bestendigheid is er ondanks deze punten, die beweging suggereren, immers wel degelijk want er staat iets vast. Wat kan dat zijn? De zekerheid dat wie het onmogelijke nastreeft eeuwig ten val zal komen. En daarmee bewerkstelligt Van Til het samenvallen van twee van de belangrijkste mythes van de westerse cultuur, die van Sisyphos en die van Icaros! Over ‘Omwegen’ gesproken.
En dit is nog maar een globale benadering van het eerste gedicht… Dit dunne boekje roept folianten met reacties op, en verdient die ook!

Ik spoor de lezer derhalve aan eenzelfde leesjacht te openen op het volgende, aan ‘De reestap over het leenveld’ ontleende, gedicht:


I

Dat het zich aandient, mij aanblikt
op afstand, mijn ogen over de grenzen brengt,
dat het mij leidt om de gedeelde straat
naar de plaats van het oeroude moerasbos.

Dat het van zo ver kwam tot dichtbij, dat het
met dunne vingers uitgestrekt bijna raakbaar
werd, schuchter tegen de tussenruimte van tijd,
dat het zich hult in de warmte van geleende asem.

Dat zij weeromkeert nu ik haar aanschrijf, dat zij zich
inkeert en doeltreffend opduikt. Dat wij moeten blijven,
alsof er geen sluisdeur haar toekomst verwittigt,
alsof er geen zwaard hangt boven de velden.

Zal toch ook dit woord dat haar roept
mettertijd zich versnipperen tot
een schamele rest van haar wezen?



Aan de slag!





Uitgeverij: Kleinood & Grootzeer
Recensie: Albert Hagenaars, 27 februari 2011
Foto: © Vera Seppion

MARK INSINGEL - Gezichten


EEN NICHE IN DE POETISCHE TOVERBERG

Volgens diverse onderzoeken zijn er honderdduizenden mensen in ons land die gedichten schrijven, van wie vele duizenden ook wensen te publiceren. Tegelijk gaat het met de verkoop van poëzie steeds slechter. Geen wonder dus dat het dringen is bij de uitgevers. Meer dan ooit komt het erop aan op te vallen, een eigen terp in de lyriek op te werpen, én te behouden.

De Vlaamse dichter Mark Insingel (ps. van M. Donckers, º1935) mag tevreden zijn; niet alleen zijn zijn producten meestal onmiddellijk te herkennen, ook verscheen voor de tweede keer een overzicht van zijn werk, na ‘In elkanders armen’ in 1990 (de ‘verzamelde gedichten’ tot dan toe) nu de cassette ‘Gezichten’ met 63 verzen op grote losse bladen. Vreemd dat de uitgever beweert dat de selectie op een keuze van ‘de lezer’ berust want het gaat om teksten die in bloemlezingen en studies opgenomen werden, en op posters, ansichtkaarten en T-shirts afgebeeld en/of vertaald werden. Hoezo lezer?

Insingel begon 30 jaar geleden met zgn. concrete poëzie, een stroming waarin typografie en inhoud optimaal samenvallen, de taal eerder naar zichzelf verwijst dan naar de buitenwereld. Namen die hierbij horen zijn o.a. die van de dichter Paul de Vree en het tijdschrift De Tafelronde. Stelt u zich het woord cirkel bijvoorbeeld voor waarvan de 6 letters zich in klokvorm schikken. Zo flauw deed Insingel nooit, toch bleef ook hij soms in de goede bedoelingen steken. Een bekende tekst van hem bestaat uit de 2 enorme letters I en K, die elk opgebouwd zijn uit het veelvuldig herhaalde woordje ‘men’. Verrassend om voor het eerst te zien, maar het ontstijgt het visuele effect niet. Insingel moet dat zelf ook begrepen hebben want zijn aandacht verschoof langzaam maar zeker naar een traditionele opbouw van de tekst. De zinnen staan keurig onder elkaar, al dan niet gescheiden door witregels. Inhoudelijk echter bleef hij zijn ideeën trouw. Juist door een sobere aanpak weet hij onthechting en vervreemding gestalte te geven.Herhaling en minieme variaties spelen vanzelfsprekend een grote rol: Ik zei dat het niet kon / en hij zei dat het moest. / Ik zei dat ik niet wilde / en hij zei dat hij me zou verplichten. / Ik zei dat ik zou weerstand bieden / en hij zei dat hij de sterkste was. / Ik zei dat hij me slechts kon dwingen / en dat hij er dan ook niets aan had. / Hij zei dat hij me inderdaad kon dwingen / en dat hij er dán pas iets aan had.

Insingel streeft onophoudelijk naar helderheid en zuiverheid, niet alleen waar het om begrippen als politiek en macht gaat zoals hierboven maar ook over zoiets vaags en persoonlijks en, in de moderne kunst althans, zoiets verdachts als schoonheid: Mooi is nooit ongeveer. / Het is dus pijnlijk. / Mooi is precies. / Het is dus moeilijk. Mooi is niet evenzeer. / Het is dus enig./ Mooi is juist. / Het is dus waar. Of de lezer het met deze conclusies eens is of niet, hij wordt aangespoord z’n eigen standpunt dienaangaande te bepalen en dit is één van de kenmerken van goede gedichten: ze zetten aan tót!

Onvermijdelijk raakt de dichter soms in filosofisch vaarwater, getuige o.a. een andere treffende bewering: Een schot in de roos, raakt het hele landschap. Waar is de roos? Het is een van de vruchtbare tegenstellingen dat Insingels werk diens credo strikt trouw blijft én zich tegelijk in diverse richtingen wil en kan laten verklaren; het verspreidt zich over meerdere aandachtsgebieden en houdt zich daar meestal staande.

Door veel dichters, wars van uitleg, wordt beweerd dat hun gedichten maar voor zich moeten spreken, doch het een sluit het ander niet uit. Zo bevat deze cassette een bijlage getiteld ‘We maakten zulke mooie dingen’ met een 10 pagina’s tellende introductie van Tom van Deel, die goed uitpakt. Zowel Insingels ontwikkelingen als principes komen beknopt maar relevant aan bod.

Maar liefst 50 van deze 63 teksten stonden ook in de bundeling van 1990. Dat is een dermate grote overlapping, dat de bezitter van ‘In elkanders armen’ nu geen bestelling meer hoeft te plaatsen. Anderzijds claimt Insingel terecht zo’n grote niche in onze poëtische toverberg, dat ‘Gezichten’ makkelijk een aanwinst wordt voor degenen die zijn oeuvre nog niet kennen.


Mark Insingel: ‘Gezichten-gedichten’. Uitgever: In de Knipscheer. Prijs: ƒ 65,00

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in De Haagsche Courant, oktober 2000.

Recensie: Albert Hagenaars
Foto: maker onbekend

zondag 15 mei 2011

ERIC WOBMA - Mixed bag





Eric Wobma (º1962) liet voor het eerst weten behept te zijn met een drang tot expressie toen hij nog in Bergen op Zoom woonde, de stad waar hij opgroeide en vader Otto Wobma meerdere bioscopen beheerde. In de jaren tachtig was hij actief voor o.a. Poëzie-uitgeverij WEL en de literaire boekwinkel Quist. Hij schreef o.a. reisverslagen en prozakritieken (vooral over Latijns-Amerikaanse romans) en had al een grote passie voor film. Z’n eerste stappen op dat gebied zette hij door mee te werken aan ‘Trouble in paradise’, een productie uit 1989 van Luc Pien en Otto Wobma onder regie van Robbe De Hert.
Na een vakantie in winters IJsland en een veel langer verblijf in Parijs verhuisde hij net als zijn stadgenoot en collega Adriaan Ditvoorst (1940-1987) naar Amsterdam. De laatste 25 jaar werkte hij in verschillende landen in de filmindustrie, voornamelijk als lichttechnicus, tussendoor ook als manusje-van-alles, zodat hij het vak tevens in de breedte leerde kennen.

Eind 2007 presenteerde hij via de eigen productiemaatschappij Raving Butterflies z’n regiedebuut, de kortfilm ‘Mixed Bag or What’s in a dream’. Die is met haar bescheiden duur van 12 minuten gelijk een schot in de roos. De film was op tal van festivals te zien en won een tweede prijs op het Bridge Fest in Vancouver en de eerste in de rubriek Experimental op het Twin Rivers Media Festival in Amerika!
De hoofdrol wordt gestalte gegeven door Hans Dagelet. Een minder prominente rol (maar wel voor drie verschillende personages tegelijk) wordt gespeeld door Sofie Knijff.
Feitelijk gaat het om een film in een film en, afhankelijk van je interpretatie, in nog weer een andere, een procédé waarvoor z’n (ooit) belangrijke inspirator Jorge Luis Borges hem wellicht een duwtje in de rug gaf.



Het verhaal. We zien de hoofdpersoon in de Amsterdamse binnenstad wandelen en zich bij klanken uit de cellosuites van J.S. Bach over een brug buigen. Daarbij knakt het meegedragen boeket. Hij gooit de witte bloemen in het water. Vrijwel meteen daarop schemert het en wordt de man, alsof hij op een lopende band staat (treffend in beeld gebracht door Mick Durlacher), naar een andere locatie geschoven.
Het blijft onduidelijk of de daaropvolgende scènes flashbacks, momenten in het heden of vooruitwijzingen zijn. Voor het verhaal maakt dat niet veel uit. Belangrijker is het motief van de tas (zie titel), dat in een drietal stappen dat van de bloemen overneemt.
De man loopt door een gang met zuilen en belandt bij een kampement met lege huisjes die eruit zien alsof ze van karton of plastic zijn gemaakt. De man gaat een van de huisjes in en komt uit een ander weer naar buiten. Terugkijkend blijft deze scène een Fremdkörper in de film, zeker omdat de man verder loopt en, zelfverzekerd glimlachend, bij een huis uit de dagelijkse realiteit aanbelt. Hij deinst echter, terwijl zacht geklingel en enkele krekelachtige geluiden klinken, achteruit en neemt een bokshouding aan. Wanneer de deur openzwaait, betreedt hij het huis. Er gaat een onvermoed groot complex van gangen en kamers achter de gevel schuil. Voorzien van een grote lamp gaat hij de kamers door. Van symbolische betekenis is eveneens dat hij tweemaal een trap afdaalt. Of Wobma daar nu het onderbewuste mee voor ogen heeft of niet, feit is dat de kijker dieper in de film gezogen wordt. Het personage, dat tot nu toe nog geen woord gesproken heeft, en dat ook niet zal doen, stapt door een kralengordijn een rommelig aandoend vertrek binnen waar drie vrouwen bij kaarslicht zitten. Toch gaat groot licht aan. De man loopt tegen een leren tas. Hij neemt die op maar staat toe dat de oudste vrouw hem met enkele boze kreten uit z’n handen trekt. Ze klapt een stoel uit tot een trapje en zet de tas voor hem onbereikbaar hoog weg. Hij neemt een koffertje op, dat door een jongere vrouw afgepakt wordt. Er ligt nog een zak op de vloer maar de man durft die niet meer op te nemen. De derde vrouw komt op hem af en staat, een bevallige zo niet verleidelijke pose aannemend, toe dat hij de zak toch opraapt. Uitgesproken bang kijkt hij naar haar maar blijkbaar is er iets achter hem want hij kijkt geschrokken om, staart in het blikveld van het publiek en schuift achterstevoren terug naar de realiteit van de donkere straat. Daar opent hij de zak. In plaats van bloemen, die ik er zelf in vermoedde, haalt hij een tandenborstel en rolletje wc-papier tevoorschijn. Teleurgesteld gooit hij die op de grond, pal naast een riooldeksel, en wandelt de nacht in…

Bij dergelijke gebeurtenissen en zoveel verwijzingen valt er een hoop te duiden. Hoewel de film dus een uitgesproken surreëel karakter draagt, ben ik daar zelf niet in de eerste plaats op uit. Dat laat ik graag aan de kijkers over, die ieder toch met andere betekenissen zullen komen.
Nee, voor mij is van meer belang dat Wobma erin geslaagd is om binnen een kort tijdsbestek meerdere tastbare werkelijkheden op te roepen en elk van de te onderscheiden ruimtes door middel van variërende vervreemdingseffecten zodanig te bezielen dat je de film gemakkelijk opnieuw kunt bekijken zonder dat hij begint te vervelen. De beelden blijven spannend, en dat niet alleen, ze bezitten ook een moeilijk te benoemen autonome schoonheid, pure poëzie. In dit opzicht verraadt Wobma z’n literaire achtergrond niet.

‘Casting director’ Monique Durlacher maakte een prima keuze; Hans Dagelet zorgt ervoor met z’n lichaamshouding maar veel meer nog zijn manier van kijken de meest uiteenlopende gewaarwordingen over te brengen. Soms doet hij dat concreet, scherp omlijnd, bijvoorbeeld op de momenten van angst en verlangen, maar daartussen zitten allerlei vage en in elkaar overlopende schakeringen die de film emotioneel meer kleur geven dan je op basis van de overwegend donkere beelden verwacht. Bachs dwingende vervlechtingen garanderen bovendien een auditieve versterking.

Hoe ingetogen uitgevoerd ook, ‘Mixed bag’ is drama van hoog niveau. De film zal z’n doel nog lang blijven treffen!





Eric Wobma – Mixed Bag or What’s in a dream…; Productiemaatschappij: Raving Butterflies; 2007; ISBN 978-90-74867-06-1.

Recensie: Albert Hagenaars, 2011.
www.alberthagenaars.nl

zaterdag 16 april 2011

ROGER NUPIE - Abrikozen voor Ali

.


ABRIKOZEN VOOR ROGER

In de hedendaagse poëzie is het bon ton om ingehouden te schrijven over tragedies, rampen, oorlog, in plaats van uit te pakken met exuberante beschrijvingen om de emoties eens goed op te schudden of maar geen detail over te slaan.
Het maakt hierbij niet uit of het onheil van persoonlijke aard is of een compleet volk treft. Zoals Marga Minco, met name in 'Het bittere kruid', liet zien wat een ingehouden toon voor het proza kon betekenen, bewees Armando in de poëzie, maar niet alleen hij natuurlijk, dat slechts een paar woorden, mits zorgvuldig gekozen, in staat waren een complete wereld vol ellende op te roepen. Beide auteurs worden met elkaar verbonden door een fascinatie voor het fenomeen macht, en vooral het ontbreken daarvan, de onmacht, de machteloosheid. Let op het verschil tussen deze twee begrippen.

Roger Nupie (º1957, Keerbergen), die zich in 'Abrikozen voor Ali' eveneens op deze thematiek richt, zal het werk van deze schrijvers wel gelezen hebben en wie weet bestudeerd maar wekt de indruk dat hij zelf voor zijn overdracht ook niet anders dan op een uitgebeende zegging uit kon komen.
De grote vraag bij zo’n aanpak is natuurlijk: hoe ver kun je als dichter gaan? En, als lezer? Waar staat weliswaar geen woord teveel maar breekt de poëtische spanning door gebrek aan samenhang of context? Bereikt, anders gezegd, Nupie zijn doel? En hoe zou dat doel dan moeten luiden?

De titel is afkomstig van de in Irak gebezigde uitdrukking ‘morgen zullen er abrikozen zijn’, wat zoveel betekent als ‘na regen komt zonneschijn’. De associaties die dit gezegde oproept zijn eerder onschuldig en liefdevol. Al in de tweede regel van het inleidende gedicht van dit dunne bundeltje echter vernielt een raket het huis waarin een twaalfjarige Ali ligt te slapen. In regel 3 wordt zijn zwangere moeder daardoor gedood en in regel 4 ook nog eens zijn vader en broertje. Ali overleeft maar is wegens brandwonden zwaar gewond. Er is sprake van oorlog en vijandelijke partijen als Amerika en Engeland. De inleiding doet z’n werk, de toon is gezet: deze poëzie gaat over de aanval op Irak of moet ons daaraan doen denken!
Is deze pakkende eerste tekst weliswaar nog strofisch gebouwd maar ook bladvullend lang en verhalend van toon, bijna alle volgende pagina’s bevatten korte tot ultrakorte teksten, waarvan geen enkele een titel draagt. Nupie verwijst nergens meer direct naar Irak, zodat de inleiding een metafoor genoemd mag worden voor alle situaties waarin onschuldigen geslachtofferd worden. Welke omstandigheden zijn daarvoor inderdaad meer geschikt dan een oorlogssituatie? En zeker een die ongelijkwaardigheid kent, met één technisch oppermachtige partij.

Degene die daaraan mocht twijfelen, drukt Nupie nog snel even met de neus op een citaat van Willem Brakman: "Taal noch teken, ook na de oorlog niet".
De poging om deze ontlening waarheidsgehalte te geven, bevat al direct een van de vele contradicties van de bundel want Nupie kan niet anders dan met taal en teken aangeven dat er geen taal en teken zullen overblijven. Daar zit meteen ook zijn kracht want wie weinig woorden wil gebruiken is gedwongen om extra stijlmiddelen in te zetten zoals tegenstellingen dus ja, en humor. Beide toepassingen worden door Nupie uitstekend gebruikt, hij laat ze zelfs herhaaldelijk samenvallen. Natuurlijk moet hij daarbij voor de humor uitwijken naar ironie en sarcasme, zoals in het titelloze:


Geen hoofdpijn
maar ook

Geen
hersenpan.



Dit is, voor alle duidelijkheid, het hele gedicht. Voor wie niet in staat is het begrip poëzie van een optimaal breed begripskader te voorzien: geef toe dat het op z’n minst een doordenkertje is.
Ik zelf, en ik wil niet bekrompen zijn, vind deze vier regeltjes op zich geen poëzie. Maar ik ken er wel een poëtische functie aan toe, in het geheel van de bundel. Ze bepalen mede de toon en de sfeer van 'Abrikozen voor Ali'. Nupie is intelligent genoeg om te beseffen dat hij niet kan volstaan met alleen dit soort regelbeten. Zijn bundel heeft hier en daar een ankerplaats nodig. Daarin voorziet hij met een paar langere teksten, zoals:


Wat een dolle bende toch,
deze heren op rijpere leeftijd.

Rondedansjes, soldatenliederen,
Old Shatterhand, Winnetou.

Herinneringen als zoete koek,
overslaande stemmen.

Voortreffelijke heren, beetje mank,
maar voorwaar nog monter.

Plots motregen.
Een minuut stilte.



Hierin komen nog twee andere kenmerken aan bod: het gebruik van werkwoordloze zinnen, zodat de lezer aangespoord wordt die aan te vullen (en er als co-auteur vanzelf meer bij betrokken raakt), plus het spelen met beelden die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben en zich soms uitgesproken vrolijk en daarmee onschuldig voordoen.
Soms is Nupie, en dan duikt alweer zijn vijfde kenmerk op, nog dwingender, kapt hij zinnen vroegtijdig af zoals in de tweede helft van:


Amputeer zijn tweede been,
het eerste heeft hij nooit gemist.

Wat er aan romp rest,
gooi het weg.

Vergeet de voetstappen
die hij achter zich!

Bijtijds omdraaien:
een gewaarschuwd man-

Aan flarden even later,
want te laat bespeurd.



Hier is hij er voorbeeldig in geslaagd de onrust en schrik van een bedreigende situatie in taal te vangen. Aan vaardigheden geen gebrek dus, Nupie is een onderlegde dichter!

Om nog even op zijn bedoeling terug te komen. Die kan niet anders uitgelegd worden dan als de behoefte een fel protest te laten horen tegen oorlog, tegen de misdaden die onder die noemer plaatsvinden, tegen de rechteloosheid, tegen het kwaad dat ook onlosmakelijk bij onze soort hoort. Zoals Armando al als puber ontdekte, toen hij voor het eerst foto’s van vernietigingskampen zag, als onderschrift las: ‘Onmenselijke handelingen’, en tot de conclusie kwam dat het gebeurde helemaal niet onmenselijk was maar juist menselijk!
Nupies onderwerp is dus helemaal niet origineel maar dat is oorlog evenmin, al verandert het gezicht ervan steeds, en juist daarom moeten er ook bundels als Abrikozen voor Ali blijven verschijnen, niet in naam van de poëzie maar in naam van alles waar de poëzie voor wil staan! Vanuit deze gedachte heeft Roger Nupie zeker zijn doel bereikt, hij is gaan weten, hij heeft zijn stem verheven, hij heeft niet gezwegen!
Wat zijn woorden zouden kunnen bereiken is echter een andere discussie. Zijn lezers zullen het natuurlijk met zijn bevindingen eens zijn, er zullen enkele recensies verschijnen en misschien bestellen ook wat bibliotheken het bundeltje maar dan houdt het ook wel op…

Maar wat is het alternatief?



Roger Nupie – Abrikozen voor Ali. De Oostakkerse Cahiers, 2005. ISBN: ontbreekt

Foto: Vera Seppion

Albert Hagenaars, mei 2006

dinsdag 5 april 2011

PAUL CLAES - Glans Feux

.


EEN RECYCLIST IN VOL ORNAAT

Het gebeurt niet alleen op de markt maar ook in de boekwinkel! De laatste jaren worden we steeds vaker verwend met meertalige bundels. Paul Claes deed ook een duit in dat al luider rinkelende zakje, en terecht, want als iemand zich lange tijd door andere talen en culturen liet doordesemen dan wel een ouwe rot op vertaalgebied als deze 57-jarige medewerker van de Leuvense universiteit. Hij vertaalde werk van o.m. Catullus, Rimbaud, Mallarmé en, samen met Mon Nys, Joyce, won voorts terecht de prestigieuze Nijhoff-prijs (in 1996) en herschreef in De Phoenix, die bol staat van pastiches en verwijzingen naar de klassieke letteren en hem aan een Libris-nominatie hielp, het leven van de 15e-eeuwse Italiaanse denker Picodella Mirandola. Ik noem deze roman alleen al omdat hier het thema opduikt dat ook in zijn nieuwe poëziebundel een grote rol speelt: de tegenstelling tussen de klassieke en moderne westerse samenleving: het ene ongebroken wereldbeeld tegenover de versplinterde beleving van de realiteit waaraan wij onze kicks ontlenen.

De titel van zijn recent verschenen 'Glans/Feux – gedichten/poèmes' geeft het al aan, het gaat om poëzie in het Nederlands en het Frans maar de betreffende gedichten zijn geen directe vertalingen. Anders zou de bundel ook wel Glans/Clarté of Glans/Lueur of Glans/Brillance geheten hebben.

'Feux' is ouder; deze reeks verscheen al in 1992 in een bibliofiele editie bij De Diamant Pers. 'Glans' verscheen vorig jaar bij Regulieren Uitgeverij, eveneens in een beperkte oplage. Mede omdat in de hele bundel de Franse teksten steeds op de linkerbladzijde staan en de Nederlandse rechts, had het boekje beter Feux/Glans kunnen heten. Maar dit terzijde. Glans/Feux biedt gedichten die tweemaal maar telkens vanuit verschillend gezichtspunt verteld worden. Dante en Rimbaud komen ook nog om het hoekje kijken want 'Glans/Feux' bestaat uit 3 delen: 'Destruction / Vernietiging', 'Purification / Zuivering' en 'Illumination / Verlichting'.

Inhoudelijk leefde Claes zich opnieuw uit in het reusachtige bestand van Griekse mythen. De uitgever was zo verstandig achterin 6 blz. met verduidelijkingen over o.a. Iocaste, Antaeus, Gorgo en Semele (elk Nederlands gedicht komt aan bod) op te nemen. Daar werd goed over nagedacht, want in elk stukje wordt meteen naar het corresponderende vers in het Frans verwezen. De extra informatie moest aan de Nederlandse titels gekoppeld worden, omdat die alle de naam van een personage dragen. De Franse titels luiden o.a. 'La Loi', 'La Vierge', 'La Reine' en 'Actéon'. Wie deze laatste naam niet kent, zoeke achterin bij het parallelle vers Artemis. Het is dus wel een bundel met een gebruiksaanwijzing maar wat is daarop tegen? Mij hoor je niet klagen; ik houd wel van enig gefröbel.

Qua vorm rijgt Claes zich in twee korsetten: voor het Frans in sonnetten van ultrakorte regels die slechts twee en drie lettergrepen per vers tellen, voor het Nederlands in kwatrijnen, bestaande uit twee disticha, elk gebaseerd op een hexameter en een pentameter, die Claes, jawel, netjes bij de cesuur scheidt.
De keuze voor het sonnet was hoogst ongelukkig omdat de regels te kort zijn om het onvermijdelijke en niet minder ongewenste effect van rijmdreun te voorkomen. Bijkomend nadeel is dat Claes zich lang niet altijd een gewiekste rijmelaar betoont: reeksen als vois-moi-toi en prendre-prétendre-tendre verwacht je eerder bij de gemiddelde francofone puber. In zijn Nederlands had het waarschijnlijk niet anders uitgepakt. Het is dan al gauw een verademing om meer genuanceerde klanken te ontdekken als amante-tourmentent-patiente en troublant-prend-flanc. Er is ook klankovereenkomst tussen beide talen: La pêne (dat zowel een schoot is als een tong van een slot) rijmt onopvallend op Penelope in het Nederlandse vers op de buurbladzijde. Claes kán dus wel rijmen, hij was alleen te weinig kritisch op te veel momenten.



De dubbele titel slaat niet alleen op de ‘afglans’ over en weer van beide talen maar ook op allerlei andere spanningsvelden, bijvoorbeeld die tussen man en vrouw, liefde en haat. De achterflap: antieke mythologie verliest en ontdekt zich in moderne psychologie. Het is vooral deze laatste tegenstelling die de bundel een grote meerwaarde verleent en sterke en bitse regels oplevert: Vrouw het noodlot verwikkelt / mijn lichaam en ziel in uw netwerk: / ver op mijn brandende berg / bijt me uw bronstige kleed. De langere regels in het Nederlands bieden veel mogelijkheden tot syntactische intriges en drukken de Franse, kortademig als die zijn door hun gebrek aan lettergrepen, nog verder in het defensief. Jammer, ik had het liever andersom gezien. De bundel heeft niet genoeg evenwicht. Kijk maar: Je vois / La scène / Obscène / En moi // Le roi / La reine / Thébaine / Et toi en zo dreunt het verder: pom-pom, pom-pom-pom, pom-pom...(en daar heb je Nijhoff weer)! Maar de Nederlandse verzen zijn niet per definitie beter. Regels als Moeder omsnoert me vergeefs / de hand van de vader ontsnoert ons:/ twijfelend tussen de twee / snoeren ze beiden mijn keel gaan ten onder in effectbejag. Op dit punt is het Franse equivalent dan beter: Ton sein / De mère / M’enserre / En vain // La main / D’un père / Desserre / Nos liens // Que faire / Entre eux / si tous / les deux / Me serrent / Le cou? Al was het maar omdat de semantisch verbonden woorden dankzij het verticale ontwerp visueel verder uit elkaar staan.
Dat je de meeste Franse teksten tóch herleest, heeft echter vooral te maken met de indringende beelden, die hun felheid ontlenen aan erotiek en geweld, vernieling en geboorte en al die andere oerervaringen. Het is zelfs de grote verdienste van de beeldspraak dat die de beide luiken in de lijst van één boek bijeenhoudt.

De vele spelletjes kennen evenmin een taalgrens. En Claes speelt heel wat af, laat makkelijker meegenieten naarmate je dieper leest. Hij klopt minstens zoveel betekenis uit woorden als verwijzingen uit situaties maar niet vrijblijvend, meestal passen met een rekbaar voorstellingsvermogen meerdere duidingen. Een ‘trame’ bijvoorbeeld is niet alleen de inslag van een weefsel maar ook een kuiperij. En een ‘verge’ is behalve een bussel om mee te slaan ook een penis. De associatie van een meppende piemel ligt dan binnen handbereik. ‘Illumination’ wordt gebruikt voor feestverlichting (Claes gaat het theatrale nimmer uit de weg) maar ook voor een goddelijke ingeving! Het woord geeft hem tevens de gelegenheid naar zijn idool uit Charleville te verwijzen. Hij poetst een zegswijze als Au fur / Et à / Mesure op die, geïsoleerd en als strofe vermomd, weer iets van z’n oorspronkelijk kracht krijgt. Hij laat geen steken vallen of het moet een enkel geval van overlapping zijn als in ‘Tendron d’enfance’.

Gelukkig gaat hij zich in 'Glans/Feux' niet te buiten aan pastiches. Die terughoudendheid zal hem moeilijk gevallen zijn want als je ziet, bijvoorbeeld in zijn bundel 'Mimicry', wat een meester Claes in dat genre is, kun je je makkelijk voorstellen hoeveel kansen hij heeft moeten laten schieten. Hoe serieus hij vergeleken met die taalgrollen uit 1995 ditmaal ook opereert, het kan niet verhullen dat hij veeleer een herschepper dan een schepper is. Leest u hierin vooral geen neerbuigendheid want ik lees liever het werk van een bedreven recyclist die mij met illustere schrijvers en personages in contact brengt dan dat van een oorspronkelijkheid nastrevend maar middelmatig talent. Paul Claes is dus een recyclist maar wel een in vol ornaat! Onze taal mag kronkelen van genot om door hem onder handen te worden genomen!

Glans/Feux – Paul Claes. Uitgeverij De Bezige Bij, 2000. ISBN: 90-234-4800-6

Recensie: © Albert Hagenaars, 20 juni 2000.
Eerder verschenen in De Haagsche Courant (juni 2000)
www.alberthagenaars.nl

maandag 14 maart 2011

ERIK HEYMAN - Verzamelde gedichten


Door Albert Hagenaars





DE ONDERBROKEN SPOREN VAN ERIK HEYMAN

Dat gebeurt niet vaak: het verschijnen van een kloek boek met de verzamelde poëzie van iemand die bij leven slechts vier dunne bundels publiceerde, uitgesmeerd dan nog over een periode van maar liefst 30 jaar.
Het gaat om de in 1960 te Ninove geboren Erik Heyman die op 25 februari 2010 aan een hersenstumor overleed. Hij was toen blijkens een opmerking van samensteller Frank Pollet zelf al begonnen aan een bloemlezing t.g.v. zijn 50e verjaardag eind september. Wat kon voor de familie en literaire vrienden zinvoller zijn dan dit werk af te ronden?

Het is een heuse prestatie geworden het boek op tijd af te hebben. Zoals Pollet uitlegt, bevond zich namelijk onvermoed veel materiaal in de nalatenschap, meestal geen kant en klare producten maar talrijke versies, af én onaf, van vaak dezelfde gedichten. Niet zonder dilemma’s kwam hij goed beargumenteerd tot een indeling van: jeugdwerk; het debuut ‘Neergeschreven’ (1981); het door Heyman gewenste maar door de uitgever afgewezen ‘IJstijd’, nu toepasselijk in ‘Winters’ herdoopt; het met latere gedichten gevulde ‘IJstijd’ (1984); ‘Dagmaat’ (1994); ‘Mantis’ (2006); de reeks ‘Pro Memorie’, gepubliceerd in de monografie van kunstenaar Michel Janssens (2007); recente teksten.
Het begin geeft een duidelijk beeld van Heymans kiemen. Ook in ‘Neergeschreven’ kan de dichter nog geen eigen stempel zetten, al had hij zeker talent voor het verwerken van actuele ontwikkelingen in de poëzie. Het wekt dan geen verwondering puberale beelden gecombineerd te zien met effecten van de gekweld schrijvende, op dat moment al door jongeren gevierde H. Pernath: “Dit uur bezinkt, en slaat nu om mij neer; / de tijd zet zich in mijn verleden vast. // Want langzaam roest dan mijn geheugen weer: / ik vind dit jaren later op de tast. // Tenslotte zal ik bodemloos vergaan. / De dood komt nu al zwijgend naast me staan.”

Hoewel zijn thema’s vroeg vaststaan, zijnde de kwetsbaarheid van het leven, de dood, de angsten die daarmee gepaard gaan en, van de weeromstuit, het vasthaken aan de meest wezenlijke ervaringen in dit korte bestaan, heeft hij pas in ‘IJstijd’, maar dan volkomen overtuigend, een eigen geluid gevonden. Hij is ineens zo gerijpt dat hij zonder risico citaatregels van T.S. Eliot, die hij blijkens brieven altijd is blijven bewonderen, in z’n eigen gedichten kan onderbrengen. Van minstens zo grote betekenis, hij is inmiddels kernfysicus, zijn invloeden uit de wereld van de wetenschap. Dat de bestuiving uit die domeinen niet uit Eliotaanse as bestaat maar uit vlagen vol pollen bewijst het volgende gedicht:


POLARISATIE

iii.iii

Zij zal zachthandig van uw vrijheid
U beroven. Richt op de wentel-
Trap van haar verlangen
Steeds uw stap.

Dan wordt zij zwijgzaam bij
De koelte van haar bloed.
Zij legt de kaarten,
Leest uw lot.

Zij begeleidt u veilig naar
Het priemgetal van god.



Deze tekst, opmerkelijk kort voor zo’n complex weefsel, kenmerkt zich door een eenvoudige woordkeuze, rustige toon en schijnbare openheid. Pas bij herlezen onderga je de werking van de contrasten: vrijheid versus gevangenschap en, fascinerender, onomstotelijk vaststaande kennis versus waarzeggerij, wetenschap eveneens versus geloof. Hoe helder de regels zich ook voordoen, hoe ze met “zachthandig”, “begeleidt” en “veilig” ook geruststellen, de gewaarwording van een peilloze diepte daaronder, of daarboven natuurlijk, laat niet af. Stel dat…




Zijn finest hour, qua publiciteit en eer tenminste, beleefde Heyman met de publicatie van ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers. De 3e afdeling, ‘Geologie’, trekt de meeste aandacht omdat Heyman daarin personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot introduceert, althans de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel “In haar gebarentaal boots ik haar na”. De grootste vraag: wie/wat wordt met “haar” bedoeld? Het vertrekpunt, zijn perspectief, is dus steeds hetzelfde, evenals de sonnetvorm met 4-4-4-2 regels. Toch is het tegelijk een parameter omdat hij, even ingenieus als sluw, deze standaardregel laat volgen door o.m. een komma, dubbelepunt en een koppelteken. Heyman komt de eer toe het principe ƒ(x) = x + 3 te hebben geïntroduceerd in de poëzie. Hier het eerbetoon aan Vlaanderens, volgens hem bekendste, geleerde:


BODIFÉE

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.



Vrezen, ja dat deed Heyman vaak, als mens, als dichter. Angst behoort samen met zijn achtergrond als systeemondervrager tot de meest bepalende elementen voor de zorgvuldige wijze waarop hij niet alleen gedichten maar ook complete bundels concipieerde.

Zijn diepst menselijke, zijn in al hun intimiteit meest dramatische gedichten staan evenwel in ‘Mantis’. Dood, verlies en verdriet maar ook momenten van blijdschap en geluk vormen hier ondanks opnieuw heldere vormen een poëtisch gistend proces. Het openingsgedicht van de titelreeks toont dat de abrupte regelafsnijdingen voor zowel scherpte als ontregeling zorgen. Het heet ‘i’:


Een man dacht een vrouw
bij elkaar en verleende
bestaan aan geweten en
tijd. Hij wuifde de dood uit

haar oog en verdunde haar
mond. Ooit onder de aarde
verliest zij de sporen. Hij
toonde geen woord meer

maar richtte haar op uit de
grond. Hij weet nu: ze kijkt op
hem neer als een zoon die
zij niet meer kan horen.



De nagelaten gedichten bevatten degelijke, en nauwelijks minder boeiende, teksten, die echter nog niet hun typische Heyman-bestek hadden gevonden. De mogelijkheden daartoe blijven voorbehouden aan de lezer!

Het boek verslaat overtuigend Heymans onderneming vanaf de kakofonie van voorlopers en bentgenoten van de dichter waaruit diens eigen stem zich in ‘Neergeschreven’ gaandeweg losmaakt, in ‘IJstijd’ duidelijk verstaanbaar wordt, zoekend naar een lossere uitdrukkingsvorm aan een prachtige solo in ‘Dagmaat’ begint om vervolgens in ‘Mantis’ haar bestemming te vinden.
In concreto: dit unieke avontuur met voldoende hoogtepunten, nog bijgekleurd door onbekende verzen uit verschillende periodes, levert een relevante bijdrage aan de hedendaagse poëziegrafie. Elk avontuur is uniek maar niet elk laat sporen na. Dat nu is bij Heyman wel het geval. Ook hijzelf komt tot die conclusie, als hij tenminste van dezelfde interpretatie als ondergetekende uitging:

“Wij hebben het gehaald, werden / getekend en geslagen met de / hand, vertonen sporen.”


www.alberthagenaars.nl

Deze recensie werd tevens gepubliceerd in het tijdschrift 'Vlaanderen', jrg. 60, februari 2011, pag. 55-56.

Foto auteur: © Bert Bevers. Uitgeverij: De Contrabas

dinsdag 4 januari 2011

EILANDGEDICHTEN (Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius, Sint-Maarten)



INLEIDING

Eilandgevoel, dat is het onbetwiste trefwoord voor deze anthologie met gedichten en volksliederen over álle eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Het zijn er 12, verdeeld over het Caribisch gebied en Nederland zelf, waarvan er twee, Curaçao en Sint-Maarten, onlangs net als Aruba landen binnen het koninkrijk werden en Bonaire, Saba en Sint-Eustatius bijzondere gemeenten.
Geholpen door kenners ter plaatse verzamelde Klaas de Groot, die ook het nawoord met verantwoording schreef, een opvallend groot aantal teksten: Ameland (8 stuks), Aruba (12), Bonaire (7), Curaçao (14), Rottum (6), Saba (7), Schiermonnikoog (8), Sint-Eustatius (4), Sint-Maarten (4), Terschelling (11), Texel (11), Vlieland (9). De room op het geheel is een slotdeel (met nog eens 8 teksten) dat een algemeen perspectief biedt. Dichters van faam, o.a. Arion, Bernlef en Slauerhoff, staan naast plaatselijke grootheden als Roberto Henriquez en Cecile Peterson.
John Jansen van Galen schreef een hoogst vermakelijk voorwoord aan de hand van eigen eilandervaringen en dat blijken er vele te zijn.
Het motto, van Cola Debrot, is zo goed gekozen dat ik het graag overneem. De originele tekst luidt: ‘Ami gusta un cos / I abo gusta e mes cos / ma kiko e cost a cu nos gusta / lo keda un secreto entre nos dos’. In de Nederlandse versie van Carel de Haseth komt dat niet minder treffend over: ‘Ik houd ergens van / en jij houdt van hetzelfde / maar wat het is waar wij van houden / blijft een geheim tussen jou en mij’.


ARUBA

Aruba, qua oppervlakte net iets kleiner dan Walcheren en qua inwoneraantal dan Den Bosch, heeft een bonte en dus boeiende geschiedenis. Zo was Aruba het eerste eiland dat met de Status Aparte een land werd binnen het Koninkrijk der Nederlanden, op 1 januari 1986.
Het imago van de op 30 december 2010 overleden entertainer Roberto Alfonso ‘Bobby’ Farrell, voor het grootste deel van z’n carrière het gezicht van Boney M. (een groep die 150 miljoen platen wist te verkopen) is dankzij de speling van het lot het bekendste van het eiland afkomstige cultuurproduct.
Niet toevallig leverde Aruba, na Curaçao, de meeste gedichten voor het boek. Die zijn van: Nena Bennett, Frida Domacassé, Giselle Ecury, Nydia Ecury, Helena Engelbrecht-Fornara, Henry Habibe, Ireno Ricardo Kock, Clyde Lo-A-Njoe, Quito Nicolaas, Robert Henriquez, en Ramón Todd Dandaré, aangevuld door Juan ‘Padú’ Lampe, bijgenaamd tata di nos cultura, die de tekst voor het volkslied schreef op muziek van Rufo Wever. Het heet ‘Aruba dushi tera’ (wat ‘heerlijk land’ betekent). Omdat het Papiaments de overheersende thuis gesproken taal is (70% tegenover ruim 6% Nederlands) en het onafhankelijkheidsstreven altijd sterk was, moest ook van de Arubaanse bijdragen een aantal vertaald worden, maar liefst 7 stuks. Gelukkig is zowel het origineel als de vertaling opgenomen.
Alle teksten verschenen eerder; sommige in de aan de Benedenwindse eilanden gewijde anthologie ‘De kleur van mijn eiland: Aruba, Bonaire, Curaçao, II’ (2006), andere in de verzameling ‘De navelstreng van mijn taal – Poesía bibo di Aruba /Levende poëzie van Aruba’ (1992).

Is ‘eilandgevoel’ het sleutelwoord van de anthologie in z’n geheel, voor Aruba zijn, gezien de frequentie, woorden als heet, zon, wind, zout, steen en zee, die bij de meeste participanten in telkens andere combinaties terugkeren, het belangrijkst. Deze en enkele andere, soortgelijke motieven vormen als het ware het lexicale skelet van Aruba. Samen bieden ze meer dan genoeg om de fantasie te prikkelen en de poëzie in werking te zetten. Die komt dan ook sterk opzetten in het aan Aruba gewijde deel van het boek, sterker dan je op basis van de beperkende omstandigheden zou verwachten. Als we het in andere opzichten aansprekende volkslied buiten beschouwing laten, valt het nog niet mee om zo objectief mogelijk de tekst te kiezen die poëtisch het meest te bieden heeft. Daarom verlaat ik me maar op m’n eigen, uiteraard hoogst subjectieve oordeel en neem ik ‘Paradise lost’ over van Giselle Ecury, dat met weinig omhaal van woorden dusdanig de beschrijving en het lot van een kind van zes weet te ontstijgen dat het niet alleen verdrietig en schrijnend genoemd mag worden. Het raakt, met name in de slotstrofe, aan een staat van zijn die veel verontrustender is, die namelijk zelf in het geding is. De vervreemding zet echter al in met het neologisme in ‘palmend groen’, met de originele beeldspraak van ‘in rafels zwaaien’ en ook met de tegenstelling tussen ‘stil’ en ‘zwaaien’:


PARADISE LOST

buiten stond het palmend groen
stil langs de startbaan
in rafels te zwaaien
toen ik moest gaan
eilandskind

de wind draaide zich
de zee verbleekte
liep kolkend leeg
lucht wolkte vormeloos uiteen
de pop op mijn arm huilde
tranen van steen
warmte hield haar adem in
de zon ging uit
ik verdween
kind van zes

het vliegtuig vloog mij uit elkaar
nergens kwam ik aan
ik ben
alleen
niet van hier
niet meer van daar
ertussenin
ontdaan



De vraag naar de identiteit of het besef van verlies daarvan, raakt in het vacuüm van het vliegtuig dat bij geen enkel land hoort, in een ruimte die zelfs primaire herkenningspunten als lucht en zee verliest , vervlochten met thema’s als emigratie/immigratie, heimwee maar evengoed een onbestemd verlangen, en initiatie.
De eerste en laatste regel van deze strofe zijn subliem. De slotregel bestaat maar uit één woord maar telt voor twee vanwege de dubbele betekenis; ook het voltooid deelwoord van ‘ontdoen’ schemert er toepasselijk doorheen.


Een groter verschil dan met de eveneens bewondering afdwingende slotstrofe van het gedicht ‘Lago Heights’ van Frida Domacassé is haast niet denkbaar. Na elf kwatrijnen van gedetailleerde beschrijvingen van de eigen buurt (zie titel) en de benoeming van de bewoners daar, gezien het gebruik van de verleden tijd deels gebaseerd op herinneringen, sluit Domacassé af met een lofzang van slechts twee regels die echter wel twee keer zo lang zijn. Met de elfde strofe erbij, luidt die:


pronkend strompelend op gouden muiltjes
dansen op cubaans’ muziek
tot we onder een grote klamboe
sliepen van het spelen moe.

vijf stille straten in het maanlicht driehonderd huizen ingedut /
tientallen dromen van geluk min lago heights op een voetstuk.





Wat de gedichten van Ecury en Domacassé en zoveel andere dichters in dit boek wel delen is het terugkijken op een geluksperiode die samenvalt met zowel de jeugdjaren als met de kleine ruimte waar die hun beslag in kregen. Een uitstekend voorbeeld levert Nydia Ecury, die haar bijdrage niet voor niets ‘Herinnering’ noemde. Het woord ‘herinnering’ komt er maar liefst zeven keer in voor, in telkens de eerste regel van evenzoveel strofen. Elk daarvan is gevuld met prachtige beelden. Om er slechts twee te kiezen, maar nu in het Papiaments:


Mi ta korda tempu di aña
ku tin alabansa pa Mama Maria
ainda mi boka ta purba
aroma di sensia
i mi ta sinti
kon bas di e orgel
ta lora, ta bini
te boltu
net den mi pechu

Mi ta korda tempu
ku aña t’ei kaba
i Mariachi, mi wela
ta trese foi tienda
ròl di sèn pretu
i bòter di ròm
pa grandasi mei aanochi
dandé
pa kantika bunita
i tor bon deseo



Ecury toont hiermee tevens treffend aan hoe geschikt het Papiaments, mede dankzij de diverse bronnen waaruit de Portugese humuslaag bevloeid wordt, voor poëzie is.
In de Nederlandse vertaling van Lucille Haseth en Aart G. Broek luiden de betreffende fragmenten: De tijd van het jaar herinner ik mij / van het Lof voor Moeder Maria / mijn mond proeft nog / de geur van wierook en ik voel nog / hoe de bas van het orgel / komt aangerold tot hij precies / in mijn borst over de kop slaat. // De tijd van het jaar herinner ik mij / wanneer ’t ten einde loopt / en mijn grootmoeder Mariachi / uit haar winkel rollen zwarte centen / en flessen rum meebrengt / om te middernacht / de zangers van dande te bedanken / voor alle mooie liederen en alle goede wensen.

Henry Habibe richt zich in ‘De verbeeldingsdans’ op al die verschillende invloeden. Hier is, in de vertaling van D.M. van Schendel-Labega, het laatste deel van zijn gedicht:


Estreya, Estreya,
geheel in het geel gekleed
waar men zoenoffers brengt:
de troepiaal van onze samenleving.

Portugezen als straatvegers,
baboes als wasvrouwen,
Chinezen als strijkbazen,
San Nicolas als koperblazers.

Mensen en nog eens mensen,
hoeden versierd met zwarte linten,
dat is nou Aruba
dat is nou Aruba.

Zo danst men daar
de verbeeldingsdans,
de verbeeldingsdans.



Niet misschien de beknoptste maar zeker de krachtigste regels vinden we aan het slot van ‘Vlammend Eiland’ van Robert Henriquez, die nog beter hun werk doen door de geslaagde syntactische verknoping:


en elke dag
van elk jaar
wringt wreed
tot zweet
het vuur mijn land



Het is moeilijk niet nog meer te citeren maar de andere eilanden wachten en die weten weliswaar maar al te goed wat uithoudingsvermogen is maar willen evenmin als Aruba hun geduld te lang laten beproeven.


BONAIRE

Bonaire, dit ruim met natuurschoon bedeelde eiland met behalve Nederlandse ook Spaanse en Britse invloeden, kent een kleine bevolking, slechts ruim 13.000 inwoners die bijna allemaal in de meer kernen tellende hoofdplaats Kralendijk wonen, maar was goed voor toch nog zeven bijdragen aan ‘Vaar naar de vuurtoren’. De oproep in de titel kan op vijf verschillende manieren gerealiseerd worden want hoewel lang niet alle eilanden een vuurtoren bezitten, heeft Bonaire er maar liefst vijf, waarvan de Willemstoren uit 1838 de bekendste is. Drie torens zijn zelfs onlangs gerenoveerd en werken inmiddels op zonne-energie. Als daar geen nieuwe poëzie uit voortkomt…
De dichters zijn Frank Martinus Arion, Aletta Beaujon, Cola Debrot, Mery Maduro, Walter Palm en Lupe Reyes, wier werk afgesloten wordt door het volkslied van Hubert E. Booi.

Arion (º1936), die in Nederland vooral naam heeft door zijn roman ‘Dubbelspel’, waar bijna driekwart miljoen exemplaren van werden verspreid, komt niet van Bonaire. Hij werd geboren op Curaçao en woonde op Aruba alsmede in Nederland en, tot de militaire coup, in Suriname. Zijn lange gedicht ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’ werd uit de bloemlezing ‘Vermoeden van tijd – Poëzie van de jongere tijd’ (Meulenhoff, 1962) gelicht en vormt ongetwijfeld een van de grote verrassingen van ‘Vaar naar de vuurtoren’. Het oorspronkelijk in het Nederlands geschreven gedicht bestaat uit 6 delen en neemt net zoveel pagina’s in beslag. En dat betekent dus lang genieten want Arion heeft een gelukkige balans gevonden tussen epiek en lyriek. Lange gedichten verliezen al gauw aan spanning, zo bepalend voor hun wezen, en worden gemakkelijk saai wanneer ze ten gunste van het verhaal aan lyrische hulpmiddelen inboeten. Enerzijds neemt Arion de ruimte om veel informatie te geven, anderzijds weet hij alle delen (elk onderverdeeld in onregelmatige strofen) voldoende bezieling mee te geven om de tekst in de aandacht van de lezer overeind te houden. In dit opzicht doen de wandelingen aan de opzet van ‘Omeros’ denken, het boek waarmee mede-Antilliaan Derek Walcott (º1930, Saint Lucia) de Nobelprijs binnenrijfde. Arion zet een krachtige, eilandgebonden beeldspraak in, gebruikt zonder het aansprekende parlando los te laten veel klankovereenkomst en heeft het, mede aan de hand van vragen, over existentiële kwesties, wat misschien ook nog een Europese echo van die tijd is. Onder de noemer van het Existentialisme passen in elk geval het definiëren van de eigen realiteit en plaats en daarmee het streven naar vrijheid, de afwijzing van de ratio, en het besef dat de enige zinvolle waarheid die zekerheid biedt die van ons eigen handelen is. Al deze elementen spelen een rol in deze ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’.

Ik citeer alvast het eerste deel:


Om een scheiding gaat het hier
van bloed en land
tranen van pekel zijn in de grond gedrongen
die droogte heeft mij hard gemaakt

om de scheiding van bloed en kleur
die overal de keten van liefde verbreekt
om volledig te vertrekken uit elke ruimte

Gij was mijn schaduw Carmita
en ik schuwde u zeer
gij was mijn hangmat
en ik hing aan u

maar de zon en de zee
zijn zout geworden
van zoveel geboorten:
de aarde loom
dit lichaam traag
van Europa



Over deze introductie valt het nodige te zeggen. De eerste regel rept van een scheiding en dit woord is meteen het hoofdmotief. De bewoording van Arion laat daar geen twijfel over bestaan. Een scheiding wordt eerder negatief dan positief ervaren, maar roept van de weeromstuit gemis en verlangen op, die wel degelijk vruchtbaar kunnen werken. De volgende regel roept het eerste raadsel op: een scheiding van bloed en land. Wanneer land al gescheiden wordt, is dat doorgaans van ander land, door water of een grens. Dat andere land kan echter associatief benoemd worden als een oord waar bloed een grote rol speelde. Opnieuw zal de gemiddelde lezer dit niet als positief ervaren, bijvoorbeeld door aan een plek te denken waar donoren in de rij staan, maar als negatief, als een plaats waar bloed vergoten wordt, zeker als hij doorleest en dan direct met ‘tranen’ geconfronteerd wordt. Arion hanteert daarmee een treffende tegenstelling: tranen en droogte, die echter aannemelijk gemaakt wordt door ‘pekel’. Zout, de economische peiler onder meerdere Antillen, werd in de regio nergens, naar verhouding wel te verstaan, zo’n bepalende factor als op Bonaire. Het was met name zout dat de slavenhandel op gang bracht. De slaven woonden in piepkleine bouwsels, stenen hutten, waarvan nog een aantal, al dan niet gerestaureerd, resteert. Er werden zelfs vier obelisken opgericht om vrachtschepen naar de zoutpannen te dirigeren en dat moet de vroegste versie zijn van de titel waar Klaas de Groot mee aankwam. Slavernij, dat is in Arions werk een van de uitgangspunten, te beginnen met zijn debuut ‘Stemmen uit Afrika’ (1957). Fragmenten die hiernaar verwijzen zijn in dit lange gedicht: ‘zonzieke neger’, ‘scheiding van bloed en bloed’, ‘blanke negerin’ en vooral ‘keten’ en ‘slavenmuur’.
Een belangrijke uitspraak is ook regel vier, te vertolken als: problemen maken een mens niet alleen hardvochtiger maar ook sterker.
In strofe 2 verliest het bloed aan kleur zoals later, in strofe 5, aan vochtwaarde (‘…doe ik bloed opstuiven’). Gestaag ontrafelt Arion historische en sociale patronen, vervangt feiten door zijn poëtisch geladen taal, vangt de essentie in de gedachte dat zout bloed oplevert, en bloed zout wordt. ‘Keten’ kent twee aspecten, die van band zoals hier in ‘keten van liefde’ en die van ‘kluisters’. Arion speelt die mooi tegen elkaar uit, en tegelijk dus begrippen als vrijheid en gevangenschap, vertrek en gedwongen vertrek.
De naam Carmita in strofe 3 lijkt belangrijk. Hoe belangrijk? De naam komt uit het Hebreeuws. De betekenis is heel toepasselijk ‘lied’. Er is ook een relatie met de Karmel, samentrekking van Karem-El ofwel de wijngaard van God. De beboste flanken van deze berg in Israël, 20 km lang, 8 breed en 600 meter hoog, genieten al sinds vele eeuwen de faam een paradijselijk oord te vormen. In de oudheid waren er wijngaarden. De profeet Elia daagde hier de priesters van Baal uit en bracht het mentaal dolende volk terug tot haar verbond met God. Zelf moest ik dan ook nog aan Karma denken. Is dit alles te ver gedacht? Te ver voor Arion die behalve dichter ook taalwetenschapper is? Hij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde, deed veel voor het standaardiseren van het Papiaments en kreeg dus ook te maken met vergelijkend taalonderzoek. Zou hij deze fascinatie, die hij al vroeg onderging, uitgeschakeld hebben gelaten terwijl hij aan dit gedicht werkte? Te ver voor Frank Efraim Martinus zoals de naam van de schrijver in het dagelijkse leven luidt? Efraim is eveneens Hebreews en is afkomstig van de tweede zoon van Jozef, die, en dit kan haast geen toeval meer zijn, in ballingschap werd geboren. Er zijn kortom teveel zinvolle links om alleen maar uit te gaan van een geliefde. Als extra argumenten om niet alleen voor deze laatste mogelijkheid te kiezen, gelden twee inhoudelijke punten. Ten eerste het plechtstatige voornaamwoord Gij, dat in de Zuidelijke Nederlanden populair is (ik gebruik het zelf regelmatig in mijn dialect) maar verder alleen in de Bijbel voorkomt. Ten tweede het woord ‘schuwen’. Waarom zou je namelijk een minnares schuwen? Eerbied of angstvalligheid ten aanzien van een godheid, eventueel het welslagen van een goddelijk lied, ligt eerder voor de hand. Arion maakt echter dankbaar gebruik van de meerduidigheid. Hij verschaft overdrachtelijk een seksuele waarde aan hangmat maar waarom zou de sprekende persoon daar dan aan gaan hángen? De tweede duiding, hangen aan iemand, gehecht zijn aan iemand, kan echter wel. De eerste heeft de tweede dan al wel de voet dwars gezet. Dit taalspelletje werd een misstap.
In strofe 4 zijn, net als het bloed verder in de tekst, de zon en de zee zout geworden maar dan wel het zout van zoveel geboorten zodat Arion aan het zout der aarde raakt, letterlijk ook met aanhaling van het woord ‘aarde’ na de dubbelepunt die een conclusie aankondigt.
Waarom een lichaam traag van Europa is, is een vraag die ook tot enig filosoferen leidt. Gemakshalve kan geopteerd worden voor de mogelijkheid dat de Europese invloeden slecht passen bij de fysieke en culturele realiteit van het eiland. En Europese invloed kende Arion in 1962; zijn eerste periode in Nederland begon in 1955.


Tot zover het eerste deel van het vers. Bij de andere vijf zijn minstens zoveel openingen te maken. Welke van de andere dichters die over Bonaire schreven zouden met hun product nu graag achter dit meesterwerk van Arion geplaatst worden? De Groot hanteerde voor de dichtersnamen een alfabetische indeling per eiland dus het werd het gedicht ‘Brandaris’ van Aletta Beaujon. Een betere keuze was gelukkig ook niet mogelijk want Beaujon lokaliseert haar talige handelingen op de Karmel van het eiland, de 240 meter hoogte bereikende Brandaris, en gebruikt dezelfde soort slagwoorden als Arion: dor, steen, zon, rotsen, zee. Ook de zegging komt overeen, al is die van Arion krachtiger. Wat beiden delen is bovendien het respect voor de natuur, beter gezegd het ondergaan van het wezen van de natuur, de vereenzelviging soms ook. Het laatste deel van haar gedicht:


Als ik straks dalen ga
rollen de stenen naar beneden
ik ben zo moe en zo bang
om voort te gaan
waarom kan ik hier niet blijven
zo rustig is het nergens
de wind zoemt
langs de toppen van de rotsen
en brengt zo nu en dan
het schreeuwen van de vogels
in de bomen daar beneden
zelfs een schot van de jager
een echo wordt gefluister
in de bergen
Ik wou dat ik elk plekje kende
in de verte



Beaujon biedt dus eveneens een solitair beleefd perspectief dat toch geen eenzaamheid oplevert. Eerder evoceert zij geborgenheid. Dat levert dan wel frictie op, enerzijds het verlangen om op de rustige helling of top te blijven, anderzijds elk plekje in de verte willen kennen. Dat heeft wel het voordeel dat de beweging neerwaarts omgebogen wordt tot een horizontale zichtlijn en de ruimte, aanvankelijk beperkt tot het kleine eiland, bezit neemt van de zee en andere kusten (bij helder weer zijn Curaçao en Venezuela te zien). Dat compenseert eventueel verontrustende elementen als rollende stenen en een schot. Beaujon geniet even van rust en reflectie, temeer daar ze weet dat deze serene ervaring maar kort duurt.
Ik wil, om in dit verband tot een nog beter vergelijk te komen, een paar regels uit deel 2 van Arions gedicht aanhalen:


…en ik heb genoeg
aan alles wat ik kan zien
zonder van dit eiland op te staan.



Hierna is het de beurt aan Cola Debrot, die wel op Bonaire geboren werd, in 1902 in Kralendijk, en als een van de belangrijkste schrijvers van de Antillen beschouwd moet worden. Hij vervulde tal van functies, variërend van arts tot gouverneur van de Nederlandse Antillen. Daarnaast bouwde hij een ongemeen boeiend oeuvre op, dat in het uit meerdere delen bestaande ‘Verzameld Werk’ z’n beslag kreeg. Aan waardering had Debrot dus geen gebrek, wat het beeld van z’n trieste laatste jaren extra wrang maakt. Hij leed aan depressies en misschien schreef hij vanuit die staat het gedicht ‘Talbes’ dat door een onbekend gebleven vertaler goed in het Nederlands is overgezet, al heeft die niet, net als de dichter, de slotwoorden “tur os pena na caminda” gecursiveerd en dat is een gemiste kans want Debrot zette niet voor niets daar een accent.


MISSCHIEN

Misschien komt de dag weer,
een dag van louter blijheid.
Of was het zo’n licht maannacht
vol weemoed onder de siaboom?

Misschien komt de dag weer
dat cactus en siaboom
elkaar omhelzen
als toegenegen verwanten.

Misschien komt de dag,
-alle maïs heeft zijn zaad-
dat zelfs arbeider en kapitalist
elkaar zullen mogen.

Misschien…die dag is nog ver
verder dan de knoekoe van Ma Linda.
Maar verlies het geloof en de hoop niet,
ondanks al ons lijden onderweg.



Poëtisch legt de nestor van de Antilliaanse letteren het, met deze tekst althans, af tegen Arion (bij wiens debuut hij zeer nauw betrokken was) en ook nog tegen Beaujon. Dat ik het toch graag in z’n geheel citeer komt voort uit m’n respect voor Debrot. Ook kan ik ermee tegemoet komen aan een van de bedoelingen van samensteller Klaas de Groot, namelijk om vooral gedichten op te nemen die het eigene van het betreffende eiland benadrukken. Met vermeldingen van de siaboom, cactus, en zeker de knoekoe van Ma Linda voldoet Debrots tekst aan dit criterium.


Met de gedichten van Mery Maduro, Lupe Reyes komen we aan een zwak punt van het boek. Vrijwel alle gedichten in het Papiaments (op Bonaire niet Papiamentu zoals op Curaçao of Papiamento zoals op Aruba genoemd maar Papiamen) zijn vertaald, waarom deze twee dan niet? Uit ervaring weet ik wat er zoal komt kijken bij een dergelijke bloemlezing maar het zou toch niet een te zware belasting geweest zijn om ook ‘Naturalesa di Bonaire’ van Maduro en ‘Boneiru’ van Reyes een Nederlands jasje te geven, zeker niet wanneer er genoeg goede vertalers voorhanden zijn? Jammer!

Daarom volgt hier de opname van ‘Boneiru’, de kortste tekst van de twee, opdat lezers die geen Papiaments beheersen maar enige kennis van Spaans of Portugees hebben, en dat zijn er tegenwoordig toch een heleboel, nog een eind komen:


BONEIRU

Kada be mi despedí
di mi isla tan stimá
tristesa mi ta sinti
tur momentu; tur lugá
N’e momentu ku mi mira
solo bias: ‘Té mañan’,
nostalgia mi ta sinti
di mi isla adorá…

Boneiru, kuna di mi hubentut.
Tistiga muda di mi legría,
tristesa I soledat…
‘Zonida klá mi ta sinti,
di bo olanan I lamán.
Promesa firme mi ta hiba,
den mi alma, bon wardá.
Promesa ku lo mi kumpli
fo’I e momentu ku mi alehá,
aunke lew destinu hibami
semper lo bo ser rekordá.



Behalve het volkslied, wel in twee talen, is er dan nog het korte maar beeldenrijke ‘Bonaire’ van Walter Palm (º1951, Curaçao):


BONAIRE

Flamingo’s beelden
rozezachte stilte uit

Groen gekrijs van papegaaien
omlijst de rust.

Naast de schildpad
zwemt de tijd.

Op de zeepaarden
hobbelt een glimlach.

Plots opduikende
dolfijnen, een flits

van inspiratie.



Hoewel Palm al acht dichtbundels publiceerde en aansprekende beelden weet weg te zetten, heeft hij nog geen meesterschap bereikt. Flamingo’s bijvoorbeeld roepen als vanzelf de kleur roze op, zoals schimmels wit en raven zwart, daarom zou je die kleur niet nog eens moeten noemen. Dat is een zwaktebod, de klankovereenkomst met ‘zacht’ ten spijt. ‘Groen gekrijs van papegaaien’ is vergeleken hiermee veel beter gekozen. ‘Een op zeepaarden hobbelende glimlach’ is daarentegen dan weer een ronduit rammelend beeld. Een tweede pleonasme vinden we in de verbinding van ‘plots’ en ‘opduiken’. Opduiken houdt immers al in dat iets plots verschijnt. Daar had een redacteur een stokje voor moeten steken.


Zoals bij andere eilanden eindigt het deel over Bonaire met het volkslied, in het Papiaments ‘Himno Bonaireano’ geheten, in het Nederlands dankzij Fred de Haas flamboyanter ‘Land van zon, gestreeld door de passaatwind’.
Behalve de muzikale elementen zit er niet veel poëzie in maar het kent wel een even ontroerend als dapper einde:


Ningun poder lo por kita e afecto
Cu nos ta sinti pa e isla di Nos
Maske chikito cu su defecto
Nos ta stimele ariba tur cos.



ofwel


Geen macht op aarde kan de liefde doden
Die JIJ in ons hart laat wonen!
O eiland, onvolmaakt en klein,
Dat altijd nummer één zal zijn!



CURAÇAO

Curaçao, dat dus qua aantal bijdragen aan kop gaat, krijgt de onverdeelde aandacht van, in alfabetische volgorde: Frank Martinus Arion, Oswin ‘Chin’ Behilia, Oda Blinder, Charles Corsen, Lucille Haseth, Carel de Haseth, Elis Juliana, Antoine A.R. de Kom, Pierre A. Laufer, Boeli van Leeuwen, Walter Palm, Myra Römer, Andries van der Wal en Guillermo E. Rosario. De naam van laatstgenoemde is verbonden aan het volkslied van het eiland, dat door Rose Ellen Evertsz-Jonkhout en Margaret Grace Jonkhout in het Nederlands werd vertaald en hier eveneens afgedrukt. Aan deze van trots en zelfvertrouwen blakende ‘Himno di Korsou’, die inmiddels alleen in het Papiaments gezongen mag worden, werkten opvallend veel personen mee, iets wat in dit boek helaas onduidelijk blijft, waardoor het ten onrechte alleen aan Guillermo Rosario toegeschreven kan worden. De historie in een notendop: de Nederlandse broeder Radulphus schreef al in 1898, ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina, de tekst op het stramien van, godbetert, een Tyrools lied. In de jaren dertig componeerde broeder Candidus Nouwens dan de tegenwoordig gebruikte melodie. In 1978 gaf de regering tenslotte een commissie, bestaande uit Guillermo Rosario, Mae Henriquez, Enrique Muller en Betty Doran, de opdracht de tekst te herzien, opdat die beter paste bij de veranderde politieke en maatschappelijke context. Van deze versie, die een tijdlang voor alle zes de Nederlandse Antillen gold, worden tegenwoordig meestal alleen de eerste, tweede, zevende en achtste strofe gezongen.

De literair beste bijdrage over het eiland is van Boeli van Leeuwen (1922-2007), die als prozaïst een grote hoogte bereikte maar dus ook als dichter weet te imponeren, en dat terwijl hij zich nauwelijks in deze discipline uitte. Van hem is ‘In dit licht’ opgenomen, gekozen uit de gelijknamige publicatie met foto’s van Carlos Tramm (Uitgeverij ICS, 1995). De titel geeft al aan welk aspect van Curaçao centraal staat en dat is niet vreemd gezien de aandacht in zijn werk voor kijken, góed kijken, zién dus, en inzien, doorzien maar ook ontzien:


IN DIT LICHT

Op zulk een schrale harde bodem
ging, op een ezel wiegend,
Jezus aan de mens voorbij.

sindsdien kan niemand
hoog te paard gezeten
over dorre bodem gaan:
geen paard krijgt vleugels in het gruis van deze gronden
geen ruiter stijgt in hoogmoed uit het stof.

verschuilen kan zich niemand onder deze hemel:
een bol en strak gespannen suizelend plafond
gekoepeld om een bronzen ruimte
waarin zonnen exploderen
en ’t gesmolten licht doen spatten in de zee.

in dit licht zijn alle dingen zoals ze zijn
en niet zoals wij ze willen dromen
en wij zijn ook niet meer dan wat wij zijn:
morituri op een eiland in de zee.

dit is geen land van melk en honing
maar van sprinkhaan en profeet
dit is geen land waar gras
het stof der aarde camoufleert
en waar zachte grijze wolken
tussen mensen en vuur geschoven zijn.

wij staan hier naakt op deze rots.



In plaats van een weelderige taal die nogal eens met de tropen geassocieerd wordt, vergast Van Leeuwen de lezer op schraal, hard, profetisch, om niet te zeggen calvinistisch aandoende beelden en beschrijvingen, die indringend genoeg zijn om hun werking niet meer te laten vergeten.


Dat dit maar één perspectief is waarvoor Curaçao zich leent, bewijzen met name Arion, die in ‘Eiland van mijn dromen’ wel een plaats aan nachtelijke voorstellingen en wensen geeft, én aan de lach, en De Kom, in wiens beeldenrijke ‘Blauwbaai’ de branding tevens de grens van leven en dood wordt. Oswin Behilia sluit met de beschrijvende zang van ‘Zikizá’ meer bij de Latijns-Amerikaanse traditie aan en Myra Römer laat Papiaments en Nederlands samenvallen in één gedicht. Hoewel er zeker, zowel inhoudelijk als vormtechnisch, overeenkomsten tussen de bijdragen te ontdekken zijn, is het onderscheidend vermogen van elk groot genoeg om er relevante leeservaringen aan te kunnen koppelen. Daar schuilt de grote verdienste van samensteller Klaas de Groot.


SABA

Hoe groot kan de poëtische opbrengst zijn van een eilandje dat, afhankelijk van de bronnen, tussen de 1500 en 2000 inwoners telt inclusief 200 meestens Amerikaanse studenten van de Saba University School of Medicine, plus (maar alleen in het vakantieseizoen) drie keer zoveel toeristen, van wie de meeste echter dagjesmensen zijn die een excursie vanuit Sint-Maarten maken? Normaal gesproken niet groot. Daarom verbaast het enigszins dat Klaas de Groot en assistenten nog met zeven dichterlijke teksten op de proppen kwamen die betrekking op Saba hebben, waaronder het zeker niet poëtische volkslied. Een volkslied hoeft echter geen gedicht te zijn om toch een prima tekst te kunnen bieden.
Van deze zeven bijdragen zijn er zes oorspronkelijk in het Engels en een in het Nederlands en dat is nog een positieve vertekening voor het belang van het Nederlands want officieel heeft 88% van de inwoners Engels als thuistaal, 5% Spaans, 4 % anders, 2% Nederlands en 1% Papiaments. Zetten we dat af tegen het hoogst genoemde bevolkingsaantal, 2000, dan spreken er dus 40 mensen op de eerste plaats Nederlands, gemakshalve verdeeld over 10 tot 15 gezinnen.

Ik gebruikte met opzet al ‘dichterlijke teksten’ i.p.v. ‘gedichten’ omdat het poëziegehalte helaas ook als bescheiden beschouwd moet worden.
De eerste tekst is van Albert Helman, pseudoniem van Lodewijk ‘Lou’ Lichtveld (geboren in 1903 in Paramaribo en overleden in 1996 te Amsterdam). Helman behoort tot de voornaamste literatoren van ‘Vaar naar de vuurtoren’. Zijn bibliografie is indrukwekkend; hij is niet voor niets 92 jaar geworden. Tussendoor, ben je geneigd te zeggen, had hij nog tijd om de meest uiteenlopende activiteiten uit te oefenen. Ik som een deel op: seminariestudent, organist, componist, onderwijzer, journalist, romancier, combattant in de Spaanse Burgeroorlog (aan Republikeinse zijde), redacteur van verzetsblad De Vrije Kunstenaar, Landsminister van o.a. Onderwijs en Volksontwikkeling en ook nog gevolmachtigd minister op de Nederlandse ambassade te Washington. Zijn lange levensloop kende tal van hoogte- en dieptepunten, zodat Helman wist wat dramatiek is. Wie anders kun je dan nog wensen als dichter om het poëtisch reservoir van Saba te ontsluiten?
Maar de keuze van De Groot stelt teleur, aanvankelijk toch. Het is weliswaar een lang stuk van drie delen, dat in dit boek 5 pagina’s in beslag neemt, maar het doet door z’n vele verkleinwoorden, rijmen en sprookjestoon toch vooral denken aan een voor de eigen kring bedoeld kindervertelsel.

Het begint aldus:


HUISJE OP SABA

In majeur

Ik heb een huisje op Saba.
Dat wist je niet.

Gehurkt naast een goayaba.
Wist jij ook niet.

’t Is keurig, maar wat kleintjes,
met luiken en gordijntjes.
Dat wist je niet.

’t Heeft een rood zadeldakje.
Opzij staat het gemakje
en droomt er heel allenig.
Wist je dat niet?

Maar ’t uitzicht is el enig:
helblauwe zee en verder
veel schaapjes zonder herder
boven de strakke einder.
Dat wist je niet



En zo kabbelt het verhaal verder, in elke strofe wat kruimels informatie verstrekkend over het eiland. Deel 2 heeft als toevoeging ‘2. In mineur’ (en terecht want de schrijver legt er in uit dat hij z’n huisje heeft moeten verkopen en ‘lieflijk Saba’ verlaten.
En dan, boven het derde en kortste deel, verrast Helman met een perspectiefwending die in plaats van vreemd eerder bizar genoemd mag worden:


3. In hypo-mixolydisch

Ik roep al sinds de twaalfde eeuw:
‘Kabouter Wout, mijn metgezel,
Waar ben je toch gebleven?
Heb jij de dood geproefd en laat
Je mij zo-maar in leven?

Je was een fijne kameraad,
Dus moet ik ’t je vergeven.
Nu woon je weer, heel hoog verheven,
Achter de Helpoort in de berg,
Terwijl ik hier alleen moet leven.

Het is wel erg…’



Voor wie net als ik niet weet wat de toevoeging betekent volgen hier eerst de resultaten van de online encyclopedie Encyclo: “1) Hypomixolydisch : Spelling van 1858, bijnaam van de oude toonsoorten der Grieken, welke de beide halve toonen tusschen den derden en vierden en tusschen den zesden en zevenden trap der klankladder bevat hielden.” Voor wie dit de pet te boven gaat is er nog een simpelere maar ook vagere betekenis gegeven: ”2) Kerktoonsoort”. Helman laat z’n achtergrond als musicus dus stevig doorklinken.

Maar wat doet die twaalfde eeuw hier? Waar wil Helman met het noemen van die periode ons aan doen denken? In Europa hoorde men, een zeer beperkte groep dan nog, pas op het eind van de 15e eeuw over de Antillen. Hoogstwaarschijnlijk heeft Columbus in 1493 Saba ontdekt maar hij is er toen, voor zover bekend, wegens de gevaarlijke rotskust niet aan land gegaan. Hij noemde het eiland San Cristóbal, wat afgekort en verbasterd Saba op zou leveren. Er is ook een hardnekkige theorie die de naam afleidt van het Arawak-woord Siba, dat rots betekent, iets wat bijzonder goed past bij Saba. Tevens wordt geloofd dat de naam afkomstig is van het Arabische woord Sheba, dat ochtend beduidt. De theorieën zijn te mooi om ze niet te vermelden.
Maar, nogmaals, de twaalfde eeuw? Helman moet er toch een goede reden voor hebben gehad dit te vermelden. Het was de tijd van de strooptochten naar het oosten van de feodale adel met aanhang in naam van de Heilige Stoel, wat behalve de nodige buit ook de kennis opleverde voor o.a. het vroegste Humanisme, ook wel de Renaissance van de Middeleeuwen genoemd. Zou het leed, waarover Helman in woorden als dood, verlies en ‘Helpoort’ spreekt, hem daarom extra inzicht geschonken hebben? Weliswaar is Hell’s Gate, officieel Zion’s Hill, een van de vier nederzettingen van Saba maar een dichter als Helman hanteerde zeker niet toevallig de meer populaire naam, die iedere rechtgeaarde dichter natuurlijk als een symbolisch geschenk moet zien.
Is de Helpoort dan een ‘door of perception’. Dit idee wordt versterkt door de koppen: majeur - mineur - hypomixolydisch. Daarmee wordt wat aanvankelijk een sprookje leek een dialectisch leervers. Met betrekking tot Saba kan ‘de berg’ ondanks andere hoogten niets anders zijn dan Mount Scenery, met bijna 880 meter sinds kort het hoogste punt van Nederland.
De slotregel geeft een negatief gevoel door maar klinkt dankzij de hypomixolydische toon opvallend laconiek.” Het is wel erg…”. Hoe dan ook, met deze korte bespreking zijn we er nog niet voor ‘Huisje op Saba’. Ik hoop de aanzet wel te hebben gegeven maar hoop op een vervolg door de lezers.


‘Drifting’, ‘wrinkling’, ‘dripping’, ‘trembling’, ‘bleeding’, ‘glimmering’, ‘falling’, ‘touching’, ‘dancing’, ‘nestling’, nogmaals ‘dripping’, dan ‘slumbering’, en opnieuw ‘drifting’. Dat zijn wel érg veel tegenwoordige deelwoorden in een kort gedicht. Een bewijs te meer dat je moet oppassen met deze grammaticale functie. In de handen van een gelegenheidsdichter of een beginnende lyricus vormt de woordsoort een groot risico, overvloedig gebruik tast de handeling aan.
Ho Hagenaars, dat is misschien te kort door de bocht want wie weet was het juist de bedoeling van Rik Lina (º 1942) om met deze bijdrage, getiteld ‘From the elfin forest’ (hij zette geen hoofdletters in de naam), een durende, niet veranderende staat aan te geven. In dát geval zou het inzetten van al die op –ing eindigende woorden functioneel verantwoord zijn. Alleen hijzelf kan natuurlijk duidelijkheid verstrekken.
In een interview merkte de kunstenaar, die jarenlang in het Caraïbisch gebied woonde en bekendheid geniet vanwege zijn surrealistische schilderijen, onder meer op: “Elk schilderij dat ik maak, begin ik 'automatisch'. Ik gebruik datgene wat ik vind tijdens het 'automatische' proces, ik probeer dat vorm te geven, te ontdekken en dan stuur ik het ook. Als ik daarin te ver ga, doe ik weer een 'automatische' ingreep, waardoor ik weer ontregeld word. Ik ben dus steeds met orde en chaos bezig. Ik begin met chaos. Wat er uit mijn onderbewustzijn tevoorschijn komt, moet er eerst op de een of andere manier in opgeslagen zijn. Als ik nu 'automatisch werk, dan komen er onmiddellijk planten en vogels en dat soort dingen tevoorschijn, omdat ik maandenlang in de jungle heb rondgetrokken. // Mijn hele leven ben ik bezig geweest om landschappen te zoeken die me interesseren en dan liefst zo leeg mogelijk, onaangetast. Waar ik aan werk met mijn tekeningen: om al tekenende één te worden met het landschap. Met de grote Chinese meesters wil ik stellen dat de natuur mijn grote leermeester is.”
Precies hetzelfde is ook van toepassing op het hier opgenomen gedicht dat, zoals verreweg de meeste Nederlandse lezers niet weten, verwijst naar het gelijknamige bos op Saba. Het wordt ook ‘Cloud Forest’ genoemd omdat de plek bijna steeds schuilgaat in nevel. Dat wil wel druppelen ja, vandaar het tweemaal voorkomende ‘dripping’.


FROM THE ELFIN FOREST

The strange soft hands
Of moss and mist drifting
Clouds a wrinkling blanket
Of green sculpted by wind
Dripping trees mud and moans
From elsewhere

Dinosaur time of dreams
Trembling vines bleeding
Moss-clad treefern and
Proud erection of mountain-
Palm in slow Indian dance
From elsewhere

In glimmering embrace falling
Steep from the screech of rock
Long trails and tracks aerial-
Roots over the rainbow orchids
Orange and red lips and claws
From elsewhere

Fingers touching sounds
A prayer of zebra butterfly
Silently dancing together
Invisible in the ferns
The nestling tongues
From elsewhere

The sea is all around
Dripping green wit?
The slumbering crater
Breakers of bracken?
Motionless drifting
Echo from elsewhere



Nou, als dit gedicht niet volgeladen is met surrealistische beelden: ‘hands of moss’ (dat ‘soft’ is natuurlijk overbodig), ‘Dinosaur time of dreams’, ‘trembling vines bleeding’ en ga maar door. Lina moet het hierbij voornamelijk hebben van de inhoud want net als bij de meeste andere surrealisten is zijn vorm (ik doel hierbij o.a. ook op de manier waarop de verf aangebracht wordt) heel wat minder interessant. Het blijft voor de beschouwer meestal bij mooie plaatjes bekijken, het vertalen van voorstellingen die in een nieuw verband geplaatst worden. En dat is jammer, zeker als je Lina’s bovenstaande uitspraken over chaos serieus neemt. Qua bouw is ‘From the elfin forest’ zeer geordend om niet te zeggen braafjes uitgewerkt. Chaos en ontregeling leiden hier dus tot de behoefte alleen controle over de opgeroepen béélden uit te oefenen, die eventueel te bezweren, maar zijn zelf nergens te bespeuren. Er is geen sprake van het samenvallen van vorm en inhoud, integendeel. De beeldspraak, soms origineel en prachtig, blijft netjes binnen de omlijsting van elke keer een zesregelige strofe, elk inclusief een identieke en dus voorspelbare slotregel. Als Lina ook de niet picturale elementen aan chaos had willen blootstellen, meer durf aan de dag had gelegd, zou z’n gedicht een behoorlijk niveau hebben kunnen bereiken.


Toch is Lina’s vers poëtisch gesproken nog altijd interessanter dan de bijdrage van Cecile Peterson. Het meest opvallende van haar ‘Saba’, dat het best gecategoriseerd kan worden als keurig verzorgd gerijmel, is de actuele toets van de politiek (die nu langzaam vervaagt). Alleen al hierom is opname in de anthologie verantwoord. De twee laatste strofen, die een prettig ritme hebben en met gemak apart gepubliceerd kunnen worden, roeren het belangrijkste thema van de laatste jaren aan: een land binnen het koninkrijk worden of een bijzondere gemeente, ofwel Openbaar Lichaam. Peterson laat geen enkele twijfel bestaan over haar standpunt. De koppeltekens in het slotwoord geven een humoristisch accent. Je hoort er haar stem vol ongeloof en spot over andere standpunten in doorklinken:


When Columbus discovered this treasure
He didn’t realize
It was the pearl of the Carribean
For him a big surprise

But now our island’s peacefulness
Is shattered by suspense
We beg you, keep this threat away
That’s called ‘In-de-pen-dence’.



Het neemt niet weg dat ze ongeloof bij mij oproept door de reactie van Columbus. Als die zich namelijk niet realiseert dat Saba de parel van de Caraïbische archipel is, wat is er dan wel zo’n grote verrassing voor hem?

Ook de gedichten van Stella Richardson-Sloterdijk (914-2000) en Lorna M.E. Simmons blijven met respectievelijk ‘Adieu Saba’ en ‘Saba, How Beautiful You Are’ steken in aangenaam meanderende zinnen, clichématige beelden en een melancholische dan wel bewonderende toon. Typisch is dat elk uit drie strofen van acht regels bestaat. Een grapje van Klaas Groot, of zocht hij gezien de overeenkomsten tussen beide teksten naar extra parallellie? Feit is dat ik bij het zoeken naar de achtergronden van Stella Richardson-Sloterdijk op een artikel van Will Johnson stuitte, getiteld ‘The women of Saba’, waar een versie van ‘Adieu Saba’ in staat die niet alleen een stuk langer is (11 strofen) maar ook uit strofen van 4 regels bestaat in plaats van 8. Hier geeft de inhoudsopgave van ‘Vaar naar de vuurtoren’ verder geen informatie over.

Over de inhoudsopgave gesproken: daar staat over het debuut van de volgende dichter, Wycliffe Smith, genoteerd: ‘My Island’, Uit: ‘From W-inward’, 1976’. De naam van die bundel intrigeerde me maar blijkt op een fout te berusten. Wycliffe (º1948, Saba) , behalve dichter en onderwijzer ook enkele jaren gezaghebber van het eiland, debuteerde in dat jaar namelijk met ‘A voice from Windward’ en dat is wat mij betreft evengoed een puike titel.
Wycliffe laat zich er op voorstaan dat hij behalve aan de schoonheid van de Bovenwindse Eilanden ook aandacht schenkt aan politieke en sociale misstanden. Van dit laatste is in ‘My Island’ niet veel te merken, of het zou een vroege waarschuwing moeten zijn voor een uit de hand lopend toerisme. Saba’s waarden zijn natuurlijk ook zeer precair. Het betreffende fragment:


Freely
people in jeep in cars
move along
the wriggling roads
from village to village
buying, selling, laughing
talking
bumping
against the coloured wall
invisible
to the outside eye



Laat dit nu, op de drie laatste regels na, de minst imponerende strofe zijn. Beter acht ik de volgende strofe die bijna iets magisch heeft, vooral omdat ‘the coloured wall’ ditmaal verbonden wordt aan het vrouwelijk lichaam, dat trouwens volgens het begin (met beelden als ‘her head on a pillow of fog’ en ‘the wriggling roads cling to her breast like love weed on a flamboyant tree’) met Saba zelf samenvalt. Ook de vooropstelling van de objectconstructie in de regels 4, 5 en 6 doet de lezer ineens beter lézen.


My island
bore many a son
in her ambitious womb
many a son
both black and white
did she digest
in the secrets of her bowels
where
they now pass
the coloured wall




‘What Can I Say’ van de op Saba geboren maar elders residerende Ingrid Zagers valt dan weer tegen.
Met name de eerste regels van dit gedicht roepen een kritisch weerwoord op:


What can I say about Saba,
that hasn’t been said before?



Juist een heleboel, zou ik zeggen. En bewijs dat dan ook maar eens. Maar dat doet Zagers nu juist níet:


How can I begin to describe
the lush green hills,
the quaint, white houses,
the splendour of the underwater world?

Where can I find the words
to make you see,
children playing together in the grass,
trees swaying in the breeze,
sea sparkling like a thousand diamonds?



En zo gaat het nog even door. Tja, als je je als dichter afvraagt hoe je moet beginnen, waar je de juiste woorden kan vinden en vervolgens weinig treffende beschrijvingen geeft die al ontelbare malen vastgelegd werden, kom je uiteraard niet op poëzie uit.
Critica Joyce Peters-McKenzie (van Saint-Vincent) was positiever over Zagers’ kunnen, maar die had een veel breder overzicht. Over het debuut ‘Images of me’, merkte zij namelijk op: “Images Of Me woos us like a meadow in springtime ... fresh, colorful, compelling, warm." Dat maakt pas echt nieuwsgierig naar ander werk van Zagers.

Het volkslied ‘Saba, you rise from the ocean’ van Zuster Waltruda (Cristina Maria Jeurissen) sluit dit deel van Saba af. Het is te vinden op de site www.sabatoerist.com. De laatste regels ervan zullen vooral voor toeristen die het eiland aandeden een bijzondere betekenis hebben:


Saba, Oh Jewel most precious,
In the Carribean Sea.
Mem’ries will stay of thy beauty,
Though we may roam far from thee.



Concluderend kan gesteld worden dat de gemiddelde kwaliteit van de gedichten die Klaas de Groot voor Saba opnam lager is dan die van de poëzie van de eerder besproken eilanden. Met vier i.p.v. zeven bijdragen zou het karaat hoger uitgevallen zijn. Maar dit boek heeft ook historische c.q. archiverende waarde en vanuit die gedachte is opname van alle besproken teksten dik in orde, op de eerste plaats voor de bewoners van de in zoveel opzichten gezegende Unspoiled Queen, zoals de mooiste en meest passende bijnaam van Saba luidt.


SINT-EUSTATIUS

Sint-Eustatius, genoemd naar de gezegende Eustachius, is sinds 10 oktober 2010 een bijzondere gemeente van Nederland. Het eiland is anderhalf keer zo groot als Saba en heeft een twee keer zo grote bevolking maar leverde met vijf teksten voor dit boek een kleinere bijdrage. Deze zijn van Rosabel Blake, Lolita E. Euson, Marcella Gibbs, Hein Roethof en Pieter A. van den Heuvel maar alleen het gedicht van Roethof is in het Nederlands.

Als drie van deze vijf teksten de naam Rodney bevatten, en telkens in een negatieve context, moet die wel een speciale betekenis voor Statia hebben, zoals de naam naar Columbus’ Isla de Santa Anastasia lokaal luidt. Ik herinnerde me, sinds lezing van een of ander boek uit m’n kindertijd, dat George Rodney (1718-1792) een piraat was maar het gaat feitelijk om een van de meest kundige bevelhebbers die de Britse marine ooit had, al vielen beide beroepen in zijn persoon wel degelijk samen. Hij was, ook in eigen kring, berucht vanwege zijn hebzucht, een eigenschap waar hij in kon zwelgen tijdens het uitvoeren van zijn taken. Een van de grootste schandalen rond de man, waarvoor hij zich in Engeland juridisch moest verantwoorden, was het zich toeëigenen van de schatten van Sint-Eustatius.
Wat was de situatie? Door de gestage achteruitgang van de Nederlandse economische macht op zee in de achttiende eeuw ten gunste van de Britse, was er veel kwaad bloed gezet. Geen wonder dat Nederlandse kooplui en avonturiers het vermaledijde Albion in het geheim probeerden te benadelen, o.m. door de rebellen in de Amerikaanse koloniën met raad en daad terzijde te staan, niet in het minst door wapenhandel. Het scharnier daarvan werd het toch al voor de handel zo belangrijke Sint-Eustatius, dat op het hoogtepunt van haar bloei ruim drie keer zoveel inwoners telde dan momenteel en enkele tientallen schepen per dag kon ontvangen.
Het eiland had al eerder de Britse woede over zich afgeroepen door het Amerikaanse USS Andrew Doria met saluutschoten te begroeten toen het Gallow Bays binnenvoer. Het was de allereerste keer dat de Amerikaanse vlag door een ander land werd geëerd. Dit feit speelde een rol in het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Engeland verklaarde de Republiek op 20 december 1780 de oorlog, de Nederlandse tegenverklaring volgde pas een half jaar later.
Om de wapenhandel te stoppen en tegelijk het eiland te straffen volgde op 3 februari 1781 de verovering van Sint-Eustatius door admiraal Rodney, die zich twintig jaar eerder al in de regio had onderscheiden met de verovering van Martinique. Een probleem voor hem was dat veel goederen in de magazijnen van Sint-Eustatius nog eigendom van Engelse handelaren waren. De door hen aangespannen rechtszaken dreigden hem de kop te kosten, totdat hij in 1782 gered werd door z’n beslissende overwinning op de Fransen in de Slag van de Saintes, waardoor Jamaica Brits kon blijven.

In dit kader bezien zal een aantal regels in de onderstaande gedichten duidelijker hun beslag krijgen. Het eerste gedicht, de lange ‘Freedom Song’ van Rosabel Blake, noemt Rodney ondanks haar historische opzet echter niet. Zij kiest duidelijk voor het belang van de onderdrukte bevolking en niet voor dat van de Hollandse bankiers- en koopmansgeslachten, die hun weelde juist over de ruggen van de zwoegende laagste kasten vergaarden.


FREEDOM SONG

We need to be free from the system of slavery
Yet we talk and talk and say to each other we blame the system,
for problems with neighbors and brothers. Freedom of freedom it’s what the people say.

We prefer to say it’s the White man’s fault for where we are today
Yes we talk and talk but not walk the walk that would lead us to equality
Yes we talk the talk but do not walk the walk the road of hard work and loyalty
We find the way, yes the easy way to blame others for the sorry state we are in.

Our forefathers toil and work real hard on the plantations for Massa without a cent.
They work from dawn to the set of sun, with little or nothing to eat.
They had no choice, I say no choice for they were slaves, Massa’s property.
No choice to say yes or no or a maybe wait or I don’t know.
They were herded to the market places like cattle’s on a market day.
The men were told yes told not asked to show their strength their teeth and their strong black hand.
The women like you and me were told to showcase their half naked bodies.
They bid for them like they were merchandise and were sold to the highest bidder I am told.

Father was taken from families as mothers stood screaming for their sons.
Their daughters were used by who so ever please.
They were used to produce more slaves, more slaves for Mr. Massa.
They were human beings yes human beings but slaves without a choice.
They were denied of their basic right to live and make a choice.
They were told that to be slaves is what God made them for, to be
slaves and to live in huts and be somebody’s property.
Oh my brother oh my sister the pages of history are painted in blood of the decades of slavery.
Countless died while making the trip on the trans Atlantic route, they were rooted up like vines when harvesting a crop, they were robbed of living free in Old Mother Africa.

As we turn the pages back in time it was a sad and awful day when the first trade ship
went to Africa, the set out traps to trap them then chained and shackled them,
they were thrown in the bottom of ships were they ate, slept and messed.
The strong survived the weak ones died on the long journey across the sea.
They were gone, yes gone, vanished without a trace.



Dit fragment, iets meer dan de helft, volstaat voor een beter begrip en ik bedoel dat niet alleen poëtisch.
Rosabel Blake gebruikt toepasselijk Afrikaanse invloeden in haar tekst, bijvoorbeeld de vertellende en ook bezwerende toon, alsmede de herhalingen en het zoeken naar instemming, die zo belangrijk voor de orale traditie zijn. De Afrikaanse waarden konden ondanks alle tegenwerking in Amerika deels aan een nieuwe toekomst beginnen door deze vorm van overlevering.
Je ziet dat de lyrische elementen aan belang inboeten door de verhalende toon en brede uitleg, iets wat in de Westerse moderne poëzie not done is. Hoe spannend is een gedicht dat uitgebreid uitlegt dat slaven hard moesten werken, van ’s morgens vroeg tot zonsondergang, weinig te eten kregen, geen keuze hadden om nee te zeggen omdat ze slaven waren, het bezit van Massa (de blanke overheerser) enzovoort? Het zijn dus de door Blake ingezette stijlmiddelen die haar tekst uit het proza redden. Haar relaas krijgt bovendien dankzij de opgeroepen dramatiek (die op tegenstellingen berust) en zeker de parallellie juist de kracht van een liedtekst. Probeer het gedicht maar eens voor te lezen, dan hoor je het vanzelf.
Je kunt je afvragen waar haar nadruk ligt: op de tegenstelling tussen zwart en blank of op die tussen daders en slachtoffers? De ene indeling valt niet naadloos samen met de andere. Ook zwarten stelden zich bijvoorbeeld maar al te actief op in de mensenhandel, vooral aan de Afrikaanse westkust.



Na de hierboven geciteerde fragmenten zet Blake zich aan de uitwerking van de eerste regels, waarin ze al door liet schemeren dat het thema van slavernij voor haar in een bredere context geplaatst moet worden:


Some say we need apologies or gifts in dollars and cents for the way our forefathers were treated when they were slaves without a choice.
What we need I say is to stamp out the system that keeps us enslaved today.
We were emancipated, the right to be free was won.
We were emancipated, but are we liberated is a question all should ask.
We gained the freedom to vote, write and read, but are we truly free?
The shackles of colonialism is still on us today.
We are told if you for me, you will see great changes I’ll make, wait and see.
But as we vote and they sit in the seat they forget all about us wait and see.



Deze wending heeft twee gevolgen; niet alleen klinkt Blake de slavernij van het kolonialisme vast aan de onvrijheden van onze eigen tijd maar tevens toont ze aan dat niet alleen zwarten daar het slachtoffer van zijn.


We are free yes free from the bondage of slavery.
But day by day we enslave ourselves to masters.
The Master called money a quick fix we say for we have to be like the others.
So we sell drugs we use it we push it on our boys and girls and tell them that it’s cool, you’ll make big money quick as a flash to buy the cars and the boats.
But we forget to tell them they’ll be enslaved and pay the price with their lives.



Blake ontkomt niet aan een hoge mate van moralisme maar weet ‘Freedom Song’, dat tien jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd, door de hierboven al aangegeven stilistische technieken en door de wisselende perspectieven toch de waarde van herleesbaarheid mee te geven. Veel sterker zou de tekst, zelf al deels muziek dus, overkomen als die door passende instrumenten ondersteund werd. Hoewel de dichteres er iets anders mee bedoelt, zijn haar slotregels ook in dit opzicht van belang:


And sing with might an dignity the song, our freedom song.

Lift every Voice and Sing.
Yes then and only then we will be free, yes truly free.



Eusons ‘Tis the tiniest dot on the map’ kent heel wat minder stilistische middelen. Wel is er spaarzaam toegepast eindrijm. De tekst, op de eerste plaats een lofzang op Sint-Eustatius, bestaat uit 6 strofen van elk 8 regels. Ik neem de laatste drie over, niet omdat daar poëtische hoogstandjes in voorkomen, integendeel, maar omdat we dan Rodney weer tegenkomen en daarmee een kijk op de band met het nabije Amerika, de bondgenoot van weleer, nergens anders in dit boek zo fervent bejubeld.


‘TIS THE TINIEST DOT ON THE MAP

St. Eustatius, once known as the Golden-Rock,
Has suffered a terrible fall;
Bur her grandeur, fame and glory,
Lives on in the hearts of all.
George Rodney, who caused her disaster,
Has long been dead and gone;
But tho’ poor and forsaken, our island still stands,
And for her a new day soon shall dawn.

For tho’ we’ve oft grieved o’er her desolate condition,
We have faith, so we’ll no longer complain;
For we believe by God’s grace, and America’s assistance,
St. Eustatius shall soon rise again.
We want to say to you people of America,
We’ve never regretted what happened that day;
And we are proud to realize that the name of St. Eustatius,
Shall forever be linked with our dear U.S.A.

And now, you loyal Statians all,
From home, or over seas;
Let ring your voices with our anthems,
Swelling on the breeze.
And may this day among all days,
By you considered be,
As the day when Statians met from all parts of the world,
To celebrate –, Our Bi-Centenary.



Marcella Gibbs betoont zich in haar ‘Be contented’ niet minder gelukkig met het eiland dan Euson. Ze zou graag zien dat het gros van de bevolking er net zo over denkt maar dat is niet het geval. En daar dankt haar tekst, bestaande uit 9 disticha met lange regels, z’n bestaan aan. Gibbs gebruikt in de laatste woorden van alle strofen binnenrijm: mind-time, much-up, Lord-long, cheat-peace, field-need, complain-brain, pass-gas, today-away en go-know. Méér dat qua klank, of beeldspraak, naar poëzie verwijst, is er niet te vinden. Haar slot ziet er als volgt uit:


Grumblers, murmurers, complainers which one are we advertising today?
Are we stressed out Statians complaining our time away?

Let us be happy citizens. Be contented wherever we go
Learn to live with each other and our lives we be happier I know.



En daar zijn dan alsnog de piraten uit mijn jeugdboeken! Hein Roethof publiceerde een halve eeuw geleden ‘Antilliaanse sonnetten’ waarvan er een aan Statia is gewijd.


ST. EUSTATIUS

Piraten en zeeschuimers maakten
u tot een oord van grote pracht,
als staten in hun voegen kraakten
steegt gij in aanzien en in macht.

Doch bleef er iets van al die weelde,
die edelstenen op uw kruin,
sedert het noodlot met u speelde,
uw pakhuizen herschiep in puin?

Sinds Rodney u heeft aangegrepen
en in Achilleshiel getast
verdwenen van uw ree de schepen
met hun zo waardevolle last
en rest er van uw oude trots
nog slechts de naaste: De Gouden Rots.



Wanneer ik die gemakkelijke, deels voorspelbare eindrijmen bekijk, geef ik toch de voorkeur aan de klankovereenkomst bij Marcella Gibbs. Ook andere zaken maken duidelijk dat Roethof ondanks z’n onderwerp allesbehalve een Slauerhoff was.
1) Roethof ziet ze als vertegenwoordigers van twee aparte categorieën maar daarvoor is het verschil tussen een piraat en een zeeschuimer te diffuus.
2) Edelstenen op een kruin? Bedoelt hij met kruin de top van The Quill (een Engelse verbastering van De Kuil)? Zou hij met edelstenen de vele geschutsopstellingen op het oog gehad hebben, waarvan er nog een heleboel te zien zijn, zij het veelal als ruïne? Of, ook mogelijk met een tolerante interpretatie, de aangespoelde blauwe steentjes die in de periode van de slavernij als betaalmiddel werden gebruikt? Als hij kruin fysiek bedoeld heeft, komt dat er niet duidelijk uit want de bebouwing van Oranjestad, inclusief tegenwoordig de aanpalende buurten, bevindt zich juist in het vlakke tussendeel van het eiland en daar stonden de volle pakhuizen en paleizen. Waarschijnlijk vereenzelvigt Roethof de berg met het hele eiland. De bijnaam ‘Gouden Rots’ geldt wel degelijk heel Sint-Eustatius. Op het sinds 16 november 2004 gebruikte wapen prijkt een gouden berg en dat goud verwijst nadrukkelijk naar de grote rijkdom die aan het eind van de 18e eeuw als vrijhaven was bereikt. Het wapen wordt bekroond door batterijen, zij het dat die een middeleeuwse vorm hebben, en omgord door blauwe kralen. Maar … was zo’n wapen, in een oudere versie, al eerder in gebruik, in de tijd dat de dichter actief was?
3) Het noodlot? Rodney voerde zijn aanval op bevel van hogerhand uit en slaagde op efficiënte wijze, want zonder geweld, in zijn opzet. De spaarzame schoten op de betreffende dag waren bedoeld voor het enig aanwezige Nederlandse oorlogsschip, de Mars, en dan nog eerder per ongeluk want de twee betrokken kapiteins werden door Rodney berispt wegens gebrek aan discipline. In feite wist nog niemand op het eiland van de oorlogsverklaring en was men niet paraat. Gouverneur De Graaff capituleerde om een bloedbad te vermijden. De verovering was een voorspelbare reactie op de stiekeme streken van de Nederlanders (de Engelsen hadden bijvoorbeeld een geheim verdrag tussen de Amerikaanse rebellen en de stad Amsterdam te pakken gekregen) en geen noodlot want dat is niet te vermijden. Dat Roethof zijn noodlot ook nog even wilde laten ‘spelen’ is een uitglijder van formaat.
4) Hoe is het mogelijk pakhuizen in puin te her-scheppen?
5) Iemand in z’n Achilleshiel tasten kan hoogstens een kietellach opleveren.

Daarmee zijn we aan het volkslied aangekomen, niet verrassend ‘Golden Rock’ geheten, van Pieter A. van den Heuvel. Een fragment:


Statia’s past you are admired
Though Rodney filled his bag
The first Salute was fired
To the American Flag
The freedom of a nation
Promoted by our Fort
American and Statian
Both praise for it our Lord

Golden Rock I’ll always miss you
When I am far from thee
Never ever I’ll forget you
Wherever I may be



SINT-MAARTEN

Klaas de Groot heeft ernaar gestreefd behalve zoveel mogelijk literaire kwaliteit ook genoeg locale kenmerken per eiland te bieden. Wat jammer daarom dat de dubbele identiteit van Sint-Maarten, toch het in veel opzichten belangrijkste Bovenwindse eiland van de drie met Nederlandse banden, niet aan bod komt in de anthologie.
De Collectivité de Saint-Martin heeft een oppervlakte van 53 km², het land Sint-Maarten 34 km². Daar staat tegenover dat het koninkrijksdeel bijna 40.000 inwoners telt en het Franse 33.000. De meeste wonen in de hoofdstadjes Marigot en Philipsburg.
De voertaal van beide gebieden, die gescheiden worden door een tien km lange en niet al te functionele grens, is het Engels en dat verklaart waarom vier van de vijf bijdragen van Sint-Maarten in die taal zijn geboekstaafd.

Het eiland heeft een lange historie. Al duizenden jaren voor de westerse jaartelling was het gebied bewoond, vanaf de 9e eeuw voornamelijk door de Arowak-indianen en vanaf de 14e door de Cariben, naar wie de omringende wateren zijn genoemd. Hoewel Columbus het eiland voor Europa in zicht bracht, waren de eerste Europeanen die zich er vestigden Fransen en Nederlanders. Ze werden gelokt door het lucratieve zout. In 1648, enkele jaren nadat de Spanjaarden hun claims opgaven, kwamen de Fransen en Nederlanders met het Verdrag van Concordia een deling overeen, die echter pas in 1817definitief werd geëffectueerd.

Economisch van belang is dat het zout plaats maakte voor toeristen, vooral Amerikaanse bezoekers die meestens per cruiseschip arriveren. Poëzie hebben sommige van deze welkome gasten zeker geschreven maar niet achtergelaten. De betere gedichten zouden een evenzeer welkome bijdrage aan ‘Vaar naar de vuurtoren’ hebben kunnen opleveren maar ja, vind ze maar eens.
Max Niematz (º1942, Tilburg) liet wel een gedicht na, een tweedelige tekst zelfs onder een Latijnse aanduiding. Het is het enige Nederlandstalige aandeel. De andere teksten zijn van Danny Hassell, Drisana Deborah Jack, Wycliff Smith en Gerard Kemps.

‘In salute to our flag’ van Danny Hassell, het eerste gedicht, zou uitstekend functioneren als volkslied en dat niet alleen omdat hij het heeft over een refrein, saamhorigheid, zang en een vlag. Zijn liefde voor het eiland doet hem ook consequent Land en Nation met een hoofdletter weergeven. Het leidende sentiment geeft aan dat het leven vroeger vreedzaam en harmonieus was en de vooruitgang alleen maar tranen opleverde. In de slotstrofe spreekt hij de hoop uit dat een nieuwe banier meehelpt een eind aan de onderlinge verdeling te maken. Dat klinkt nogal mak en clichématig allemaal. Is Hassell in staat met beklijvende beelden en een authentieke verwoording zijn particuliere gevoelens en gedachten om te zetten in poëzie?


IN SALUTE TO OUR FLAG

We have taken so much for granted
Even this Land where our roots are planted
This Land where past generations toiled
While giving each other a helping hand

Then progress came and over the years
It cost us oh so many tears
But a friend came along one day
With a song to wipe our tears away
To impress in us as we grow
That the best prize in hand
Was our sweet St. Martin Land

And today a refrain in union we may sing
For a new banner of Nation hails in the high wind
It is thy flag of unity, let it fly
So that the seeds of division may die.



Het zou best kunnen dat hij naar het volkslied verwijst, het ‘O sweet Saint Martin’s Land’ van Gerard Kemps, dat de reeks van vijf in dit boek besluit. Ik kom daar hieronder op terug.
Om bovenstaande vraag te beantwoorden: nee! Als enig technisch middel dat eventueel naar een beetje poëtische verheffing zou hebben kunnen voeren, zien we een handvol eindrijmen: granted-planted, years-tears, day-away, hand-land en fly-die. Hun associatieve kracht in de verwachting van de lezer blijft echter veel groter dan hun evocatieve verrassing in diens verlangen. Van verrassing is zelfs helemaal geen sprake. In plaats van een gedicht vormen deze regels een melancholische verzuchting, opgetut met een toefje hoop. Dit betekent niet dat ze geen enkele waarde voor de bewoners van Sint-Maarten kunnen hebben maar die zullen dan wel vanuit hun eigen chauvinisme moeten lezen.

Het doet goed in het volgende gedicht, ‘waterpoem 2’ van Drisana Deborah Jack juist de elementen te herkennen die Hassells stuk zozeer ontbeert, zijnde een dartele beeldspraak, spontane en originele zegging en een pakkend ritme. Het kan er mee te maken hebben dat de dichteres ook beeldend kunstenaar is. Met evenveel recht mag beweerd worden dat beide disciplines, zich parallel ontwikkelend, voortkomen uit een bewogen gemoed dat zich artistiek moet uiten. Jack werd weliswaar in Nederland geboren, in 1970 te Rotterdam, maar plaatst zich als dochter van Antilliaanse ouders nadrukkelijk in de cultuur van de Caraïben. Haar thema’s zijn naar eigen zeggen: een transcultureel bewustzijn, de nawerking van het kolonialisme en het oproepen van mythische krachten door middel van eigen en andermans herinneringen. Ook qua stijl en middelen wil ze zich bepaald niet beperken, het liefst verbindt ze alles.


WATERPOEM 2

i live on another island
not my own
locked in childhood memories
me a girl green
my island lush as well
we were green together
the smell of tomorrow was ripe
bright like the sun
over a Cole Bay road at noon

when you were named Soualiga
by the first-borne-here children
salt foam smiling around a bright blue pond
Great your smell cloaking the land
the sea a lover whose caressing waves
yearn for permanence / communion
you meet and retreat in
a timeless seduction
the moon an unwilling voyeur
to your tidal romance





Overal wordt de taal als spel ingezet zoals, om maar enkele voorbeelden te geven, in de tegenstellingen tussen stabiel en mobiel (‘locked’ en ‘cloaking’ versus ‘meet and retreat’), in de personificaties (‘salt foam smiling’, ‘the sea a lover’, ‘the moon an unwilling voyeur’), synesthesie (‘the smell of tomorrow was ripe / bright like the sun’) en in de lust tot het hervormen van woordgroepen (‘the first-borne-here children’) en zinsvolgorde (‘me a girl green’). Er is muziek, er is plezier, er is kortom leven!
In ‘Waterpoem 2’ zijn haar keuzes en werkwijze duidelijk te herkennen: de jeugdherinneringen, de weelderige natuur, het samenvallen van meisje en eiland (vooral in ‘we were green together’) en, meteen al in het begin, de gelaagdheid en meervoudige duiding. Het andere eiland kan namelijk heel goed hetzelfde gebied betreffen; het is de tijd en het zijn de ervaringen die er in de beleving twee van maken: het Sint-Maarten van vroeger en dat van nu. Hoeveel intelligenter behandelt Jack dit contrast dan Hassell. De tweede regel kan doorlopen in de derde maar dat hoeft niet. Het ontbreken van leestekens, behalve de hoofdletter in ‘Great’, geeft het gedicht zodoende een extra grote plasticiteit.
Met ‘Soualiga’, dat maar heel weinig Nederlandse lezers en zeker ook niet alle Antilliaanse zullen kennen, wordt ‘zoutland’ bedoeld. Het komt uit de taal van de Caribische indianen. Daarmee brengt Jack niet alleen lagen van het heden en het verleden aan maar tevens van meer tijdsperspectieven. Er is het eiland van nu, het eiland uit de kindertijd en dat van een volk van eeuwen geleden. Daarnaast maakt ze de geur van morgen rijp en helder, dus de laag van de toekomst uitnodigend lekker. Je kunt dit op zich eenvoudig weergegeven gedicht op verschillende manieren lezen maar ontkomt er niet aan het vooral als een liefdesbetuiging over te nemen!

Hoe goed gaat ‘waterpoem 2’ over in ‘Cedrus Tintamariana’ van Max Niematz (º1942, Tilburg), die een paar jaar op het eiland doorbracht en er, wat niet veel mensen zullen weten, zelfs z’n allereerste gedichten schreef. Bezingt Jack een helder blauwe vijver die omgeven wordt door zout schuim en de zee als een minnaar of minnares als tekens van leven, Niematz bezweert de dood aan de Noordkaap:


CEDRUS TINTAMARIANA

I

Wind van de noordkaap tussen
de wervels , lig ik in het
zwartste zwembroekje des doods
beenwit te zijn onder een ceder.

Mensen zijn nog niet uitgevonden.
Zelf ben ik een schoonheids-
foutje in een wereld, die bewolkt
wordt door eilanden en wolken.

Maar alles heeft al zijn
mondigheid. Alles spijst zich
aan eigen honger. De zee vooral,
niets is zozeer zichzelf voldoende.


II

Als een kluizenaarskrab lig ik
te overleven, terug in de tijd.
Maar er bestaat geen geheugen.
Wolken laten geen sporen na.

Hoe mijn hals ook reikt naar
het oude, alles is onverzadigbaar
nieuw. Elke salamander heeft
zijn volk, zijn vluchtwegen.

Als een vleermuis keer ik terug
naar mijn heiligdommen. Een ceder
beweegt. Een willoos jacht
passeert met killende zeilen.



De wind jaagt tot tussen zijn wervels. Mooi! Als motief gebruikt hij een zwarte zwembroek, de zwartste zelfs, en dat is ook een goede vondst want die bedekt zijn persoonlijke ceder, zijn stamboom, zijn voortplantingsorgaan. ‘Beenwit’ slaat niet alleen op de melkflessen van een westerling maar ook op botten.

Wat jammer dat de tweede strofe dit hoge niveau niet kan vasthouden. De gedachte dat de zuiverheid van de elementen aangetast wordt door de mens is allesbehalve origineel maar past nog enigszins bij de opening. De sprong van dood naar schoonheidsfoutje is echter te groot, daarmee valt Niematz uit z’n eigen gedicht. Het beeld van een wereld bewolkt door eilanden en wolken is evenmin geslaagd omdat de overlapping sterker werkt dan het beoogde verrassingseffect.

De derde strofe is weliswaar beter maar gaat mank aan de combinatie van het verbindingswoord ‘maar’ en de zee, die immers tot die elementen behoort die de zuiverheid bepalen. Anders gezegd, als Niematz de puurheid van de natuurkrachten respecteert en bewondert, kan hij niet meer de zee gebruiken bij de aspecten die daar haaks op staan, laat staan die op de eerste plaats zetten en zozeer zichzelf voldoende laten zijn. De weeffout is dus het tegenstellende voegwoord.





In het tweede deel van het gedicht gebruikt de dichter ineens drie diersoorten: een krab, een salamander en een vleermuis. Onomwonden vereenzelvigt hij zich met minstens twee ervan. Hoe functioneel is dat?
Bedoelt hij met kluizenaarskrab een heremietkreeft? Hoe dan ook, wanneer je de samenstelling losmaakt heb je twee zinvolle betekenissen: een kluizenaar of heremiet is iemand die afgezonderd wil zijn, zich wil toeleggen op het wezen der dingen en zichzelf, en een kreeft van die naam staat erom bekend lege schelpen van andere dieren als kluis te gebruiken. Niematz’ evocatie van de eenzame man op het strand past goed bij het eerste, een krab die ligt te overleven niet direct bij het tweede want de man heeft geen bescherming anders dan, eventueel. de zwembroek. Daarnaast, bestaan er krabben zonder eigen schild? Nader onderzoek leerde me dat sommige krabben tijdelijk zonder kunnen, ze werpen dan een niet meegegroeid schild af en wachten op een beter passend exemplaar. In die tijd zijn ze natuurlijk zeer kwetsbaar.
De krab en kreeft staan symbool voor oeroude diersoorten die hebben weten te overleven en dat besef vormt een mooie zwaai naar het begin van het gedicht waar de dood domineert. Ook de toevoeging ‘terug in de tijd’ geeft stof tot nadenken. Kan dat, terug in de tijd overleven?Normaal gesproken is overleven op de toekomst gericht. Het kán, als je ervan uitgaat dat er ontelbare momenten zijn geweest dat het bestaan van de soort op het spel stond. Niematz verwijst dan naar die kritische fasen in de evolutie. Tegelijkertijd wordt deze gedachte onmogelijk gemaakt omdat er geen geheugen bestaat. Ook in dit opzicht past ‘Cedrus Tintamariana’ bij ‘waterpoem 2’ van Drisana Deborah Jack, die er juist alles aan gelegen is het geheugen te activeren. Als in dit rijtje van vijf achternamen de N niet op de J volgde, had De Groot ze zeker alsnog bij elkaar geplaatst.
Maar, als er geen geheugen bestaat, hoe kan het personage zijn hals dan reiken naar het oude? Niematz maakt het de kritische lezer niet gemakkelijk met al die tegenspraak.
Wat doet de salamander in het gedicht? Salamanders behoren tot de groep van gewervelde dieren (Niematz rept in regel 2 over z’n eigen wervels) en zijn amfibische wezens (Niematz ligt op de scheidslijn van land en zee). De officiële naam is Caudata en dat betekent ‘staartdragend (voor nog meer overeenkomst hier kunnen we hoogstens Niematz’ bedekte geslacht inzetten). De populaire benaming is afgeleid van het Perzische ‘sām andarūn’, dat ‘innerlijk vuur’ beduidt. Zou de dichter hiermee een bedoeling hebben gehad. Mogelijkheden te over. Er is, eventueel, maar één probleem. Op Sint-Maarten komen geen salamanders voor! Hoe anders is dat voor de vleermuis, die in maar liefst acht soorten tegelijk op het eiland aanwezig is!
Wat deze drie dieren gemeenschappelijk hebben is de behoefte aan duisternis en beschutting en de bekendheid met meerdere domeinen zoals water-land en binnenwereld-buitenwereld. Geldt dat voor het opgeroepen personage? Jazeker, de man ligt op het strand én in de schaduw. Maakt het nog iets uit dat het de schaduw van een ceder is? De titel doet zulks vermoeden. De ceder hoort thuis bij de coniferensoorten, waartoe we ook de dennen en sparren rekenen. Enkele kenmerken van deze boomsoort die het vers extra diepte kunnen verlenen zijn o.a. de duurzaamheid van het hout, dat goed bestand is tegen verrotting, en de beschermingslaag op de naaldvormige bladeren tegen uitdrogen.
In zijn slotwoorden laat Niematz met een goed gevoel voor timing en enscenering de boom (hier dus een voorbeeld van een overlever) in de wind van het leven die ons vaak stuurloos maakt (verbeeld door een willoos jacht) opnieuw in beweging zien. Wat past dit alles mooi ineen: mens, boom en dieren in een verbond op leven en dood! Deze dichter weet hoe hij met symbolen en timing om moet gaan. Dat andere poëtische deugden daarbij achterblijven is daarom al minder erg.

De voorlaatste tekst is van Wycliffe Smith (º1948, Saba), die we al eerder op zijn geboorte-eiland tegenkwamen. Net als in het gedicht daar, ‘My Island’, gaat hij in ‘The Great Salt Pond’ (eveneens goed aansluitend bij de tekst van Drisana Deborah Jack) van beschrijvingen van een onbezoedelde situatie over in het signaleren van misstanden en gevaren. De laatste vier strofen:


Once teeming with
salt / pickers and
healing virtue

The salt Pond now lies
wasted and sad
in the margin of traffic
construction and dollars

Her beauty marred
by the rubble of
the sanitary fill
smoked away in the
smoldering garbage
nauseous odours drape
over her rippling mirror

The sun reveals her wounds
inflicted by a thoughtless
accelerated economy
Her beauty now depends on
reflections of hills
lights and buildings on
her deserted borders.



Er is een grote kans dat Smith regels abrupt laat eindigen op voorzetsels en een enkel lidwoord en voegwoord om de verminking aan te geven waar het gedicht inhoudelijk op uitloopt. Zijn gedichten gaan meestal niet diep maar haken zich wel vast in nog andere belangen dan de puur literaire.

De Groot laat de bijdragen over Sint-Maarten eindigen met het volkslied. Dit stuk uit 1958 is geschreven en gecomponeerd door dominee Gerard Kemps, maar werd in de omgangstaal vastgelegd:


O SWEET SAINT MARTIN’S LAND

Where over the world, say where:
You find an Island there,
So lovely small with nations free,
With people French and Dutch,
Though talking English much,
As thee Saint Martin in the sea?

Chorus:
O, sweet Saint Martin's Land
So bright by beach and strand
With sailors on the sea
and harbours free;
Where the chains of mountains green
Variously in sunlight sheen;
O, I love thy paradise,
Nature's beauty fairly nice! (twice)

How pretty between all green
Flamboyants beaming gleam
Of flowers red by sunlight set!
Thy cows and sheep and goats
In meadows or on roads,
Thy donkeys keen can't I forget

Chorus

Saint Martin, I love thy name,
In which Columbus fame,
And memories of old are closed.
For me a great delight:
Thy Southern Cross the night.
May God the Lord protect thy coast!

Chorus



Het is, op de voorlaatste regel na, een optimaal heldere tekst, die zeker prettig te zingen is. Hoe kort hij nog maar bestaat, er zijn al allerlei veranderingen in opgetreden. In een van de vroegste versies bijvoorbeeld was er nog sprake van de Nederlandse naam.


SLOT

Alle teksten in ‘Vaar naar de vuurtoren’ werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments tevens, op enkele na, in vertaling, de Engelse om begrijpelijke redenen niet.

Het resultaat is hoe dan ook een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!


VAAR NAAR DE VUURTOREN – GEDICHTEN OVER EILANDEN. Samenstelling en redactie: Klaas de Groot. Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN: 978-9062-656585.€ 18,50

De Verborgen Hoek, no. 12, januari 2011


REACTIES:

Albert Hagenaars publiceert zijn langere recensies sinds enige tijd op dit weblog, De Verborgen Hoek, dus. Hij leverde fraaie artikelen over werk van Frank Pollet en over de "eilandgedichten" uit het verre westen.
CHRETIEN BREUKERS, De Contrabas, 19-01-2011.


De poezie van de Antillen had ik gelezen. 'Paradise Lost' van Giselle Ecury vond ik heel mooi. Zo zullen er veel kinderen zijn, die de wereld van hun jeugd ook letterlijk moeten loslaten om elders wat geluk te vinden.
CATHARINA BAGGERMANS, 21-01-2011.

Ik denk dat we er allemaal van dromen om ons eens op zo'n Bovenwinds (Beneden- ook goed) te laten uitwaaien! Poëtische groet.
MARK MEEKERS, 11-02-2011.

Natuurlijk heb ik genoten, en nóg, van de Bovenwindse en Benedenwindse eilanden, temeer omdat vooral Bonaire bij mij leuke en mooie herinneringen oproept. Zeker de vuurtoren, die in een prachtig natuurreservaat ligt.
RICHARD DE WEERT, 13-02-2011.

Ik kijk en lees niet alles wat je stuurt uitputtend hoor. Maar de poëzie-recensies die je schrijft, lees ik altijd. Ik vind ze erg goed. Mooi ingezoomd qua inhoud en vorm. Ik leer er van.
COOTJE HOUDIJK, 03-03-2011

Een mooi stuk! Ik ben zo vrij geweest het door te sturen naar een oud-studiegenoot op Curaçao. Hij is directeur van het bureau voor het Papiaments, geeft les aan de universiteit van de Antillen, schrijft schoolboeken mee, etc. Hopelijk vind je het goed. Hier is het redelijk rustig. Ik heb wel het Bossche Schrijverscafé opgericht dat samenwerkt met de bieb. Groetjes!
GERARD MONTÉ, 18-08-2011